Vermaak voor de lagere klassen

In de allereerste films van Auguste en Louis Lumière en Georges Méliès staat niets stil, er is een onbekende locatie, en vooral: de actie is op de camera gericht, waardoor het lijkt of de kijker direct wordt benaderd....

Uitgestrekte armen, afwerende handgebaren, wijd geopende monden: uitdrukkingen van ongeloof zijn een terugkerend motief in de korte films van Georges Méliès.

Zo tonen de personages hun verbazing over de tovenarij en vreemde technologie waarmee ze worden geconfronteerd. Astronomen gapen geïmponeerd omhoog naar de hemellichamen in Voyage dans la lune, een huisbazin wordt in volledige verwarring gebracht door de goochelende huurder in Le locataire diabolique, en in Sorcellerie culinaire laat een kok zich opjagen door de demonen die uit alle kastjes en pannen tevoorschijn komen.

De illusionist Méliès was op 28 december 1895 aanwezig geweest bij de eerste Parijse voorstelling van de cinématographe van de broers Auguste en Louis Lumière, en de vertoning maakte zoveel indruk dat hij binnen een jaar zelf begon te filmen. De grote gebaren van verbijstering waarmee zijn effecten zo vaak gepaard gaan, lijken een echo van de reacties die de eerste films van de Lumières opriepen.

De trein die vanuit de verte dichterbij komt in L'arrivée d'un train à la Ciotat zou bezoekers hebben laten wegduiken of de zaal uit hebben gejaagd, en later lieten de eerste groot geprojecteerde close-ups van gezichten mensen flauwvallen. Of ze waar zijn of niet, deze altijd herhaalde verhalen geven in elk geval aan hoe de vroege cinematografen wilden dat hun werk werd ontvangen. Als een schok, een wonderbaarlijk effect dat niet werd bewonderd omdat het de wereld getrouw weergaf, maar vanwege de ongekende sensaties die het kon oproepen.

Vijftig seconden duren ze, de eerste films van de Lumières, en nu zouden het documentaires worden genoemd. Het zijn vaak slechts registraties van de straten van Lyon of familiegebeurtenissen. Maar uit de mise-en-scène en de plaatsing van de camera blijkt duidelijk waar het echt om gaat: beweging en diepte. Een chaotisch spelletje jeu-de-boule is zo vastgelegd dat de ballen na elke worp in de richting van de kijker rollen. Landarbeiders bewegen zich, net als de trein op het station van La Ciotat, steeds verder naar voren, tot ze het beeld vullen.

Wassenbeeldententoonstellingen, variété-acts en toverlantaarnprojecties waren aan het eind van de negentiende eeuw een massacultuur. In Parijs had Méliès het theater Robert-Houdin gekocht, waar hij goochelvoorstellingen maakte vol rook- en lichteffecten en uitgebreide theatermachinerie. Filmbeelden, zoals ze eerst door Edison in het soort geavanceerde kijkdoos werden gepresenteerd en later door de Lumières op het doek werden geprojecteerd, waren in die omgeving niet het begin van een nieuwe kunst. Ze zijn eerder een eindpunt, de vervolmaking van het traditionele illusionisme.

Door latere generaties zouden de allereerste opnames van de Lumières worden bewonderd om de onopgesmukte stijl en het alledaagse realisme van hun stadsgezichten. In het negentiende-eeuwse entertainment telde alleen de nieuwe ervaring van flikkerende beelden die tot leven komen. De broers pasten zich dan ook snel aan de populaire cultuur aan en legden zich toe op spectaculaire en exotische onderwerpen. Ze filmden acrobatenacts, wilde dieren, struisvogelparades in een botanische tuin, en stuurden medewerkers naar alle continenten. Film was vermaak voor de lagere klassen, die zo kennis konden maken met verre landen. Via de camera en de projector was er een directe link met andere continenten, die in de travelogues altijd bijzonder fotogeniek waren. Rookwolken boven een oliebron in Bakoe, opiumgebruikers in China, Japanse zwaardvechters - het zijn nog altijd knappe opnames.

In 1899 filmde cameraman Gabriel Veyre Le Village de Namo: Panorama pris d'une chaise à porteurs, dat, in minder dan een minuut tijd, toont wat de Lumière-catalogus zo bijzonder maakt. De camera is geplaatst op een riksja die zich uit het dorp beweegt, en Vietnamese kinderen rennen achter de operateur aan, bloot, lachend.

De opname vat samen waar het om ging in de films. Niets staat stil, er is een allesoverheersende beweeglijkheid. Er is een verre, onbekende locatie. En vooral: de actie is op de camera gericht, waardoor de impressie ontstaat dat de kijker direct wordt benaderd.

Daar ligt het verschil tussen de cinema van de eerste jaren en de verdere filmgeschiedenis. In de wereld van variété-theaters, vaudeville-artiesten en pantomime-acts werd iedereen persoonlijk aangesproken, en zo werkten ook de eerste films. Veel van de vroege films van Méliès lijken vooral bedoeld als een uitbreiding van zijn goochelacts, waarbij hijzelf als een tovenaar of duivels figuur in beeld verschijnt, en de filmtechniek gebruikt om onmogelijke trucs uit te voeren. Hoofden worden afgerukt, lichamen uit elkaar gehaald en weer vastgeplakt, lastige personen verdwijnen met een klap uit beeld; de vroege film was geen zachtzinnig medium.

The Great Train Robbery van Edwin Porter, een western uit 1904 die werd gebaseerd op een treinoverval door de outlaw Butch Cassidy, wordt vaak gezien als een van de eerste echt verhalende films. Maar in de afsluitende opname blikt de film nog even terug naar de effecten uit de eerdere jaren. Een van de bandieten kijkt recht in de camera, en vuurt zijn pistool af in de richting van de lens.

Het is een shot dat herinnert aan de nederige afkomst van de cinematograaf. Film was oorspronkelijk niet meer dan een trucage, bedoeld om te verbijsteren en te verbluffen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden