Verborgen vrijheidsdrang in Winterreise

De tekst van Schuberts meesterwerk is vaak weggezet als naïef-sentimenteel. De tenor Ian Bostridge diept de cultuurhistorische schatten op die erin besloten liggen. Een fascinerend betoog.

Beeld .

Een kwijnend hoekje in een genre dat betere tijden heeft gekend. De Engelse tenor Ian Bostridge (1964) heeft geen hoge pet op van het 21ste-eeuwse draagvlak voor klassieke muziek. De levenskansen van zijn eigen metier, de liedkunst, schat hij extra somber in. Hoe moet het verder met die nog hoofdzakelijk door ingewijden gekoesterde kunstvorm, die 'evenzeer deel uit zou moeten maken van ons collectief bewustzijn als de dichtkunst van Shakespeare en Dante, de schilderijen van Van Gogh en Pablo Picasso en de romans van de zusters Brontë of Marcel Proust'?

Voor het antwoord heeft Bostridge vijfhonderd stevig doortimmerde pagina's uitgetrokken, die ondanks het pessimistische vertrekpunt uitmonden in een meeslepend, vele vakgebieden doorkruisend pleidooi voor het kunstlied en de daarin opgetaste cultuurhistorische schatten.

Dat gebeurt aan de hand van een meesterwerk dat Bostridge als liedvertolker van binnen en van buiten kent: Schuberts Winterreise. De in 1827 kort voor de vroege dood van de componist voltooide liedcyclus over een naamloze zwerver in de kou, die tussen de desolate openingszinnen ('Fremd bin ich eingezogen, fremd zieh' ich wieder aus') en het afgrondelijke slot, 24 liederen verder, alle stadia van eenzaamheid en ontzetting verkent.

Geen genoeglijke materie - de componist sprak zelf niet zonder tevredenheid van 'einen Zyklus schauerlichen Lieder' - maar Bostridge weet uit eigen ervaring hoe de Winterreise het concertpubliek naar een andere dimensie kan transporteren, ongeacht afkomst of nationaliteit: 'Na het laatste lied, Der Leiermann, is de stilte om te snijden - een stilte van het soort dat verder alleen een passie van Bach kan oproepen.'

Sleuteltekst van de romantiek

Bostridge is van huis uit geen musicoloog maar historicus. Die achtergrond kleurt zijn visie op de Winterreise, 'het eerste en meteen ook het beste van alle conceptalbums' waarvan de woorden voor hem haast nog belangrijker zijn dan de muziek. De 24 liederen ontleende Schubert aan een gelijknamige gedichtencyclus van de eveneens jong gestorven Wilhelm Müller (1794-1827), een goeddeels vergeten dichter die - wrange ironie - zijn laatste adem uitblies zonder ooit van de componist en diens werk te hebben gehoord.

In de traditionele Schubert-literatuur is Müllers Winterreise vaak afgeschilderd als een naïef-sentimenteel rijmsel, dat zijn glans uitsluitend dankt aan Schuberts genie. Bostridge bepleit een andere visie op deze sleuteltekst van de Romantiek. Volgens hem schreef Müller geen eenvoudige, maar raadselachtig eenvoudige verzen, en was het voor tijdgenoten duidelijk wat zijn Winterreise tussen de regels door aan de orde stelde: niet louter het zelfbeklag van een in de liefde teleurgestelde jongeman, maar impliciete kritiek op het reactionaire en repressieve politieke klimaat van zijn tijd.

Er is genoeg dat die lezing kan ondersteunen. Müller was - in navolging van de door hem geadoreerde dichter Lord Byron - gegrepen door de Griekse vrijheidsstrijd tegen de Ottomaanse onderdrukker en publiceerde de bundel Missolunghi, naar de belegerde Griekse havenstad Mesolongi, waar Byron in 1824 het leven liet. De populariteit van die politiek gemotiveerde poëzie bezorgde hem de bijnaam 'Griechen-Müller'.

Beeld .

Verborgen vrijheidsdrang

Bostridge maakt aannemelijk dat Müllers engagement zich uitstrekte tot de bevroren maatschappelijke verhoudingen in het Duitse taalgebied na de val van Napoleon (zie lied nummer vier, Erstarrung: 'Ich will den Boden küssen/ durchdringen Eis und Schnee'). Schubert, die de repressie en censuur onder de Oostenrijkse kanselier Metternich aan den lijve ondervond, heeft die verborgen vrijheidsdrang herkend, aldus Bostridge. Hij verwijst daarbij naar het vergelijkbare beeld waarmee Heinrich Heine de reactionaire verstarring van een later tijdvak in Deutschland - Ein Wintermärchen op de hak nam.

