Goed & Slecht dichten over bomen

Verder kijken dan je eigen blikveld, dat doet een echte dichter je voor

Tussen de plataan van Jan Terlouw en de reusachtige rode bomen van Frouke Arns ziet Arjan Peters een groot verschil.

Beeld ANP

Hij is zo eenvoudig gebleven. Minister, commissaris, eredoctor, Gouden Griffelwinnaar, Boekenweekessayauteur Jan Terlouw (87) schrijft weleens regeltjes die rijmen, of een levenslied. ‘Meestal vergeet ik daarna onmiddellijk dat ik dat lied heb geschreven (…) Zo zijn in mijn lichtelijk chaotische werkkamer, en in de duistere hoeken van mijn computer, teksten te vinden waarvan ik het bestaan niet meer wist.’

Als uitgever Marie-Anne van Wijnen er niet om had gevraagd, waren ze daar gebleven. Zij trok aan het touwtje van zijn brievenbus, en ging pas weg toen hij zijn verzen had overhandigd. Om ze nou gedichten te noemen, dat zou te mal zijn. Gedachten zijn het, die rijmen. Het zijn, bedenkt hij zomaar, Gedichte gedachten (De Kring; € 16,99).

‘Mijn dierbaarste vriend is de boom achter ’t huis./ Je kunt op hem rekenen, hij is altijd thuis,/ mijn plataan. (…) Een boom kan niet praten, wordt dikwijls beweerd./ Maar ’k hoor hem, als is ’t niet gearticuleerd,/ keer op keer./ Wanneer ik van hot naar her ben geracet,/ als ’t weer eens een rottige dag is geweest,/ ik door mijn partner ben afgesnauwd,/ dan ritselt hij zacht dat hij wél van me houdt,/ zonder meer.’

Waarom ging die partner te keer? Had Jan soms weer zo’n kreupele gedichte gedachte voorgelezen? Het gedicht heet ‘Plataan’, maar gaat alleen over Jan zelf.

Gelukkig vond ik in de ijzersterke bundel De Camembertmethode van Frouke Arns (De Arbeiderspers; € 17,99) het gedicht ‘Onder bomen’: ‘We zetten de auto stil langs de weg/ – het voortrazend landschap wordt rustig –/ en draaien de raampjes open, misschien/ dat de woorden nog kunnen verdampen.’ Hebben ze woorden gehad?

‘We klimmen omhoog tot onze voeten/ de bodem van bomen vinden, reusachtige rode/ die, onverschillig voor wat ons beweegt, gestaag/ doen wat bomen nu eenmaal doen: berusten.’ Zo is het, die boom houdt helemaal niet van ons.

‘We dwalen tussen stammen door. Nog voel ik/ het knerpen van naalden, als broze eierschalen/ van lang uit het nest gevlogen vogels. In de tijd/ van het dralen verliest wat ons bezwaart stilaan gewicht.’ Dwalen, schalen, dralen: het rijm verlicht.

‘Nu ik naast je wakker lig denk ik aan/ hun eenzaamheid. Hoe zij zo dicht bijeen toch elkaar/ nooit raken. Wellicht dat hun wortels innig verstrengeld/ zijn. Ondergronds, onttrokken aan ons zicht.’

Verder kijken dan je eigen blikveld, dat doet een echte dichter je voor.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.