Vitamine-injecties van Dr. Feelgood

Een goudmijn vol wetenswaardigheden verzamelde Robin D.G. Kelley in zijn biografie van Thelonious Monk. Toch is het resultaat maar half bevredigend....

Meer feiten over leven en loopbaan van Thelonious Monk (1917-1982) dan in deze biografie zijn verzameld, zullen we waarschijnlijk niet meer te weten komen. Robin D.G. Kelley, hoogleraar geschiedenis en American Studies, heeft veertien jaar aan het boek gewerkt, met ruime medewerking (maar naar hij ons verzekert zonder controle) van de familie Monk. Het resultaat is een imposante berg informatie (bijna 250.000 woorden) over misschien wel de oorspronkelijkste pianist en componist uit de jazzhistorie, gewetensvol verantwoord in een notenapparaat van precies honderd pagina’s.

Kelley volgt de gebeurtenissen vanaf Monks geboorte op de voet. Vrijwel geen optreden of plaatopname blijft onvermeld; elke wisseling in de bezetting van zijn groep wordt geboekstaafd. Ook het persoonlijk leven van de pianist en zijn familie krijgt uitputtende aandacht, zonder dat de navrante details worden verzwegen.

Zo blijkt Monk vanaf 1959 jarenlang onder behandeling te zijn geweest bij dr. Robert Freymann, beter bekend als ‘Dr. Feelgood’, de arts die tientallen beroemdheden uit de show-business en de New Yorkse society op de been hield met zijn ‘vitamine-injecties’, die in werkelijkheid vooral bestonden uit amfetamine. In Monks geval pakte dat des te schadelijker uit doordat hij voor zijn psychische problemen ook Largactil slikte, en daarnaast nooit vies was van alcohol, marihuana en bij gelegenheid cocaïne.

Even gedetailleerd beschrijft Robin Kelley de bittere armoede waarin Monk met vrouw en twee kinderen moest leven, tot hij vlak voor zijn veertigste eindelijk doorbrak naar brede bekendheid – inderdaad door zijn legendarische engagement met John Coltrane in de Five Spot in New York.

Hartverscheurend is het verhaal waarom Monk in januari 1973 zijn gezin verliet om in te trekken bij de roemruchte jazzbarones Nica de Koenigswarter-Rothschild (met wie hij een diepe platonische vriendschap onderhield). Zijn echtgenote Nellie, die hem decennialang met totale zorg had omringd, was in de ban geraakt van een gezondheidsleer op basis van fruit- en groentensappen. Hun New Yorkse woning stond na verloop van tijd tjokvol sapcentrifuges, die soms dag en nacht doordraaiden. Monk werd radeloos van het lawaai en het voortdurende bezoek van Nellie’s klanten. ‘I’m not coming back until the juicer goes’, was zijn standpunt. Maar de sapcentrifuges bleven en Monk zou tot zijn dood in de grote villa van de jazzbarones in Weehawken, New Jersey, blijven wonen.

Naast al die faits divers vindt de doorgewinterde Monk-liefhebber in dit boek een goudmijn vol wetenswaardigheden over zijn muzikale carrière en zijn ervaringen met de platenindustrie – zoals het feit dat het Columbia-label eind jaren zestig serieus voorstelde dat Monk, gezien zijn dalende verkoopcijfers, maar eens een plaat moest gaan maken met zanger Taj Mahal of de popgroep Blood, Sweat and Tears.

Maar een geslaagde biografie vereist meer dan een, op zichzelf goed leesbaar, feitenrelaas. ‘This book is my attempt to ‘know’ Monk, the man behind the mystique’, schrijft Robin Kelley aan het eind van zijn voorwoord. Vervolgens haalt de auteur zo ongeveer alle ideeën die over de mens Monk de ronde doen onderuit. Was hij een kinderlijke maar geniale autodidact?

Nee, Monk kreeg vanaf zijn elfde keurig pianoles, kende zijn klassieken en wist muzikaal altijd precies wat hij deed. Was zijn beroemde zwijgzaamheid tijdens interviews en andere ontmoetingen komedie om het publiek te epateren? Of een uiting van zijn manisch-depressieve conditie? Geen van beide, als we Kelley moeten geloven. Maar waar het wel voor stond, blijft onduidelijk.

Zo gaat het pagina na pagina door. Niet zodra schrijft Kelley verontwaardigd over de gemene aantijgingen dat Monk onbetrouwbaar was in het nakomen van zijn contractuele verplichtingen, of meteen daarna releveert hij dat de pianist veelal een of twee uur te laat kwam als hij moest optreden – en soms helemaal niet kwam opdagen.

Misschien nog wel ernstiger is een ander gemis: het ontbreken van een heldere interpretatie van Monks muzikale betekenis. Is hem, met name door de machtige criticus Leonard Feather, groot onrecht aangedaan doordat niet hij maar Dizzy Gillespie en Charlie Parker als de belangrijkste grondleggers van de moderne jazz worden afgeschilderd? Of staat Monks muziek op beslissende punten juist los van de bebop? En wat zijn die afwijkende kenmerken dan?

Na het lezen van 458 pagina’s kennen we vrijwel alle feiten over Thelonious Monk. Maar de mens en muzikant Monk is nog even enigmatisch als voordien.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden