Veertig jaar Woodstock

Veertig jaar geleden vond in Amerika het grootste rockfestival ooit plaats: Woodstock. Organisator Michael Lang schreef er een boek over. 'We waren geen vage freaks.'

Menno Pot

De quizvraag is inmiddels zo bekend dat hij niet eens meer een instinker mag heten: in welk Amerikaans plaatsje werd in augustus 1969 het Woodstock-festival gehouden? Níet in Woodstock dus, het progressieve kunstenaarsstadje boven New York, en ook niet in een van de dertien andere Woodstocks in de VS, maar verderop, in White Lake bij Bethel. Wel upstate New York, maar een stuk verder naar het zuidwesten in Sullivan County.

Gevoel

‘Het festival moest het gevóel van Woodstock hebben, dus het is toch wel aardig om er even doorheen te rijden’, zegt Michael Lang (1944), de bedenker en belangrijkste organisator van toen, en hij stuurt zijn auto Route 212 op, in de richting van het knusse dorp.

In 1969 woonde hij in Woodstock; nu even erbuiten, in de landelijke uitloper Mount Tremper, in de Catskill Mountains. Het is maar twee uur rijden naar Manhattan, maar hier klateren watervallen, scharrelen beren rond en heeft je mobiele telefoon geen bereik.

Woodstock blijkt een schattig plaatsje. Overal galeries, ateliers, kledingwinkeltjes. De folkscene is er nog altijd levendig. ‘Hier woont Levon Helm van The Band’, wijst Lang. ‘Hij organiseert geregeld concerten in zijn woonkamer. Er is hier weinig veranderd.’

Veertig jaar na dato heeft Lang het eindelijk maar eens zelf opgeschreven: het verhaal van het popfestival dat het beroemdste ooit zou worden, niet omdat het het eerste grote popfestival was, maar wel veruit het grootste dat ooit was georganiseerd, het eerste dat zich landelijk profileerde en het eerste dat met nadruk meer wilde zijn dan alleen een muziekfestival, maar een grootse demonstratie van de saamhorigheid en vreedzaamheid van een generatie. Langs boek verschijnt in het Nederlands als Woodstock, het verhaal achter het legendarische festival.

Waarom nú, en niet bij pakweg het zilveren jubileum van 1994? ‘Omdat het me nu werd gevraagd. En omdat ik er eerder geen zin in had.’

Krullenbol

Lang is nog precies dezelfde donkerblonde, minzaam glimlachende krullenbol die je in de openingsminuten van de beroemde festivalfilm hoort zeggen dat Woodstock heel veel geld heeft gekost: ‘Wel twee miljoen dollar. Of we uit de kosten komen is de vraag, maar het gebéurt, man. It’s happening; daar gaat het om.’

Twee miljoen dollar. Zo’n bedrag trekt een 24-jarige hippie niet zomaar even uit zijn achterzak. Dát lijkt het voornaamste punt dat Michael Lang met zijn boek wil maken: Woodstock was niet het toevallig ontstane, spontane hippiefeestje waarvoor het vaak gehouden wordt. Het was een immens, professioneel georganiseerd evenement, waaraan de vier ambitieuze aandeelhouders van Woodstock Ventures Inc. acht maanden lang meer dan fulltime werkten, met een heel bataljon medewerkers.

Michael Lang had een tijd in Florida gewoond en daar ervaring als festivalorganisator opgedaan met het grote Miami Pop Festival (mei 1968). Zijn vriend Artie Kornfeld was platenbons bij Capitol Records. John P. Roberts en Joel Rosenman runden samen een investeringsmaatschappij in New York; zij hadden geld.

Hippies

‘Artie en ik waren hippies, John en Joel helemaal niet’, zegt Lang. ‘Aan idealisme geen gebrek, daar niet van. Het ging om de muziek en we wilden laten zien dat een enorm aantal jonge mensen drie dagen in vrede samen kon zijn. Dat was ons impliciete politieke statement; expliciete wilden we niet maken. Het was hard werken. We waren geen vage freaks. We wisten wat we deden, hadden met alles rekening gehouden.’

Nou ja, behalve dan met de komst van een half miljoen mensen, van wie ruim 300 duizend zonder kaartje. Er was ingezet op 100 duizend bezoekers, een prognose die op basis van de voorverkoop (7 dollar voor een dag, 18 dollar voor drie dagen) al snel naar 200 duizend moest worden bijgesteld. ‘Dat hadden we qua logistiek prima aan gekund’, zegt Lang.

Op 15 augustus, de eerste dag van de muziekprogrammering (de campings waren al twee dagen eerder open), slibde Route 17B volledig dicht met auto’s tot dertig kilometer buiten Bethel. Parkeerruimte, kampeerplaatsen, eten, drinken, beveiligingspersoneel; van alles was er te weinig. De afrastering werd omver gelopen door de horden zonder kaartje, waarop de organisatie besloot de hekken maar helemaal neer te halen. ‘Toen wisten we zeker dat we financieel de boot zouden ingaan, maar we konden geen opstootjes gebruiken.’

Voedselkramen

Er zou zich één incident voordoen: toen er geen hotdog of stuk watermeloen meer te krijgen was, staken boze bezoekers twee voedselkramen in brand. Maar verder was Woodstock werkelijk zo vreedzaam als het in ons collectieve geheugen is opgeslagen. Lang: ‘Ja, dat deel van de mythe klopt: iedereen maakte er het beste van.’

Inwoners van Bethel deelden uit tot de proviandkast leeg was, boeren stonden toe dat hippies een koe molken, drinkwater vond men desgewenst in Filipini’s Pond, de heldere vijver op het festivalterrein. En dan was er nog de onvergetelijke Max Yasgur, de melkveehouder met de broze gezondheid die het lef had gehad zijn land aan Woodstock Ventures te verhuren. Hij vond de initiatiefnemers beste jongens en bekeek het immense hippieleger eerst met verwondering, later met vaderlijke liefde. Yasgur deelde enorme hoeveelheden melk, boter, kaas en yoghurt uit. Van een extra vergoeding daarvoor wilde hij niets weten.

Yasgur, die in 1973 overleed, was de reddende engel van het festival, dat een maand voor aanvang nog op losse schroeven stond. Op 15 juli raakte Woodstock voor de tweede maal zijn terrein kwijt: nadat eerder de Winston Farm in Saugerties was afgeketst, was Woodstock nu ook niet meer welkom op het Mills-industrieterrein in Wallkill, Orange County. Lang: ‘De vijandigheid in Wallkill was gestaag toegenomen, ook al omdat John en Joel niet helemaal eerlijk waren geweest over de aard van het evenement: 50 duizend mensen per dag en overwegend akoestische folk, hadden ze gezegd.’

Komvormig

Na een lukrake speurtocht door landelijk New York, klopte Lang aan bij Yasgur in Bethel. ‘Het was perfect: komvormig, groen, veel mooier dan de eerdere terreinen. Max was een geschenk uit de hemel en wij besloten om alle materialen die we nodig hadden te kopen bij lokale ondernemers. De plaatselijke economie een impuls geven, bleek de juiste manier om de bevolking over de streep te trekken.’

Dat deel van het Woodstock-verhaal, over Yasgur en de unieke sfeer, blijft romantisch en ontroerend. Andere passages in Langs boek zijn vooral ontnuchterend: de strijd om de vergunningen, de conflicten met andere kopstukken uit de ‘tegencultuur’ die meenden dat de Woodstock-jongens ‘de underground voor zich opeisten’ en er schandalig genoeg ook nog geld mee probeerden te verdienen.

Lang: ‘Ze dreigden het festival te zullen verstoren. We hebben die discussie uiteindelijk geschikt door ze 20 duizend dollar te geven voor activiteiten op het terrein. Ik vond dat niet onredelijk.’

Wie dacht dat artiesten voor een habbekrats naar de vrolijke hippiehappening kwamen, heeft het ook al mis: ‘We zetten in op meer dan 100 duizend mensen. Daarvoor heb je grote namen nodig. En die kosten geld.’

Curieus

De eerste boekingen waren Jefferson Airplane (10 duizend dollar), Creedence Clearwater Revival (10 duizend dollar) en Canned Heat (12.500 dollar). In totaal zou aan artiestengages ruim twee ton worden gespendeerd, een bedrag waar je nu nog geen waardige Pinkpop-afsluiter voor strikt, maar in 1969 was het een bijzonder fors bedrag. Lang: ‘We boden bovengemiddeld. De meeste artiesten verdienden op Woodstock meer dan ze tot dan toe voor een enkel optreden hadden gekregen. Het idee dat artiesten wel even gratis kwamen spelen, heb ik altijd curieus gevonden. Natúúrlijk niet.’

Naarmate de mediabelangstelling toenam, klopten steeds meer artiesten bij Lang aan. Hij wil niet zeggen wie hij nee verkocht (‘dat is niet netjes’), maar geeft hij wel voorbeelden van artiesten die nee zeiden tegen Woodstock: Donovan, Johnny Cash, Simon & Garfunkel en The Doors, bijvoorbeeld, terwijl Lang er maar van uit ging dat Bob Dylan (die in Woodstock woonde; Lang liep hem wel eens tegen het lijf) geen zin zou hebben. Achteraf liet Dylan doorschemeren dat hij misschien wel zou zijn gekomen indien Lang hem officieel had benaderd. ‘Achteraf is dat heel jammer’, zegt Lang.

‘Het ging eenvoudig in zijn werk: je legde je bod neer bij het management en kreeg dan te horen of men akkoord ging met de geboden gage, en of het optreden in het tourschema paste. Daarna was de regel: de helft als voorschot betalen en het restant op de dag zelf, vóór het optreden.’

Verkeersopstoppingen

Tijdens het festivalweekeinde bleken geldtransporten naar Bethel echter onmogelijk door de verkeersopstoppingen, zodat enkele bands het met de toezegging moesten doen dat ze maandag de rest van hun geld zouden krijgen. Eén van de duurste namen van het affiche, The Who, dreigde om die reden niet te zullen spelen.

‘The Who had sowieso niets op met al dat peace and love-gedoe,’ vertelt Lang. ‘Pete Townshend vond het vreselijk op Woodstock. Toen hun manager dreigde dat er niet gespeeld zou worden, zei ik: goed, maar dan stap ik nu het podium op en zeg ik tegen de mensen dat The Who niet komt omdat de heren eerst geld willen zien. Dat wilden ze nou ook weer niet. Even later stonden ze te spelen.’

Lang sliep tijdens het festival hooguit een uurtje of twee per nacht, maar zegt van elke minuut te hebben genoten. Hoe goed de optredens waren? Ach, geen enkele artiest verzorgde op Woodstock zijn allerbeste optreden. The Grateful Dead en Tim Hardin vonden dat ze bar slecht hadden staan spelen. Volgens Graham Nash zongen hij en zijn maatjes Crosby, Stills en Young ‘soms een beetje vals’. Wat Woodstock historisch maakte, waren het samenzijn en de nooit eerder vertoonde schaal van het evenement, weet ook Lang: ‘Bij iedereen ontstond het besef dat dit het moment voor onze generatie was om ons te laten zien. Het had op talloze manieren fout kunnen lopen, maar er sloop iets in van: kan best wezen, maar het gaat niet fout. Dat voelde iedereen: wij, het publiek, de mensen in het dorp, de artiesten.’

Als Lang niet in zijn productiecabine op het podium zat, scheurde hij op zijn motorfiets het terrein rond om al improviserend de zaak in goede banen te leiden: een waterleiding repareren, een greppel graven om de inhoud van een mobiel toilet in te kieperen, telefonisch een bezorgde burgemeester, politiechef of minister te woord staan.

Rampgebied

‘Ik heb geen moment het gevoel gehad dat we de zaak niet onder controle hadden. De autoriteiten riepen het festivalterrein officieel uit tot rampgebied, maar dat had een praktische reden: met zo’n verordening werd het makkelijker om bijvoorbeeld extra voedsel en water te laten aanrukken. Het enige echt angstige moment was toen minister Henry Kissinger liet weten dat hij de Nationale Garde wilde sturen om de orde te herstellen, desnoods met geweld. Godzijdank is dat niet gebeurd. Er héérst hier orde, zeiden we tegen hem.’

En dat vrijwel zonder beveiligingspersoneel. De organisatie had het Peace Corps samengesteld, bestaand uit politieagenten die zich vrijwillig hadden aangemeld om (gekleed in jeans, rood T-shirt en tropenhelm, zónder bewapening) een weekeinde ‘behulpzaam en aardig’ te zijn. Toen het de New Yorkse politiechef ter ore kwam, dreigde hij iedereen te ontslaan die zonder uniform en bewapening tussen de hippies ging lopen. Uiteindelijk kwam slechts een klein groepje agenten opdagen; op hun arbeidsovereenkomst vulden ze schuilnamen in als ‘Erroll Flynn’ en ‘Mickey Mouse’.

Op maandagochtend 18 augustus waren de laatste noten van Jimi Hendrix amper weggestorven toen de vier van Woodstock Ventures naar de bank in New York City moesten komen. Woodstock stond voor 1,4 miljoen dollar in het rood en om het bedrijf te laten overleven, moest een deel van de aandelen worden verkocht. Lang en Kornfeld lieten zich uitkopen voor een bedrag van 37.500 dollar, tot verbijstering van Roberts en Rosenman, die zich in de steek gelaten voelden, mét de schulden. Een jaar later klaagden ze niet meer, toen de festivalfilm die de organisatoren door Michael Wadleigh hadden laten maken ruim 50 miljoen dollar opleverde, waarvan de helft naar Woodstock Ventures ging. Zo werden niet Roberts en Rosenman maar de uitgekochte Lang en Kornfeld de schlemielen.

Woodstock Ventures

Roberts, Rosenman en Lang kwamen later weer tot elkaar in Woodstock Ventures (alleen Kornfeld keerde niet terug). Ze organiseerden onder meer Woodstock ’94 in Saugerties (op het eerste beoogde Woodstock-terrein en nu wél met Bob Dylan) en Woodstock ’99 op Griffiss Air Force Base.

Lang: ‘1994 was fantastisch; 1999 een ramp. Een kleine groep klootzakken viel vrouwen lastig, begon te vechten en sloeg aan het plunderen. Dat reken ik mezelf aan. Ik heb me laten overhalen om veel nu-metal te programmeren die toen populair was: Korn, Limp Bizkit, allemaal lelijke, agressieve muziek. Ik had naar mijn gevoel moeten luisteren.’

Veranderde tijden, wellicht? Lang: ‘In sommige opzichten, maar ik ben geen cultuurpessimist. De belangrijkste reden waarom Saugerties en Wallkill in 1969 terugdeinsden, was het feit dat het bij festivals en popconcerten nogal eens een puinhoop werd in die tijd. De sfeer van Woodstock was ook in 1969 uniek. De rellen in 1999 zijn door de media bovendien overdreven.’

Ook dat laatste was niet nieuw, weet Lang, terwijl hij gniffelend terugdenkt aan de voorpagina van The New York Times van maandag 18 augustus 1969: ‘Nightmare In The Catskills’, luidde de kop boven het hoofdartikel, waarin Woodstock werd beschreven als een humanitaire ramp. Toen Michael Lang die krant onder ogen kreeg, was hij zó uitgeput dat hij niet eens meer zeker wist of hij het allemaal echt had meegemaakt.

Michael Lang (met Holly George- Warren): Woodstock. Het verhaal achter het legendarische festival. Uitgeverij Carrera; 256 pagina’s; € 17,90; ISBN 9789048802357. Verkrijgbaar via de Volkskrant Webshop in een box met de dvd Woodstock , 3 Days Of Peace & Music. The Director’s Cut. (Michael Wadleigh, 216 minuten, VS 1969/2000).

Woodstock in 1969. (AFP) Beeld
Woodstock in 1969. (AFP)
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden