Bespreking

Vergeten dagen van woedende linkse terroristen in Amerika

Boekbespreking Days of Rage

Ontelbaar veel bomaanslagen waren er in het Amerika van de jaren zeventig. Alleen al tussen 1971 en 1972 registreerde de FBI er 2.500. Toch hadden de meeste Amerikanen niets door.

Lid van terreurgroep Weatherman wordt opgepakt in Chicago, 1969. Foto AP

Ze deden het wel, die bommen, maar ze gingen door een kortsluiting te vroeg af. Beoogd doelwit was een dansavond voor officieren op de legerbasis Fort Dix, New Jersey. De krater werd evenwel geslagen in een stadsvilla aan 18 West 11th Street - Greenwich Village, Manhattan. Het was vrijdag 6 maart, 1970, zo rond het middaguur. Drie bommenmakers van de zelfverklaarde verzetsgroep Weatherman, later ook wel bekend als de Weather Underground, vonden door hun eigen incompetentie voortijdig de dood. Direct na de klap kon je acteur Dustin Hoffman verdwaasd door de straten zien dolen, hij was de onfortuinlijke buurman.

In Europa hadden we ondertussen zo onze eigen problemen. Denk aan de IRA, Baader-Meinhof en Brigate Rosse, en in Nederland probeerden de Eindhovense Rode Jeugd en RaRa flink in de bus te blazen. Het zal de reden zijn waarom het Amerikaanse equivalent van al die radicale clubs goeddeels aan ons zicht werd onttrokken.

Urban guerrilla

Sterker: zelfs de meeste Amerikanen wisten niet dat begin jaren zeventig een urban guerrilla bezig was. Niet alleen door de Weatherman, maar ook door Black Liberation Army, Symbionese Liberation Army, United Freedom Front, Armed Revolutionary Independence Movement, Mulutu Shakur Group, en nog zo een paar vervlogen splinters.

Of is er iemand die weleens gehoord heeft van het Fuerzas Armadas de Liberación Nacional Puertoriqueña (FALN), het 'Gewapende leger voor de nationale bevrijding van Puerto Rico'? Hun score: 120 bomaanslagen, meest in New York en Chicago, in de periode 1974-1983. Het Amerikaanse publiek bleek maar matig onder de indruk. Toen de politie na alweer een bommelding door een vage groep in 1970 een bioscoop in de altijd zo ruige Bronx wilde ontruimen, werden ze weggejouwd: eerst even William Wylers interraciale melodrama The Liberation of L.B. Jones afkijken, graag.

Daar, in het tijdvak voor 9/11, kwam het terrorisme van Amerika's eigen bodem. Het klinkt misschien als operette, maar zo luchtig was het nu ook weer niet. Alleen al tussen 1971 en 1972 werden door de FBI 2.500 bomaanslagen geregistreerd. Daar bovenop spreken we over liquidaties van politieagenten, alsook ontvoeringen en bankovervallen om de clubkas te spekken. Je vindt de feiten terug in de zojuist verschenen studie Days of Rage - America's Radical Underground, The FBI, and the Forgotten Age of Revolutionary Violence. Auteur is de gereputeerde journalist Bryan Burrough, die in bijna 600 pagina's de moeite neemt voor een minutieuze reconstructie. Hij sprak met spijtoptanten, FBI-agenten, voormalige linkse advocaten en dook in manshoge archieven. Hij houdt al die revolutionaire groeperingen tegen het licht, maar de harde kern van het boek is toch het wel en wee van de Weatherman.

Weatherman-demonstratie: in het midden met helm leider JohnJacobs. Foto Getty Images

Psychotische bende

De wereld die opstijgt uit Days of Rage doet nog het meest denken aan Scientology; achteraf was het je reinste sektevorming. De naam Weatherman ontleende de groep aan een frase uit Bob Dylans Subterranean Homesick Blues (1965), meer precies de zin: 'You don't need a weatherman to know which way the wind blows.' Ze volgden de universiteit, ze kenden hun Che en Marx en Ho Chi Minh, ze bewogen zich in studentenvakbonden als de SDS (Students for a Democratic Society), en toen demonstreren tegen de oorlog in Vietnam en de achtergestelde positie van zwarten niet hielp, werd dit nieuwe links: boos links. Op 18 juni 1969 deelden ze in Chicago een manifest uit waarin werd gesteld dat de tijd rijp was voor gewapende strijd om zo het Amerikaanse imperialisme te vernietigen. In andere woorden: bring the war home - dat was het idee. Haat jegens de blanke middenklasse als teken van morele superioriteit. Haat tegen de pigs, de varkens van het politieapparaat. In revolutionair jargon: de purificatie van de samenleving.

Een radicalisering die niet uit de lucht kwam vallen. Charles Manson en zijn psychotische bende gingen hen in 1969 al voor door in Los Angeles wild om zich heen te moorden. Eén van de slachtoffers was Roman Polanski's hoogzwangere vrouw, actrice Sharon Tate. Een paar maanden later vond er een dodelijke steekpartij op het popfestival van Altamont plaats, waarmee de Hells Angels een streep door dit beoogde 'Woodstock van de westcoast' zetten. En middels de televisie was inmiddels duidelijk geworden dat het Amerikaanse leger in het Vietnamese My Lai een bloedbad had aangericht. De blije jaren zestig waren abrupt tot stilstand gekomen.

Wat toch ook onmiddellijk opvalt aan de Weatherman is dat de leden bijna allen zelf kwamen uit gezinnen van buitengewoon gegoede komaf. Ter illustratie: de eerder genoemde stadsvilla die in Greenwich Village werd opgeblazen, behoorde toe aan radiodirecteur James Wilkerson, hij woonde er met zijn tweede vrouw. Toen hij aan zijn dochter vertelde op vakantie naar de Caraïben te gaan, trok zij er met haar kompanen tijdelijk in. Zelf overleefde Cathy Wilkerson de ontploffing ternauwernood, reden waarom ze nu voor Days of Rage kon terugblikken.

Arrestaties bij een protest van de Weatherman op 11 oktober 1969. Foto Getty Images

Rijkeluiszoontje

Cathy Wilkerson was een van de kopstukken van de Weatherman, maar niet de hoogste in rang. Binnen de diverse cellen (westkust, oostkust) golden de Californische surf dude Jeff Jones, rijkeluiszoontje Bill Ayers en de even fanatieke als charismatische Bernardine Dohrn - door J. Edgar Hoover van de FBI omgedoopt tot La Pasionara of the Lunatic Left - als aanvoerders van het 'centraal comité'.

Wie uit politieke overtuiging zelf Weatherman wilde worden, moest wel aan een paar voorwaarden voldoen. Voorgoed breken met je familie. Nieuwe identiteit aannemen met gestolen persoonsbewijzen. Voor jaren onderduiken. Geregeld groepsseks voor de teambuilding. Bereid zijn om slachtoffers te maken. En, héél belangrijk: geen tegenspraak jegens het leiderschap. Alles voor de goede zaak, nietwaar? In de praktijk kwam het ook vaak neer op verveelde winteravonden in een safehouse, pasta met pesto, havermoutpap met niks, dan maar Johnny Carson op tv kijken, beetje blowen, soms wat lsd, of nog eens discussiëren, zo beschrijft auteur Burrough het leven in de underground.

Heel iets anders dus dan die zo vaak bezongen revolutionaire romantiek, die was voor de bovenwereld. Aan steun uit de bovenwereld geen gebrek, per slot: Leonard Bernstein en zijn radical chic - de vileine term is van schrijver/journalist Tom Wolfe - organiseerden fundraisers aan Park Avenue voor de Black Panthers, terwijl ze vanuit de aard van de zaak feitelijk zélf de vijand waren, als vrijgestelde, blanke elite. De angst om voor al te burgerlijk door te gaan, zat dat besef danig in de weg. Ook bij Jane Fonda trouwens, nooit te beroerd om een borgsom te betalen, drugsgoeroe Timothy Leary, dichter en denker Allen Ginsberg, zeg maar gerust de halve who's who van de sixties.

Enkele leiders van de Weatherman: John Jacobs (links) en Terry Robbins op 11 oktober 1969. Foto Getty Images

'Witte broeders'

Andersom, zo vergeet Bryan Burrough niet te vermelden, hadden de Black Panthers - die zich al sinds 1966 beriepen op het recht op zelfbescherming en hun patrouilles in zwarte wijken bewapend uitvoerden - in werkelijkheid niet zo veel met hun 'witte broeders' op. Regelmatig haalden ze de beter geouttileerde burelen van de Weatherman-sympathisanten leeg. Ze vonden het een onvergelijkbare strijd. De FBI had immers een full blast oorlog op de Panthers geopend. Zo werd de zwarte activist Fred Hampton bij een inval op 4 december 1969 in zijn slaap gedood.

Voorman Eldridge Cleaver verkeerde afwisselend in Cuba, Algerije en ook Frankrijk in ballingschap. Dat van die blanke middenklasse scheen maar een kortebroekenrevolutie. Niet eens zo ver bezijden de waarheid, vertelt Cathy Wilkerson: 'We bewonderden ze. Diep in ons hart was dat wat wij allemaal wilden zijn: een Black Panther.' Een bekend cultureel verschijnsel, dat Norman Mailer al eens omdoopte tot de white negro, het verlangen van Jack Kerouac en Elvis en anderen om vanbinnen zwart, écht cool te willen zijn.

In het geval van de Weatherman liet de FBI nog even op zich wachten. De FBI had aanvankelijk geen clou. De cellen waren klein, hooguit een man of tien. De politiecomputers primitief. Bewakingscamera's dun gezaaid. Onderduiken in Amerika bleek niet zo ingewikkeld. Slechts één informant wist de FBI te plaatsen, die bij een oprolactie zijn molstatus verspeelde. Een andere reden was dat de FBI omwille van zijn methoden tegen de Black Panthers politiek gesproken dermate onder vuur lag dat Hoover zijn vingers niet nog eens aan illegale invallen wilde branden. En zo ging de Weather Underground nog even door, zij het met opmerkelijk weinig resultaat.

Uit Bonnie & Clyde.

Culturele voorkeuren

Een leuke zijlijn in Days of Rage is dat we iets leren over de culturele voorkeuren van de Weatherman en aanverwanten. Arme Bob Dylan. Eerst werd zijn Subterranean Homesick Blues gekaapt voor de naamgeving en na de explosie van 6 maart 1970 kwam de Weatherman met een nieuw plan van aanpak: responsible terrorism, verantwoord terrorisme dus, als in: wel chaos veroorzaken, geen slachtoffers maken. De titel van dit memo luidde: New Morning, vernoemd naar Dylans album uit 1970. De muzikant was niet blij.

Als het om films gaat behoorden outlaws als Bonnie & Clyde (1967, Arthur Penn) en Butch Cassidy and the Sundance Kid (1969, George Roy Hill) tot de favorieten. Wat ze met de Black Panthers deelden was een liefde voor The Battle of Algiers (1966, Gillo Pontecorvo). De Black Panthers waren verder dol op het blaxploitation-genre, zoals Shaft (1971, Gordon Parks), met personages die deels aan hun eigen bestaan werden ontleend.

Relaxte hippielifestyle

De vredesbesprekingen over Vietnam haalden hun de wind uit de zeilen. Ronduit een misrekening was de lethargie onder de Amerikaanse jeugd. Het 'centraal comité' had becijferd dat een leger aan jongeren, hippies en studenten - op dat moment in de tijd meer dan eenderde van de bevolking - zich zou aansluiten. In werkelijkheid demonstreerden ze weleens, maar het ging ze toch eerst en vooral om de 'relaxte hippielifestyle'. Daar hoorden bommen niet zo bij, dat moesten die luitjes zelf maar doen. En het niet te volgen marxistisch-leninistisch proza zal de zaak ook niet hebben geholpen, in communicatie blonk het radicaal verzet niet uit.

Een paar honderd pagina's en talloze bomaanslagen op gerechtsgebouwen, het Pentagon en op 1 maart 1971 zelfs het Capitool in Washington D.C. later, komt in het boek uiteraard ook de zaak Patty Hearst uitgebreid ter sprake. Daarover hebben we zelfs in Nederland gehoord. Als 19-jarige studente werd deze kleindochter van krantenmagnaat William Randolph Hearst op 4 februari 1974 ontvoerd door het zogenoemde Symbionese Liberation Army (SLA), nog zo'n boos links clubje van hooguit een man of tien.

Aanvoerder was de veroordeelde bankrover Donald DeFreeze, zijn filosofie was een mengeling van Afrikaanse mystiek en Californische vaagheden, vermengd met een revolutionair sausje. Het plan was om met de ontvoering van Hearst twee SLA-leden uit de gevangenis te krijgen. Toen dat mislukte, werd losgeld geëist en gratis voedsel voor de daklozen. Die distributie liep uit op een chaos, vechtpartijen en alles, maar de verwarring werd zo mogelijk nog groter toen Patty Hearst werd herkend bij een bankoverval in San Francisco.

Ze had de kant van de SLA gekozen, later verklaard vanuit het 'stockholmsyndroom' - een uit de psychologie bekend verschijnsel waarin een gegijzelde door dwang en stress sympathie krijgt voor de gijzelnemers. Ze werd aanvankelijk veroordeeld tot 25 jaar gevangenisstraf, in hoger beroep tot 7 jaar, maar werd op 1 februari 1979 voorwaardelijk vrijgelaten.

Bewakingsbeeld van Patty Hearst tijdens een bankoverval in 1974. Foto FBI

Revolutie

Eenmaal buiten bleek de revolutie zo goed als voorbij. Zes leden van de SLA waren inmiddels gedood bij een bestorming door een SWAT-team (speciale politieteams die worden ingezet bij bijzonder grote of moeilijke operaties) in Los Angeles. Het gros van de Weather Underground gaf zichzelf aan en werd veroordeeld. Wel hadden ze altijd heel goede advocaten en bekenden ze spijt, dus de straffen vielen mee. De verdediging: wij hebben nimmer slachtoffers gemaakt, dat waren de anderen. Dat juist die mislukte aanslag op legerbasis Fort Dix bedoeld was geweest als een van de grootste slachtingen op Amerikaans grondgebied ooit, werd - zo stelt het boek - wijselijk verzwegen.

Nadien slaagden de meesten erin de draad weer op te pakken als leraar, sociaal werker of aan de universiteit. Jane Fonda ging in de aerobics. Anderen doken voorgoed onder, tot op de dag van vandaag. Naar het schijnt houden ze zo heel af en toe nog in het geheim een reünie. In de 70, grijs getooid en met een kaarsje voor de wereldvrede in de lucht.

Bryan Burrough: Days of Rage - America's Radical Underground, The FBI, and the Forgotten Age of Revolutionary Violence. Penguin Press, 32,95 euro.

Bryan Burrough

Auteur Bryan Burrough (1961) verdiende zijn sporen als reporter voor de Wall Street Journal en Vanity Fair. Zijn zesde boek Days of Rage lijkt bij uitstek geschikt voor een verfilming. In 2009 werd Burroughs non-fictie verslag Public Enemies ook al verfilmd. Daar draait het om de geboorte van de FBI: Johnny Depp is hier te zien als de notoire bankrover John Dillinger, Michael Mann regisseerde. En in 1993 werd zijn debuut Babarians at the Gate, over de schimmige kanten van de tabaksindustrie, door HBO tot tv-film gepromoveerd. Days of Rage lijkt wel een mooi klusje voor tijdgeestduider Paul Thomas Anderson, eerder van The Master (2012) en Inherent Vice (2014)

Revolutie op het witte doek

Eens in de zoveel tijd duikt de strijd voor burgerrechten op in Amerikaanse films. Dat kan op vreedzame wijze (Selma, over Martin Luther King, 2014), of aanzienlijk militanter (Malcolm X, 1992). Films die inzoomen op de Weatherman-kant van de zaak heb je ook. Een selectie:

Running on empty
1988, regie Sidney Lumet

Annie (Christine Lahti) en Arthur Pope (Judd Hirsch) hebben begin jaren zeventig een aanslag gepleegd op een napalmfabriek. Onbedoeld raakte daarbij een bewaker verlamd. Sindsdien is het duo op de vlucht en duiken ze steeds weer in een andere Amerikaanse plaats onder. Totdat hun oudste zoon Danny (River Phoenix) er in zijn pubertijd genoeg van krijgt. Hij wil naar de Juilliard School of Music in New York. Maar voor de burgerlijke stand bestaat hij niet. Een generatieconflict ligt in het verschiet. Gebaseerd op het leven van Ray Levasseur, lid van het militante United Freedom Front. Genomineerd voor twee Oscars.


Patty Hearst

1988, regie Paul Schrader

Biopic, gebaseerd op Patty Hearsts autobiografie Every Little Thing. De film kiest constant het gezichtspunt van de ontvoerde Hearst (Natasha Richardson), we maken haar wisselende stemmingen en standpunten mee. Dat werkt goed, maar het raadsel Patty Hearst die overliep naar haar gijzelnemers van het Symbionese Liberation Army wordt toch niet helemaal opgelost. Waarschijnlijk weet ze de reden zelf ook niet meer. Geselecteerd voor Cannes.


The weather underground

2002, regie Sam Green en Bill Siegel

In deze documentaire een reconstructie van de opkomst en ondergang van de terroristische cel The Weather Underground, op basis van archiefbeelden en actuele interviews. Niet zo diepgravend als Bryan Burroughs studie Days of Rage, maar door het gebruik van veel obscuur beeldmateriaal wél complementair. Genomineerd voor een Oscar.


The company you keep

2012, regie Robert Redford

Jim Grant (Redford) is voormalig lid van de Weather Underground en wordt in deze politieke thriller nog altijd gezocht voor een bankoverval en een moord. Dertig jaar lang heeft hij onder een andere naam in rust kunnen werken als advocaat in Albany, New York. Dan onthult een ambitieuze jonge reporter zijn werkelijke identiteit. Jim Grant moet opnieuw op de vlucht, dreigt alles te verliezen en gaat op zoek naar zijn oude kompanen. Zij zijn de enigen die zijn naam kunnen zuiveren. Bekroond op filmfestival Venetië.


Fritz the cat
1972, regie Ralph Baksi

Animatiefilm voor volwassenen, gebaseerd op het werk van Robert Crumb. Ofwel: een zeer geestige en hoogst accurate undergroundfilm over de gekte van de underground, iets wat diezelfde underground maar matig kon waarderen. Fritz is een hedonistische kater. Hij begeeft zich onder hippies, komt buiten zijn schuld uit bij de Black Panthers en moet aan de west coast van een blanke terreurcel een krachtcentrale opblazen. Taalgebruik, politieke dilemma's, seksuele revolutie, drugsgebruik en de muziek, alles klopt aan deze pastiche. Het maakt Fritz the Cat tijdloos. Wie werkelijk wil begrijpen hoe de tijdgeest destijds in elkaar stak, komt bij deze kater uit.

Meer over