Wel iets meer dus dan een 'allgemeingültige Inkarnation romantischer Lebensverzweiflung', zoals Werner Oehlmann de Winterreise begin jaren zeventig in zijn gezaghebbende Liedführer typeerde. Bostridge is overigens niet de eerste die een veel ruimere lezing van de Winterreise bepleit. Martin van Amerongen schreef al in 1997: 'De harde, barre winter is een onmiskenbare metafoor voor de feodale, autoritaire era-Metternich, waarvan Schubert zo'n verklaarde tegenstander was.

'Bostridge weet zijn pleidooi met zoveel goed gevonden details te onderbouwen, dat je hem gefascineerd blijft volgen. Zelfs de overmaat aan wanhopige jongemannen in de Romantische literatuur - de byroneske figuur die bij Müller een archetypische kracht krijgt - weet Bostridge te verklaren uit politiek-maatschappelijke verhoudingen. In 1815 voerde Metternich een wet in die bedong dat huwelijkskandidaten in staat dienden te zijn om een gezin te onderhouden, anders was een echtverbintenis verboden.

Onvoorzien bijeffect van die dwangmaatregel: de opbloei van de prostitutie in de Oostenrijkse hoofdstad, parallel aan de aanwas van vruchteloos hunkerende vrijgezellen. De woekering van geslachtsziekten in de biedermeiertijd - zie de derdegraads syfilis waaraan Schubert bezweek - zou mede uit de gewraakte Ehe-Consens Gesetz verklaard kunnen worden.

Zinvolle connecties

Van Metternichs huwelijkswet, behandeld in de context van het lied Die Wetterfahne, stapt Bostridge moeiteloos over naar de wetenschap dat Müller, die als vrijwilliger in het Pruisische leger tegen Napoleon vocht, zijn Winterreise schreef kort na de dramatische terugkeer van Napoleons Grande Armée uit Moskou: de overtreffende trap van alle barre wintertochten.

Die constatering leidt Bostridge naar andere kunstwerken die herinneren aan Napoleons catastrofale tocht door de sneeuw. Zo wijst hij op het befaamde schilderij Der Chasseur im Walde van Caspar David Friedrich uit 1813, waarin een eenzame ziel in een beijzeld bos verdwijnt - geen jager, zoals je zou denken, maar een dolende soldaat die zijn dood tegemoet loopt. De raaf op het schilderij - die gaat zich straks tegoed doen aan het karkas, schrijft Bostridge - is familie van de onheilsbode in Schuberts vijftiende lied Die Krähe, waarin de dood als verlosser wenkt: 'Krähe, lass mich endlich sehen/ treue bis zum Grabe!'

En zo zoekt en vindt Bostridge overal zinvolle connecties en parallellen. Het kost hem zelfs geen moeite een verband te zien tussen Müllers poëzie en het desolate proza van Samuel Beckett ('een groot bewonderaar van Schubert en van Winterreise in het bijzonder'), in wiens Texts for Nothing hij een geestverwante openingszin ontdekt: 'It's a winternight, where I was, where I'm going.'

Schitterend is het hoofdstuk over Der Lindenbaum, het populairste, haast tot evergreen verheven lied van de cyclus, waarin de lindeblaadjes macaber lispelen: 'Komm' her zu mir, Geselle, hier find'st du deine Ruh', door Frits van der Waa vertaald als 'kom hier bij mij, makker, hier vind je rust' (of, in een vrijere versie van Jean-Paul Franssens: 'kom eeuwig bij mij wonen, je vindt je rust bij mij').

En ook hier waaieren de associaties alle kanten uit, van passages in Thomas Manns Der Zauberberg over de verborgen doodsdrift in de Duitse cultuur naar de ruisende linde als aanjager van herinneringen; vergelijkbaar met de madeleines van Proust, de koekjes die hun fijne smaak ontlenen aan - hier komt de clou - lindebloesemextract.

Zo ontbloot Bostridge steeds weer nieuwe betekenissen in een vlechtwerk van historische en culturele verbindingen. Een eindeloos spel dat alle gesomber over de levenskansen van een tweehonderd jaar oude kunstvorm resoluut naar de andere wereld helpt.

Lees Bostridge, luister naar de Winterreise en laat je overtuigen.

Vertolkingen

Schuberts Winterreise hoort tot de meest vertolkte werken van het klassieke repertoire. Als gezaghebbend gelden de interpretaties door de pianist Alfred Brendel met Dietrich Fischer-Dieskau (1985) en Matthias Goerne (2004). Ian Bostridge legde een registratie vast met de pianist Leif Ove Andsnes (2004) en vertolkte vele andere Schubert-liederen met pianist Julius Drake. In 2001 presenteerde de bariton Maarten Koningsberger een Nederlandse vertaling door Jan Rot onder de titel Winterreis. Er bestaan ook uitvoeringen door vrouwenstemmen en bewerkingen voor orkest, gitaar, altviool, draailier en in gebarentaal. De Amerikaanse choreografe Trisha Brown bracht de Winterreise in 2002 als ballet. In 2011 maakte de Oostenrijkse schrijfster Elfriede Jelinek een toneelversie, geregisseerd door Johan Simons.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.