Verf van Indiase schildluis en andere kleuren in The National Gallery

The National Gallery in Londen, Sainsbury Wing, t/m 7/9
Nationalgallery.org.uk

null Beeld null

La Coiffure, heet het kunstwerk: een vrouw die de lange rode haren van een jonge vrouw kamt, kalm en geduldig, alsof het minder gaat om ontklitten dan om het rustgevende ritme van het kammen zelf. Het eeuwenoude schoonheidsritueel, een ode aan de rode haren. De jonge vrouw geeft zich er aan over als een kat die zich uitrekt onder de aaiende handen van zijn baas. Het schilderij had natuurlijk ook 'twee vrouwen' kunnen heten, afhankelijk van de nadruk die je wilt leggen. Of: studie in rood. Dat laatste is dan ook de bijnaam geworden van dit enorme schilderij - er komt net als bij Barnett Newman's Who's Afraid Of Red, Yellow And Blue een golf van rood over je heen als je ervoor staat - van Edgar Degas, uit 1896. En dat is ook de invalshoek waarmee we het in de National Gallery in Londen nu voorgeschoteld krijgen: dat het schilderij is gemaakt van geoxideerd ijzer, kwiksulfide van het mineraal cinnaber, en loodoxide. Andere roodpigmenten die kunstenaars gebruikten, werden gemaakt van gedroogde insecten zoals de Mexicaanse parasiet cochenille, vermalen, of de afscheiding van de Indiase lakschildluis. A rose is a rose is a rose: rood komt in vele verschijningsvormen.

De kleur van bloed, passie, gevaar, koningen, kardinalen en de revolutie, staat er geschreven en verderop in de zaal zijn kunstwerken uit totaal andere tijden te zien: Masaccio, Cosimo Tura, Giovanni Moroni. Een ongepaste mix in elke andere tentoonstelling, maar hier valt het samen: hoe kwamen de kunstenaars aan hun kleur, en wat konden ze ermee? Het museum voegt voor het eerst in een tentoonstelling een nieuwe dimensie toe aan de kunst: de materiaalgeschiedenis. Door de kunst te ontleden in verschillende pigmenten, waarbij per pigment steeds de route die het over de wereld moest afleggen zichtbaar is gemaakt. Cochenille, wordt en passant opgemerkt, is dé kleur die nu nog steeds in rode lippenstift wordt gebruikt - een verwijzing, subtiel maar toch, naar de sponsor van de tentoonstelling: Terry de Gunzburg (59), oprichtster van cosmeticamerk By Terry (en uitvinder van een van het meest verkochte schoonheidsproducten ter wereld, de Touche Éclat van Yves Saint Laurent) en groot kunstverzamelaar. Toch leuk; wie wist dat er insecten op de lippen gedragen worden?

En dat is nog maar rood. De National Gallery heeft met een eenvoudig idee - de theorie van kleurencirkel, die teruggaat tot natuurkundige Isaac Newton - een tentoonstelling ingedeeld op schilderpigmenten, per zaal. Het zet de kunst in een totaal ander daglicht en neemt je mee naar de praktijk van het maken - het malen en mengen om de kleuren te krijgen die nodig zijn. De materiële kant staat even voorop, als om te benadrukken: dit is geen foto, dit zijn geen toevallig gevangen kleuren, en zelfs zelden kleuren uit tubes. De 14de-eeuwse Florentijnse kunstenaar Cennino Cennini beschreef hoe, om de vleeskleur in een gezicht van een jonge vrouw te kunnen verbeelden, een kunstenaar maar beter het eigeel van een stadskip kon gebruiken; dat leverde een mooi bleek soort rood op. Voor oude mensen moet je een landei nemen om het pigment te mengen - evident, want dat maakte de gezichten roder. Zo werkten kunstenaars, zoekend naar tonen en hopend dat het pigment een beetje mooi bleef met de juiste mengsels. Groen kon zwart worden, geel kon vervagen - het was zwoegen en proberen. Schilderijen zijn het resultaat van een lang proces, een performance bijna, van de kunstenaar en zijn experiment. Je weet het wel, dat schilderijen veel materiaalkennis en kunde vereisten van de maker, maar zo gedetailleerd als hier kreeg je het nog niet opgediend. Weinig mensen zullen op dezelfde manier naar kunst kijken na deze tentoonstelling.

Groen

In de 17de eeuw, toen de landschapsschilderkunst opkwam, was groen een hoofdpijnpigment: er viel nauwelijks stabiele verf van te maken. Een blauwe struik op een schilderij? Dan is het geel uit het mengsel vervaagd. Een wonder dat het groen van het vrouwenkostuum in Jan van Eycks Arnolfini-portret (1434) zo helder is. Verdigris, gemaakt van koperacetaat, kopercarbonaat en koperoxide, 'verliest zijn schoonheid als rook', schreef Leonardo Da Vinci in 1492. Van Eyck mengde het zo vernuftig met olie dat het diepte behield.

Edgar Degas, La Coiffure, 1896. Ook wel 'studie in rood' genoemd. Beeld null
Edgar Degas, La Coiffure, 1896. Ook wel 'studie in rood' genoemd.

Over de zee
In de 'blauwe zaal' wordt de hele route van lapis lazuli, ofwel ultramarijn (letterlijk 'over de zee') getoond: een blauw pigment dat lange tijd slechts in één mijn gewonnen werd, de Sar-e-Sang in het huidige Afghanistan, 12 uur rijden van de dichtstbijzijnde stad. En toch kwam het op het palet terecht van Johannes Vermeer, van Giovanni da Milano en Masaccio. Het waren letterlijk geschilderde juwelen, die kunstwerken, want blauw was kostbaarder dan goud. Van de Italiaanse Orazio Gentileschi (vader van Artemisia) is er een werk te zien dat geschilderd is op een lapis lazuli, van David die zojuist Goliath heeft onthoofd, aan een meertje. Het water en de lucht zijn onbeschilderd, zodat het pure gemarmerde ultramarijn zichtbaar is. En naast de oude meesters hangt dan zo maar een hedendaags kunstwerk van de Briste Roger Hiorns. Het bestaat uit helblauwe kristallen van kopersulfaat - een fragment uit het project Seizure, waarvoor hij in 2008 een hele flat in een leegstaand gebouw in Londen liet vollopen met het giftige sulfaatmengsel en daarna leegpompte. Maanden later was de hele flat één groot glanzend juweel geworden van blauwe kristallen. Dat is het mooie aan deze tentoonstelling, het benadrukt een constante in de geschiedenis van de kunst: de liefde voor materiaal en experiment.

Het is alsof je door een regenboog loopt en tijd is verdwenen - de hele geschiedenis komt op je af, maar wel netjes kleur voor kleur. Je wordt je steeds bewuster van de kostbaarheid van de kunstwerken. De centrale 'goud en zilver'-zaal, aan het einde van de tentoonstelling, is wel iets te veel bejubeld door recensenten in Britse dagbladen om er nog van onder de indruk te zijn; het valt wel mee, eerlijk gezegd maakte het blauw meer indruk. Toch zijn de technieken die kunstenaars gebruikten om de metalen (die niet tot de kleurentheorieën behoorden) te bewerken in schilderijen mooi uit de doeken gedaan. Superluxe technieken als sgraffito, waarbij een bladgouden laag wordt overschilderd en details er vervolgens 'uitgekrast' (zoals te zien in een groot werk van Bernardino Fungai), en het stempelen van patronen in goud. Hierin hebben we gaandeweg iets verloren, zo blijkt, want bladgoud in schilderijen wordt enorm afgevlakt in het gelijkmatige kunstlicht in musea. Het komt pas tot zijn recht in flakkerend kaarslicht, zoals het oorspronkelijk te zien was en waardoor goudreflecties gaan leven en bewegen. Je krijgt zin om het licht uit te doen.

Paars

Paars is verreweg de minst voorkomende kleur in oude schilderkunst. En knetterduur: de kleurstof Tyrisch purper werd gewonnen uit zeldzame zeeslakken, waarvan er aardig wat nodig waren om een mantel te kunnen schilderen. Ook met het plantaardige indigo werd paars gemaakt, en van het mineraal fluoriet. Koninklijk is het wel. Toen halverwege de 19de eeuw mauveïne werd ontdekt, het eerste synthetische paars, ging koningin Victoria veel paarse zijde dragen. Waarna de hofhouding en alle modieuze dames volgden.

Sassoferrato, The Virgin in Prayer (1640-50) Beeld null
Sassoferrato, The Virgin in Prayer (1640-50)

Goethe
Goethe schreef, toen hij als dichter een langdurige uitstap maakte om zijn kleurentheorie Zum Farbenlehre (1809) te schrijven, over oranje dat mannen in onacceptabele staat kan brengen bij het zien van iemand in een oranje jurk op een grijze dag, en dat blauw een machtige maar koele, negatieve kracht heeft. De Griekse Aristoteles zag in blauw en geel de ware basiskleuren, die de wereld verdeelden in tegengestelde verwanten: mannelijk en vrouwelijk, zon en maan, binnen en buiten, et cetera. Kunstenaar Wassily Kandinsky en filosoof Ludwig Wittgenstein hadden kleurentheorieën, en kunstenaars Giorgio Vasari en Cennino Cennini hielden er sterke ideeën over kleurgebruik en betekenis op na. De tentoonstelling Making Colour laat hier helaas een kans liggen, want daarover wordt in de zalen nauwelijks iets verteld.

Juist omdat het een gecombineerde 'alfa en bèta'-tentoonstelling is, een samenwerking tussen de materiaalwetenschappelijke afdeling van het museum en de kunsthistorische conservatoren, zou een toevoeging van het effect van kleuren op de menselijke perceptie, de kleurenpsychologie en symboliek, het mooi afgerond hebben.

In de museumwinkel liggen de boeken wel van de grote theoretici en na de tentoonstelling kan men deelnemen aan een neurowetenschappelijk experiment over kleurperceptie. Maar ook dat 'derde' element van kleur (naast de natuurwetenschappelijke en de kunsthistorische) had er in de zalen bij gehoord, omdat het een groot onderdeel van de kunstgeschiedenis is. Immers staat nog steeds in de ene cultuur rood voor gevaar en in de andere voor liefde of voorspoed, in de ene geel voor moed, de andere voor wijsheid of rouw. De mens ziet op verschillende plaatsen en in verschillende tijden dezelfde kleuren op totaal andere manieren. Het vraagt bijna om een opvolger van deze tentoonstelling.

Geel

Geel was een ramp voor kunstenaars: het vervaagde supersnel en je kon er nog dood aan gaan ook. Wie het geelpigment orpiment gebruikte kon maar beter niet, zoals veel kunstenaars deden, even aan zijn kwast likken om een scherpe lijn te zetten. Het mineraal orpiment, of koningsgeel, bevat arseensulfide. Geel was daarmee een van de giftigste kleuren.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden