Veel zwarte humor in Sweeney's gedichten

De dichter Matthew Sweeney staat op Poetry. Over Noord-Ierland schrijft hij niet. ‘Dat zou aanmatigend zijn.’

‘Niemand gelooft dat ik het ben, maar juist dat gedicht over de toiletjuffrouw op Waterloo Station is een van de meest autobiografische gedichten die ik geschreven heb. Begin jaren zeventig werkte ik in een club in Londen waar ik de toiletten moest schoonmaken. Zo’n beetje alles wat ik daar aantrof, is in dat gedicht terecht gekomen.’

Aan het woord is de Ierse dichter Matthew Sweeney (1952). Voor de derde keer is hij te gast op Poetry International, deze keer vanwege het verschijnen van Het ijshotel, een bloemlezing uit zijn werk met vertalingen van Peter Nijmeijer. Vanavond, de slotavond van Poetry, zal hij hieruit voorlezen. Met zijn karakteristieke stem en waar nodig, met veel gevoel voor theater.

Sweeney groeide op in Donegal, een van de graafschappen ten westen van Noord-Ierland. Politiek en geschiedenis komen desondanks niet veel voor in zijn gedichten: ‘Het zou voor mij aanmatigend zijn om daar veel over te schrijven. Mijn familie leefde aan de veilige kant van de grens.’

Het lege en barre landschap waarin hij opgroeide, speelt wel een grote rol. Zo ook de altijd aanwezige, gevaarlijke zee. Een van Sweeney’s meest aangrijpende gedichten gaat over een verdrinkingsdood: ‘Een vriend uit mijn schooltijd vertelde het verhaal. Hij zei: vroeger schreven dichters over wat er in de gemeenschap gebeurde. Nu moet jij dat doen. Ik heb er maanden aan gewerkt. Gelukkig was de familie van de verdronken jongen blij met het gedicht.’

Sweeney’s gedichten hebben vaak de vorm van een monoloog, in een vertellende stijl met verrassende beelden en als het even kan, met veel zwarte humor. Zelf omschrijft hij zijn stijl als ‘alternatief realisme’, het scheppen van een parallelle wereld waarin dingen gebeuren die in de echte wereld hadden kunnen gebeuren als zaken anders waren gelopen: ‘Paradoxaal genoeg ga je dankzij deze alternatieve wereld anders tegen de echte wereld aankijken.’

Een goed voorbeeld is het titelgedicht, Het ijshotel. Het gedicht laat zich als een sprookje lezen, maar volgens de dichter gaat het wel degelijk om een bestaand hotel ver boven de poolcirkel. Alleen, zo geeft hij aarzelend toe: ‘Ik ben er nooit geweest.’

Opvallend zijn ook de vele dieren in Sweeney’s gedichten. Vooral veel kraaien, zijn favoriete vogel: ‘Die zijn mysterieus, eigenwijs, blijven op afstand.’ Om deze reden moest ook zijn gedicht over zijn middeleeuwse naamgenoot, de Ierse koning Sweeney die op het slagveld gek werd en dacht dat hij een vogel was, een kraai zijn.

Ook de dieren vertegenwoordigen een parallelle wereld. Zoals in het prachtige gedicht Een kikker temmen. Sweeney: ‘Het gaat over kikkers, maar het zegt ook dat wij mensen niet altijd zo voorspelbaar moeten zijn en dat het goed zou zijn om dingen soms een beetje anders te doen.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden