Vlaamse portretschilder brandde van ambitie

Van Dyck was een van de meest gevierde en invloedrijke portretschilders van zijn tijd. Het New Yorkse The Frick Collection toont een unieke verzameling van werken van de Vlaamse meester.

Beeld Van Dyck, Margaret Lemon, ca 1636.

Veel koppen in de Van Dyck-expositie in het New Yorkse The Frick Collection maken nieuwsgierig, en die van de 17de-eeuwse Antwerpse schilder Frans Snyders misschien nog wel het meest. Dat was geen kleine meneer. Als schilder gespecialiseerd in vogelstukken leverde hij werk aan tal van vorstenhuizen, waaronder dat van de koning van Spanje. Daardoor kon hij zich een huis veroorloven aan de Keizerstraat, zeg: de Herengracht van Antwerpen, ter decoratie waarvan hij zich liet portretteren. Dat gebeurde in 1620 en wel door de toen 20-jarige Antoon van Dyck.

Die klaarde de klus op een zelfs voor zijn doen uitzonderlijk knappe wijze. We zien de beroemde vogelschilder afgebeeld vanaf net onder het middel, het bovenlijf gestoken in zwarte en dus dure stof. Daarboven: een benige kop met zware oogleden; de rechterhand hangt slap over de stoelleuning als een van de geplukte dooie vogels die Snyders zo graag schilderde. Het portret, dat een pendant kent in dat van Snyders' vrouw Margareta de Vos, is statig, chic en vooral levensecht. Het oogt alsof de schilder elk moment zijn wenkbrauwen kan optrekken. Het uit het leven gegrepene, het schijnbaar achteloze en spontane, alsof de beeltenis op het doek verscheen in plaats van in vele sessies te zijn ontstaan - het is Van Dyck (1599-1641) ten voeten uit.

'Slechts' een portretschilder werd hij lang genoemd, maar dat moet natuurlijk zijn: wát een portretschilder. Van Dyck transformeerde de (Britse) portretkunst voorgoed. Hij maakte korte metten met het portret zoals generaties Tudors en Stuarts het graag zagen, een schematische en bewuste artificiële beeltenis die afstand schiep tussen vorst en burger - ze vond haar hoogtepunt in de dichtgeschminkte kerstboomportretten die koningin Elisabeth I van zichzelf liet schilderen - en stelde er iets meer realistisch en levendigs voor in de plaats.

Geschiedenis van een studie

Als gezegd tekende Van Dyck nauwelijks uitvoerige studies, en ook Portrait Study of a Lady, with Studies of Her Hands - de voorbereidende studie voor een portret van een onbekende, maar aantrekkelijke vrouw dat zich nu in München bevindt - is precies dat: een snelle studie. Opvallend eraan is niet dat zich op hetzelfde blad studies in close-up van de handen bevinden - dat deed Van Dyck vaker - maar dat de exacte herkomstgeschiedenis bekend is, en dat zich onder de eigenaren ten minste negen schilders bevonden. Daaronder: Peter Lely, Joshua Reynolds, Thomas Lawrence en de hier amper bekende, maar ondertussen ongeëvenaard goeie Spaanse portrettist Federico de Madrazo.

Dat deed zijn handel geen kwaad. Afkomstig uit de Vlaamse bourgeoisie en opgeleid in het atelier van Peter Paul Rubens, die hem beschouwde als zijn meest getalenteerde pupil, gold hij als twenty something al als de 'beste portrettist sinds Titiaan'. En de meest gewilde. Hij schilderde de zevenkoppige magistratuur van Brussel voor het stadhuis (het ging in een brand verloren, helaas) en verbleef voor langere tijd in Italië, waar hij Genuese aristocraten en Romeinse geestelijken (van beide hangen prachtige exemplaren in de tentoonstelling) vereeuwigde, tot hij door Charles I in Londen werd ontboden. Het hof was een wereld waarin Van Dyck goed gedijde. Met zijn zijden kleding, hoed met veren en grote gouden ketting, zo merkte een tijdgenoot misprijzend op, wekte hij meer de indruk van een prins dan van een handwerksman. In Van Dycks zwakke lichaam - de schilder overleed op zijn 42ste - brandde een vuur van ambitie en honger naar erkenning. Zijn grand-mannerportretten weerspiegelden een grand-mannerego.

Nu viel ieder ego in het niet bij dat van Charles I (1600-1649). Hij was een klassiek gevalletje minderwaardigheidscomplex. Als kind: zwak en traag; later: tiranniek en heerszuchtig. Naar voorbeeld van Habsburgse koningen en Romeinse keizers legde hij een kunstverzameling aan en liet hij zich afbeelden te paard of anderszins tijdens de jacht. Niemand kon dat levendiger en heroïscher dan Van Dyck, en dus passeerde de Vlaamse meester binnen de kortste keren Charles' hofschilder en werd hij Principalle Paynter in Ordinarie of their Majesties.

Dat was niet niks. Het bezorgde Van Dyck een riant atelier in Blackfriars - met een speciale geheime ingang waardoor de koning ongezien bij zijn favoriete schilder kon komen poseren- plus een geheel nieuwe klantenkring: Charles' entourage, cavaleristen, geleerden, mede-kunstenaars, alsmede talloze dukes en earls uit het parlement die later, tijdens de door godsdienststrijd gevoede burgeroorlogen die het Verenigd Koninkrijk zouden verscheuren, lijnrecht tegenover de koning kwamen te staan. Allen wilden zij wat de koning wilde: een galant, representatief portret. En representatief betekende: voornaam, strokend met het eigenbeeld. Vergeet de 21ste-eeuwse fixatie op de portrettist als schilderende kijker in de ziel; hier waren het de wensen van de opdrachtgever die telden. Was men geleerd, dan liet men zichzelf met een boek schilderen; had men een ridderlijke orde, dan eiste men dat die goed in beeld werd gebracht.

Antoon van Dyck, Lord Frick, the seventh earl of Derby, with his wife, Charlotte and their daughter, ca 1636. Beeld The Frick Collection

Daarvoor was men bij Sir Anthony, zoals de schilder was geridderd, aan het juiste adres. Die was geweldig in stoffen (zijn vader was zijde- en linnenhandelaar) en texturen, de plooival van een japon de polonaise, het vlees dat strak rond een voorhoofd spant, al die trucs en kunstgrepen die een portret de 'adem des levens' geven, maar wat hem werkelijk onderscheidde van zijn collega's was zijn talent om te vleien zonder dat de vleierij direct in de gaten liep. Hij wist precies die karakteristieken uit te vergroten die zijn modellen op hun nobelst - niet per definitie: knapst - toonden. Waren daar wat extra juwelen of extravagante avondkleding voor nodig - geen probleem. Het was een 17de-eeuwse fotoshoot à la Erwin Olaf of Mario Testino. Wie zich door Van Dyck liet portretteren, zag zijn beste zelf. En de tentoonstelling in The Frick Collection, de grootste solotentoonstelling die het museum ooit maakte, wil dat proces ontleden.

Dat is hetzelfde museum als waar het Mauritshuis vorig jaar enkele topwerken van exposeerde. Het vindt onderkomen in een neorenaissancistisch gebouw op de hoek van 5th Avenue en 70th Street. Het is zo'n museum waarvan je denkt: hier zou ik kunnen wonen. En inderdaad: er heeft iemand gewoond. Die iemand was Henry Clay Frick, de beruchte 19de-eeuwse zakenman. Rijk geworden door slimme handel in cokes. Hij was ook een fanatiek kunstverzamelaar. De kwaliteit daarvan staat buiten kijf. Die Vermeer in de gang: prachtig. De Bronzino naast het trappenhuis: oogverblindend. De Holbeins, de Rembrandts, de stijlkamer van Boucher: man, wat een weelde. Dat laat ik de Van Dycks ongenoemd. Acht stuks sterk in de vaste collectie, waaronder het dubbelportret van Snyders en zijn vrouw. Rond die werken is nu een tentoonstelling gemaakt.

Beeld Antoon van Dyck, François Langlois avec Musette 1641

Die expositie, die naast portretten ook schetsen in krijt en grafisch werk bevat, is goed, maar niet geweldig. De selectie, waaronder bruiklenen uit het Palazzo Pitti in Florence, het Kunsthistorisches Museum in Wenen en de Londense National Gallery, mist cruciale stukken, hetgeen een direct gevolg lijkt van de afmetingen van het gebouw. The Frick is - net als het Mauritshuis voor de verbouwing - klein en de marges om binnen die bescheiden ruimtes te schuiven zijn ook nog eens beperkt. Gevolg: een tentoonstelling in etappes met de verschillende media verspreid over het gebouw. Voltooid werk en studies vergelijken kan enkel in de catalogus. Levert dat nieuwe inzichten op?

Mwah. Veel van wat ter sprake komt, is relatief bekend. Het geringe belang van uitgewerkte voorstudies bijvoorbeeld. Anders dan Van Eyck of Rubens die haarscherpe en hypergedetailleerde tekeningen van hun modellen maakte, gebruikte Van Dyck het papier enkel om houdingen neer te krabbelen. Dat deed hij zonder uitzondering vlug en schetsmatig. Nauwgezet tekenen vond Van Dyck tijdverspilling. Liever schilderde hij direct op het doek.

Antoon van Dyck, Frans Snyders, 1620. Beeld The Frick Collection

Dat schilderen, vervolgens, gebeurde al even hyperefficiënt. De maestro had een groot talent voor delegeren. Van Dyck was eigenlijk Van Dyck en Co.: achter zijn naam school een collectief. In de meeste gevallen tekende de meester zelf slechts voor het hoofd. Daaraan werkte hij maximaal een uur. Was het uur om, dan betrad een nieuwe opdrachtgever het werkvertrek en zette Van Dyck zich aan de volgende kop. Het lichaam, de kleding, de gordijntjes tussen voor- en achtertoneel, het landschap op de achtergrond, de door mij altijd zo typerend voor de meester geachte handen - ze werden meestal overgelaten aan assistenten. En die assistenten werkten zelden met de daadwerkelijke zitter. Vaker maakten ze gebruik van stand-ins of paspoppen. Van Dycks goddelijke monsters waren in werkelijkheid monsters van Frankenstein. Dat - en dit is misschien wel Van Dycks grootste verdienste - zie je er slechts bij hoge uitzondering aan af.

Hier is François Langlois een Frans Hals-achtig portret van de reislustige verzamelaar en kunsthandelaar terwijl hij een musette bespeeld. Het is een charismatisch portret, maar zeker niet cosmetisch. Er zitten rimpeltjes in de ooghoeken en achter de vettige huid - een specialiteit van Van Dyck - tekent zich een doodshoofd af, en dat is typerend. Van Dyck schilderde mensen gemaakt van broze materie. Zij zijn - anders dan de Elisabethportretten - niet immuun voor de tijd.

Dat was een kwestie van talent, en misschien ook een kwestie van persoonlijkheid, en het liet zich niet makkelijk navolgen. Dat merk je bijvoorbeeld wanneer je in de andere zalen van The Frick, en ook in het verderop gelegen Metropolitan Museum, de artistieke zonen van de Vlaming bekijkt: Gainsboroughs, Reyndolds, Lawrences, John Singer Sargents. Allen keken op naar Van Dyck - van één schets is bekend dat ze minstens door negen generaties schilders werd doorgegeven (zie kader) - maar bij Gainsborough kun je gerust spreken van een obsessie. Of het waren Gainsboroughs opdrachtgevers die geobsedeerd waren, dat kan natuurlijk ook. Die lieten zich namelijk portretteren in exact dezelfde kleding als waar Van Dycks modellen een eeuw eerder in gehuld gingen. Frances Duncombe was er zo een. Gainsborough trof haar op de voor hem kenmerkende wijze: bleke huid, hoed met veer, jurk. Het heeft de afmeting van een Van Dyck en de detaillering van een Van Dyck, en toch komt het niet in de buurt van een Van Dyck. Het mist diens doorleefde blik. Had Van Dyck het geschilderd, dan had hij 't weggestopt in zijn studio.

Van Dyck: the anatomy of portraiture. The Frick Collection, New York, t/m 5/6.
Catalogus: Yale University Press: €51,99

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden