Veel verdachten, geen dader

Op de novembervergadering van het Fries Genootschap bleek de taalkundige Eelco Verwijs meteen al sceptisch over de mogelijke authenticiteit van wat hij beschouwde als 'een samenraapsel van verschillende geheel onzamenhangende episodes, overleveringen, enz', met rune-achtige tekens geschreven in een taal die op Oudfries zou moeten lijken, maar die op het tweede gezicht toch aardig dicht in de buurt kwam van gewoon Nederlands of op z'n mooist nieuwFries.

Verwijs was als kenner benaderd door de man bij wie het handschrift berustte: een scheepstimmerman uit Den Helder, wiens allerverste voorouders het boek steeds in hun bezit zouden hebben gehad, en die hun nazaten zouden hebben opgedragen het telkens aan een volgende generatie door te geven.

De naam van de timmerman was Cornelis over de Linden. De Oera Linda-geschiedenis was behalve een kosmogonie en een scheppingsverhaal van de Friese beschaving, ook een familiekroniek van misschien wel een paar honderd Overdelinden-geslachten, die terugreikten tot ver vóór Christus.

Of zoals de gymnasiumleraar Ottema - eerste-uurs-gelover in de echtheid, en bezorger van een eerste vertaling - in 1871 voor het Fries Genootschap uitriep: 'In onze voorstelling reikten de geschiedkundige herinneringen van ons volk niet hooger dan tot de komst van Friso, den vermeenden stamvader der Friezen; doch hier ontwaren wij, dat die herinneringen opklimmen tot meer dan tweeduizend jaren voor Christus, en in hoogen ouderdom die van Hellas overtreffen en die van Israel evenaren.'

Maar zelfs het Fries Genootschap - hoezeer ook gebrand op bewijzen dat de eerste bladzijde van het Friese stamboek door God zelf al in de Hof van Eden was geschreven - moest ten slotte buigen voor het ontegenzeggelijke: de Friese oera-linda-saga was evident bedrog.

Dat we intussen al honderdzevenendertig jaar met het bedrog leven, wil niet zeggen dat het de Nederlandse wereld van taal-en letterkunde al die tijd ook permanent heeft beziggehouden. Het is bij buien gegaan. De soms met veel filologengeweld en historiciruzies gevoerde discussies over herkomst, betekenis en misschien toch gedeeltelijke originaliteit van het mysterieuze boek leken jarenlang ineens helemaal verstomd, om na een paar decennia weer in alle heftigheid op te laaien. De hardnekkige recidive is natuurlijk verklaarbaar. Over de bedriegelijkheid van het handschrift was iedereen het zoals gezegd al vroeg eens. Maar de bedrieger is nog altijd voortvluchtig.

Diverse verdachten hebben in al die tijd de revue gepasseerd. Het daderschap van Cornelis over de Linden is bijvoorbeeld door veel onderzoekers verondersteld, maar nooit bewezen, en altijd sterk in twijfel getrokken omdat hij ten slotte maar een arbeider was. Weliswaar liet hij zich kennen als een ijverig grasduiner in van alles en nog wat, en als een liefhebber van eclectische of desnoods mallotige wereldbeelden, maar hij bleek geen eenvoudige brief zonder spelfouten te kunnen schrijven.

Had hij de ware mystificator dan wellicht hand- en spandiensten verleend? Als je daar van uitging lag de verdenking al gauw bij Verwijs, de man die het zogenaamd oeroude boek via het Fries Genootschap openbaar had gemaakt. Dat hij z'n werk daar meteen ook publiekelijk zou hebben verloochend door het af te doen als 'een namaaksel van lateren tijd', kon volgens de aanhangers van deze hypothese een kwestie van camouflage zijn geweest.

Complottheorieën speelden al snel een rol in het oeralinda-debat dat op den duur om maar één ambitie draaiden: de postume ontmaskering van de geheimzinnige mystificator. Verdachten genoeg - het wemelde in de negentiende eeuw tenslotte van studentikoze theologen, historici en letterkundigen die zichzelf de luxe konden veroorloven om maanden en desnoods jaren bezig te zijn met zo'n hoogst ingewikkelde vorm van maskerade en misleiding als waarvan in het Oera Linda-boek sprake was. Maar had het zin om op zoek naar het antwoord alsmaar uit te gaan van potentiële verdachten?

Nee, is het in bijna vijfhonderd pagina's vervatte weerwoord van de Friese cultuurhistoricus Goffe Jensma, die de rijke literatuur over het raadsel nog rijker maakte met het allervleiendste wat de nog altijd niet ontmaskerde bedrieger had kunnen overkomen: een proefschrift.

De aan de theologische faculteit van Groningen gepromoveerde Jensma begon zijn onderzoek niet met een dadersprofiel, maar met een uitputtende analyse van omvang, papier, pen en inkt van het manuscript, van het gebruikte schrift, van de gebruikte taal, van de toegepaste structuur en - hoogtepunt van z'n diepgaand onderzoek - van de inhoud van de kroniek.

Pas daarna probeerde hij met de methode van de klassieke speurneus ('combineren en deduceren', leerde Havank zijn leerling-rechercheurs) na te gaan wie van de 19de eeuwse gegadigden het best bij dat hypernauwkeurige boeksignalement kon hebben gepast.

Dat Jensma uitkomt bij François Haver Schmidt (de Piet Paaltjens van een unieke poëzie) als de zeer vermoedelijke auctor intellectualis van het Oera Linda-boek - 'het past als een hand in een handschoen in het geheel van HaverSchmidts werk' - is niet de grootste verrassing van zijn studie. Al in 1916 had de filoloog Johan Winkler per testament aan het Fries Genootschap laten weten dat, inderdaad, HaverSchmidt de verzinner was geweest, Verwijs medeplichtige en Over de Linden een min of meer misbruikt hulpje. En is het niet teleurstellend dat we na jaren recherche nou nòg niet weten wie het gedaan heeft?

'Hier is inderdaad', moet Jensma ten slotte toegeven, 'geen juridisch bewijs geleverd, maar - hopelijk op een voor de lezer en de toekomstige onderzoeker bevredigende manier - een hypothese getoetst.'

En met die tussenzin over een hopelijk bevredigende manier van toetsen, is helemaal niets te veel gezegd. De gemaskerde god zoals de dissertatie is getiteld, is een meer dan fascinerende expeditie naar een jachtgebied waar we naast de literatuur ook de 19de eeuwse godgeleerdheid, het Friese nationalisme, de poëtica van Piet Paaltjens, de dubieuze bijval die Oera Linda ten deel viel van de kant van zowel nationaal-socialistische als New Age-achtige amateurdenkers tegenkomen, plus nog een inkijk krijgen in de even geestrijke (en humoristische!) als complexe wereld van François HaverSchmidt.

Gemakkelijk heeft Jensma het z'n lezer niet gemaakt. Er moet ingespannen meegedacht worden over filologische vraagstukken, over 'de grammatica van het komische', of over het vergaande modernisme in de theologie van HaverSchmidt. Maar het avontuur prikkelt. En gedurende de hele safari blijft Jensma een gids van de aangenaamste soort.

Goffe Jensma: De gemaskerde God - François HaverSchmidt en het Oera Linda-boek. Walburg Pers; 467 pagina's; ¿ 35,-; ISBN 90 5730 344 2.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden