Verkrachting in etalage

EEN VROLIJK boek is het niet, het debuut van Hanneke de Klerck. Een hemel van blauw fluweel gaat over Josje, die flink depressief is....

Lucien, die vroeger Teunis heette, heeft met zijn naam ook zijn identiteit veranderd. Teunis werd geminacht en gepest, Lucien is een hippe homoseksuele kunstenaar. Hij is ontwerper bij het grote warenhuis Kloos & Malters, en op zoek naar een levende etalagepop, naar iemand die een maand lang in zijn artistieke etalage in bed wil liggen. Josje is daar geknipt voor. Zolang ze maar iedere dag schone lakens krijgt, vindt ze alles best.

Eenmaal geïnstalleerd in het blauwe hemelbed, houdt Josje aanvankelijk hetzelfde bioritme aan. Ze slaapt en slaapt en slaapt. Nogal overbodig is de uitleg dat het bed voor haar een schuilplaats is: 'Helemaal ingepakt voelt ze zich veilig. Ze is Lucien dankbaar dat hij zulke dingen begrijpt zonder dat ze hem erover vertelt.' Hoewel Lucien misschien wel begrijpt dat ze veiligheid zoekt, weet hij niet waarom dat zo is en als ze eindelijk zo ver is dat ze daar iets over kan zeggen, houdt ze haar mond: 'Ze weet het niet. Ze weet het vaag. Ze kan het hem niet uitleggen.'

Niet alleen van Lucien, maar ook van de lezer wordt verwacht dat hij veel begrijpt zonder dat het wordt duidelijk gemaakt. Het verdriet van Josje krijgt hij breed uitgemeten, maar de oorzaken van haar lijden blijven verborgen. Wij krijgen te horen dat er een baby Lisa was, die in Josje's nachtmerries steeds opnieuw 'kapotgaat', maar dat is niet genoeg. Waarom wilde Josje vroeger op school nooit met iemand praten? Wat bezielde haar om in haar eentje te bevallen, zodat de baby dood geboren werd?

We komen er niet achter, ook niet nadat Josje langzamerhand uit haar schulp is gekropen.

Ze ontwaakt uit haar apathie door Daniël, een jongetje van zeven dat haar iedere dag komt opzoeken. Hij leest haar voor, alsof zij het kind is en hij de volwassene, en blijft zelfs 's nachts bij haar. Dan slapen ze samen in de fel verlichte etalage. Thuis heeft Daniël weinig te zoeken, zo valt op te maken uit zijn vage verhalen over een gemene stiefmoeder en zijn schrikachtigheid wijst erop dat hij meer aan klappen dan aan liefkozingen is gewend.

De gedeelde veiligheid van vrouw en kind wordt ruw verstoord als een groep mannen voor de etalageruit samendromt en daar doorheen breekt. Josje wordt verkracht. Heel gruwelijk, maar desondanks maakt de scène weinig indruk, misschien doordat Josje zichzelf erbuiten probeert te houden: 'Dit is niet echt. Dit gebeurt niet. Straks wordt ze wakker.'

Naderhand voelt Josje alleen de lichamelijke pijn, maar ook die raakt de lezer niet, hoewel het woord pijn' in twee alinea's zes keer valt: 'De pijn is het ergst, de schrijnende pijn tussen haar benen, die zich door haar hele lichaam lijkt te verspreiden, die haar armen zwaar maakt, haar benen moe, die haar hoofd doet bonken en de tranen steeds achter haar ogen drijft.'

Wanneer Lucien daarna met Josje mee naar huis gaat, blijkt ook nog dat er is ingebroken. Het kan Josje niets schelen; ze had toch weinig om te stelen. Bovendien is ze maar met één ding bezig: het terugvinden van Daniël. Ze weet hem op te sporen en neemt hem mee naar huis.

Een tijdje lijkt nu alles goed te gaan; Josje bakt koekjes en moedert over Daniël, maar al snel begint haar eigenhandig gecreëerde gezinnetje uit elkaar te vallen: Lucien wil zo langzamerhand wel eens naar huis, en voor Daniël geldt hetzelfde. Josje probeert Lucien nog vast te houden door zijn zwakke kant te bespelen ('Je kunt niet weggaan, Teunis'), maar dat mag niet baten. In arren moede verzint ze dan iets vreselijks om Daniël niet voorgoed kwijt te raken.

Het einde is schokkend genoeg, daar ligt het niet aan. Bovendien is het wonen in de etalage een mooi beeld voor Josje's kwetsbaarheid. Het verhaal is in vlekkeloos, zij het enigszins saai Nederlands verteld, en de novelle is de juiste vorm. Toch werkt het niet.

In literair opzicht is het boek te oppervlakkig en te nadrukkelijk. Die inbraak bijvoorbeeld is een al te opzichtig symbool voor de plundering van Josje's lichaam. Of neem Lucien, die meer een type is dan een mens: 'Lucien praat nooit over zijn angsten, zijn twijfels. Hoeft ook niet. Lucien is een succes. Lucien is hot.'

Als hij dan ook nog Vreeswijk als achternaam heeft, wordt het wel heel erg van-dik-hout-zaagt-men-planken.

Er moeten ook minder voorspelbare manieren zijn om een depressieve vrouw uit te beelden dan door te vertellen dat ze haar huis niet schoon houdt, grote dikke truien draagt ('Lange mouwen en pijpen beschermen haar') en dat ze graag onder de douche gaat om nare gedachten van zich af te spoelen. Als ze slaapt is haar gezicht van pijn vertrokken, en als ze wakker is, ligt ze zo in bed: 'Ze ligt op haar zij met haar armen gekruist voor haar borst, haar ogen zijn gesloten. Ze wiegt zichzelf, langzaam, nauwelijks merkbaar. Ze neuriet, zo zacht dat het als brommen klinkt, maar voor haar is het fluisteren dat ze doet, fluisteren tegen een kind dat ze is kwijtgeraakt. 'Kom terug', zingzegt ze, 'kom terug.' '

Het is het vertrouwde beeld van een vrouw in de war, maar juist daardoor komt Josje als individu niet uit de verf. Een hemel van blauw fluweel stelt daardoor niet alleen literair, maar ook psychologisch teleur. Josje's lot overtuigt niet, en wat erger is: het raakt je ook niet. Ze wil geen hulp zoeken ('Dokters kunnen haar pijn niet wegnemen'), ze wil niet praten en ze 'huilt al heel lang niet meer'. Ze is zo verschanst in haar waanzin dat ze buiten het bereik van de lezer blijft. Het is onduidelijk wat haar eigenlijk bezielt. Ze is alleen maar maf.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden