Verhalen van een alleenstaande

‘De mensen die je daar tegenkwam, kwam je inderdaad tegen. Hun leven bestond voornamelijk uit overgeplaatst worden.’ Ontmoetten ze weer een nieuwe vreemde, dan moesten ze die hun verhaal vertellen.

Tien jaar geleden vertelde hij dat dit indruk op hem maakte, maar niet waaróm die ervaring hem deed uitgroeien tot schrijver, toen zijn Indische jaren 1939-1946 allang voorbij waren. Al te persoonlijk werd de auteur van ‘een aantal’ korte verhalen en romans niet *zoals ook zijn naam, Albert Alberts, hem eerder anonimiseerde dan zichtbaar maakte.

Zeven maanden na de prijsuitreiking stierf Alberts op 84-jarige leeftijd. Dankzij de inspanningen van de bezorgers Gillis Dorleijn en Mirjam van Hengel is nu het Verzameld werk verschenen. De verhalen vullen het eerste deel, daarna volgen twee delen met historische vertellingen, artikelen, memoires en beschouwingen. Vanachter de verhalen komt op die manier tóch de persoon te voorschijn: de student Indologie uit Utrecht die voor het leven werd geïnspireerd door F.C.Gerretson, zijn docent koloniale geschiedenis die geleerd was, ironisch én rondom wie het mysterie hing omdat hij in zijn jonge jaren als de dichter Geerten Gossaert furore had gemaakt met slechts die ene bundel Experimenten (1911). Weinigen wisten hem dicht te naderen; Alberts begreep hem. De laatste was lang niet uitsluitend schrijver: na zijn tijd in Indië was hij tussen 1953 en 1965 redacteur van De Groene Amsterdammer (), daarna werkte hij tot 1976 als ambtenaar op het ministerie van Buitenlandse Zaken. Na zijn pensionering kwam Alberts’ literaire productie pas echt op gang.

Het historische werk, de keuze uit de artikelen en ook de memoires zijn bijzonder onderhoudend. De bezorgers hebben gemeend het proefschrift Baud en Thorbecke 1847-1851 buiten dit Verzameld werk te moeten houden, omdat hierin niet ‘de oorspronkelijke literator’ aan het woord zou zijn. Dit is onjuist, getuige alleen al deze zin op de eerste bladzij: ‘Men behoefde niet heel scherp van oor te zijn, om een tweetonig gebrom te kunnen waarnemen.’ Ook in zijn dissertatie was Alberts een begenadigd stilist en verteller.

Wat vooral opvalt aan de verspreide stukken, is Alberts’ fijn afgestemde antenne voor personages (in de historie vóór en ván zijn eigen leven) die op zekere manier alleen staan. Dat kan op een wezenskenmerk van de auteur wijzen. De kostelijke herinneringen aan zijn studentenjaren bevestigen die veronderstelling. Heel goed wist hij in 1983 nog, hoe hij lang geleden zijn ontgroening na een kleine week voor gezien hield: ‘(O)m eerlijk te zijn toch ook weer niet zo erg verstandig. Het gevolg was namelijk een plotseling alleen staan.’ Gerretson, schreef hij elders, moest zich als de dichter Gossaert ‘apart gezet’ gevoeld hebben. Zelfs in koningin Wilhelmina herkende Alberts iets, blijkt uit het fraaie in memoriam uit 1962: zij leefde in de oorlogsjaren ‘zo met ons mee’ omdat ze in de jaren ervoor schrikbarend ‘alleen stond’ en naar dat contact verlangde, ‘en wij hebben het nooit gemerkt’.

Wij niet, maar hij wel.

Mede om die reden biedt dit Verzameld werk verheldering. Je ziet de formule telkens terugkeren, zo vaak dat ze uitgroeit van motief tot leidend thema dat óók de verhalen doortrekt die Alberts ging schrijven tijdens en na zijn koloniale jaren. Die verhalen zijn steevast geroemd om hun superieure eenvoud, een term die nogal eens lichtvaardig wordt gebruikt om schrijvers van dunne boekjes te karakteriseren. Erachter gaat vaak de calvinistische opvatting schuil dat barok louter aanstellerij is van lieden die zich niet weten te beteugelen.

Die benepenheid doet zowel royale schrijvers als de zich kariger uitende vakbroeders onrecht. Over Alberts als representant van de laatsten gesproken: het kón veel eenvoudiger dan hij deed. Die zogenaamde eenvoud van hem was een geraffineerde, gelaagde, vaak geestige en soms mysterieuze eenvoud. Zijn humor bijvoorbeeld ligt in het uitstel: van de mededeling waar het om gaat, die pas komt na een ogenschijnlijke banaliteit: ‘We keken stilletjes uit over de groene weilanden en toen we Abcoude voorbij waren, dacht ik, dat ik toch eens wat moest vragen. Ik vroeg: wat gaan we in Woerden doen?’ ‘In de loop van dit jaar zijn ernstige pogingen ondernomen tot een hereniging van de beide Duitslanden, de BRD en de DDR. Zo ernstig, dat het ervan is gekomen.’

Datzelfde effect past Alberts toe in ‘Groen’, het zelfmoordverhaal uit De eilanden (1952), waarin een bestuursambtenaar op een Indisch eiland begint (een groentje), en in het verstikkend eenzame bos aldaar (ook groen) in korte tijd bijna mataglap wordt. Hij spreekt er weinig anderen dan collega Peereboom, wiens post zich op drie dagen lopen afstand bevindt. Als hij na een tocht in zijn nederzetting terugkeert, staat er: ‘Als ik de lamp aan de standaard wil hangen, zie ik, dat het niet gaat, omdat Peereboom aan de standaard hangt.’ Geen complexe zin, dat is waar, maar het raffinement zit in het tussenzinnetje ‘dat het niet gaat’, waardoor de humor én tragiek van direct daarna de lezer welhaast overvallen. Peereboom is geen bijster sympathieke figuur, maar de verteller eert hem ondanks alles met dit verhaal.

Kees Fens heeft geopperd dat verdwijnen Alberts’ hoofdthema is. Ontegenzeggelijk stappen veel van zijn personages uit een bestaande orde, of zelfs uit het leven. Maar uit de lectuur van de ruim tweeduizend pagina's van de Verzamelde Alberts dringt zich een andere visie op: het verdwijn-thema is gelieerd aan het hoofdthema, dat kan worden omschreven als het besluipen van een alleenstaande, teneinde die een stem te geven. Waarbij is inbegrepen de wat schuwe alleenstaande die in Alberts zelf huisde, die er al was toen hij studeerde, en die op Madoera en de andere eilanden leerde dat verhalen vertellen en beluisteren de eenzaamheid kan lenigen. Niet opheffen, maar draaglijk maken. Vanwege zijn afstandelijke karakter was Alberts vermoedelijk zo geschikt voor de functie van ambtenaar, deel uitmakend van die dikwijls onzichtbaar opererende kaste die hij wijs en komisch in kaart bracht in zijn Inleiding tot de kennis van de ambtenaar (1986) *welke titel in de inhoudsopgave abusievelijk is teruggebracht tot ‘een ambtenaar’.

Meneer Dalem uit De vergaderzaal (1974) die zomaar van de volle vergadertafel vervreemdt; de ‘stille zoon’ uit De honden jagen niet meer (1979) die niet intern op de zeevaartschool wil; de raadsadviseur meneer Gerner uit het curieuze sprookje Maar geel en glanzend blijft het goud (1981) die in navolging van de ‘historische’ koning Walter de Vierde het menselijk bedrijf achter zich laat; hun terugtrekken of verdwijnen is de veruiterlijking van het innerlijk besef, alleen te staan. A.Alberts begreep hen maar al te goed.

A. Alberts: Verzameld werk. deel 1 Romans en verhalen (745 pagina's), deel 2 Historische vertellingen en verspreid werk (845 pagina's), deel 3 Memoires en beschouwingen (603 pagina's). Van Oorschot; ¿ 89,- (na 18 april ¿ 99,-). ISBN 90 282 4024 1

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.