Verdediger van de vrije markt en het vrije woord

Bob Bartley maakte de opiniepagina van de The Wall Street Journal geliefd, gehaat, gevreesd en invloedrijk. Vorige week overleed hij onverwacht....

Bob Bartley leek opeens klaar voor de dood te zijn. Alsof de uitzonderlijke eer die hij net van president Bush had gekregen, hem bevrijd had. De grote columnist en voormalige opiniechef van The Wall Street Journal overleed op 10 december aan kanker, een week nadat hij de hoogste civiele eer had ontvangen, de Presidentiële Vrijheidsmedaille.

Robert L. Bartley was 66 toen hij stierf. Hij regeerde dertig jaar lang over de twee dagelijkse opiniepagina's van de krant. Onder Bartley werden die pagina's achter in het eerste katern beroemd, geliefd, gehaat en gevreesd. De commentaren waren en zijn vlijmscherp, elke denker en staatsman - links, rechts en in het midden, binnen-of buitenlands - wil zijn verhaal kwijt in de Journal.

Dankzij al die meningen groeide de krant de afgelopen decennia als kool; de oplage van de Amerikaanseeditie is bijna twee miljoen. Bij zijn afscheid als chef schreef Bartley in 2002: 'Journalistiek gezien behelst mijn meest trotse opschepperij dat ik de enige opiniepagina in het land heb geleid die werkelijk kranten verkoopt.' De Journal las - en lees - je om de opinie, die je gelijk gaf bij het ontbijt of juist furieus stemde. Het nieuws en de gebalanceerde en afstandelijke berichtgeving in de rest van de krant was een soort bonus.

Toen hij begin jaren zeventig aan het roer kwam, stelde Bartley zich revolutionair op, zoals de bescheiden, bebrilde man zichzelf graag omschreef. Hij was conservatief maar prefereerde liberaal in de klassieke, 19de-eeuwse zin. In zijn verdediging van de vrije markt en het vrije woord was hij onvermoeibaar. Dat was dertig jaar geleden geen populaire filosofie. De zogenoemde op/eds (opinion and editorial) van de grote drie - The New York Times, The Washington Post, Los Angeles Times - dreven naar links in reactie op Vietnam en Watergate. Hun toon was 'neo-Zweeds', schreef Jack Schafer vorige week in een gemende reactie op Bartleys dood op Slate.com. Dat wil zeggen: die pagina's werden steeds sociaaldemocratischer en 'Europees'. Bartley schopte vanaf de eerste dag hard tegen dit nieuwe establishment-geluid.

Schafer en met hem vele anderen - niet alleen rechts maar ook gematigd-links - konden algauw niet zonder een dagelijkse dosis Bartley. 'Als hij nu en dan zijn zaak overdreef door zo hard te schreeuwen dat zijn stembanden eraan gingen en zijn lezers hun gehoor verloren', schreef Schafer, 'dan vond ik dat in orde.'

In die jaren was het hoogste belastingtarief in de VS 70 procent, en regeerde de marktfilosofie van linkse denkers als John Kenneth Galbraith en Robert Heilbroner. Het is nu moeilijk voor te stellen, maar het was toen een gewaagde daad van intellectueel radicalisme om in commentaren te hameren op lagere belastingtarievenen en een kleinere overheid.

Met de verkiezing van Ronald Reagan in 1980 kreeg Bartley zijn zin. Plotseling werd hij de facto een regeringsadviseur. In hetzelfde jaar kreeg hij de Pulitzer-prijs voor opiniejournalistiek, en Washington volgde de Journal blind, zo leek het. Bartley-de-outsiderwerd een ultieme insider, en hij werd definitief de darling van rechts dankzij zijn pleidooi voor supply-side-economics zijn anticommunisme en zijn diepe haat jegens Bill en Hillary Clinton.

Bladen als de Columbia Journalism Review, media-waakhonden als Fairness and Accuracy in Reporting en progressieve schrijvers als Michael Kinsley hebben erop gewezen dat Bartley een slechte winnaar was. Tijdens de Reaganjaren kon de Journal victorie kraaien; het toptarief voor de belastingen werd immers gehalveerd, de markt werd vrijer, de Sovjet-Unie ging ten onder. Maar in het decennium dat volgde, werd Bartleys toon even schril als die van de Republikeinen in het Congres. Net als Newt Gingrich kon Bartley het bloed van Clinton wel drinken. Van de impeachment in 1998 in het Huis van Afgevaardigden was het vermoedelijk nooit gekomen zonder de eindeloze, vaak niet te bewijzen beschuldigingen in de Journal.

Links ontwikkelde de afgelopen jaren een diepe haat tegen Bartley en zijn pagina's. Na zijn dood hielden de critici zich opvallend en collectief stil, maar nog zeer onlangs waren de aanvallen frontaal en persoonlijk. Paul Krugman vond het geloof in supply-side economics dom en sprak Bartley rechtsreeks aan: 'Het speelt in op de vooroordelen van extreem rijke, witte mannen, en het biedt zelfverzekerheid aan de intellectueel onzekeren.'

Langer geleden (in 1989) schreef Michael Kingsley dat de Journal 'stalinistische neigingen had: het doel heiligt de middelen'. In 2001 voegde hij toe dat Bartleys pagina 'het centrale element in de grote rechtse samenzwering' was.

Mogelijk, maar opvolger Paul Gigot erfde vorig jaar een instituut met grote autoriteit en invloed. Toen Bush Bartley de prijs gaf, zei hij: 'Bob is een van de meest invloedrijke journalisten in de Amerikaanse geschiedenis. Hij hielp onze tijd vorm te geven.'

Bij zijn dood schreef de president aan de krant: 'Hij was een gigant.' De Journal zelf nam een dag eerder aldus afscheid in - natuurlijk - het hoofdcommentaar: 'Zijn grootste prestatie is dat hij met gebruikmaking van de krant van zijn geest en zijn pen de wereld hielp veranderen.' Leuk of niet - het is waar.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden