Veel praten, maar niets zeggen

'VOOR EEN gesloten bloemenstal ligt een oude, zwarte hond. Om zijn nek zit een rode zakdoek geknoopt, gerafeld, versleten. De hond slaapt....

Dat ziet de journalist Vic, gekomen uit Scheveningen waar hij zijn vrouw heeft achtergelaten, onderweg naar een provinciestad die heel wel Arnhem zou kunnen zijn. De signalen die Thomas Verbogt in zijn roman De verdwijning geeft, wijzen omineus in die richting.

De universiteitsstad twintig kilometer verderop moet Nijmegen zijn. Voor de grootste plaatselijke kunstenaar Tjeerd Vrakkink, die overal een fles op schildert - niets kan hij maken of je ziet zo'n fles -, moet koffiepottenkoning Klaas Gubbels model hebben gestaan, met het verschil dat Vrakkink door de keuze van zijn onderwerp een sterke verdenking van flessentrekkerij op zich laadt. En de beeldententoonstelling die om de paar jaar in het park wordt gehouden, doet denken aan Sonsbeek.

Die kleine stad aan de rivier kan haast alleen maar Arnhem zijn, waar Thomas Verbogt zelf ook geruime tijd heeft gewoond. Zijn journalist Vic mag een jaar in het huis van zijn vriend Wouter Stevens zitten, die in Amerika literatuurcolleges gaat geven. Vic is een enigszins opgejaagd dier ('Ik ben verslaafd aan veranderingen'), hij wil tot rust komen in die slome stad.

De hond die hij onderweg waarneemt, zou die iets te betekenen hebben? Het 'verdwenen ding' waar het beest zijn poot naar uitsteekt, in een roman die De verdwijning heet, zal in alle vaagheid toch niet zonder reden zijn vastgelegd?

Het is soms even raden waar Verbogt heen wil, en hij heeft zijn techniek in de loop der jaren zodanig ontwikkeld dat hij zonder moeizame bruggetjes het satirische register inwisselt voor het sentimentele. Ook daardoor slaagt hij erin de ontwikkeling van zijn verhaal tot op het laatst onvoorspelbaar te houden.

Voor de lezer van zijn vorige roman De zomerval (1998) komt daar de lichte vrees bij dat Verbogt op een zeker punt in zijn boek de satire vaarwel gaat zeggen, en sentiment en drama (complexen overgehouden aan De Jeugd!) het volle pond geeft, vanuit de onuitroeibare gedachte dat een roman anders niet voor vol wordt aangezien.

Een jaar na De zomerval heeft Verbogt de balans echter wél gevonden. Vics verslaving aan veranderingen hééft te maken met iets ergs uit zijn jeugd, daarin wil Verbogt niet van wijken weten, maar het onderwerp van de roman is gelukkig zo ruim bemeten dat de portee van De verdwijning niet samenvalt met het samenvatten van de plot.

Alle ergernisjes die Verbogt wellicht uit eigen Arnhemse ervaring kent, voegt hij samen tot een uilenbal die de bevattelijke Vic tot braken noopt. Het is ook niet niks - of liever: het is allemaal niks, daarginder, en dat is het hem juist, dat de artistieke scene in zo'n provinciestad een kleffe kliek is van halftalenten, die ongestraft dik en duur mogen doen.

Elke avond is er wel iets te doen, hetzij een opening van een tentoonstelling dan wel een jubileum van een plaatselijk wereldberoemde grootheid. En als er onverhoopt even niks te doen is, zit de hele zwik in dezelfde stamkroeg tegen elkaar te wauwelen, zodat achteraf de schijn kan worden opgehouden dat er wis en drie weer iets te doen was waar je natuurlijk bij geweest moest zijn.

Die kermis der ijdelheden is schrikwekkend monotoon voor wie er een tijdje in meedraait en zijn kritische vermogens niet heeft verzopen: 'Ondanks het ongenoegen dat de stad mat maakt, is er toch voortdurend iets te vieren. Soms is het niet eens de bedoeling dat je vraagt wat dat precies is. Dat is een irritante vraag. Die feestjes zijn altijd hetzelfde. Iedereen staat eerst een uur of twee te drinken en te praten over niks en daarna is het dansen geblazen. Of biljarten. In sommige huizen staat immers een biljarttafel. Het zijn zonder uitzondering oude biljarttafels. Iedereen is gek op oude dingen. Ze maken groepsreizen naar rommelmarkten.' Die korte doordravende zinnen, passend bij een nerveus type, brengen de spot op temperatuur en smaak.

Het Grand Café dat hier volkomen misplaatst is, de onontkoombare Judith Loeb die altijd roept dat ze aan een roman werkt, terwijl niemand er ooit een letter van heeft gezien, de museumdirecteur Beer Teer die de uitstraling van zijn toko wil vergroten door het IJslandse warhoofd Gudmund Ivarson in te huren voor het samenstellen van de beeldententoonstelling, de moderne theatergroep de Naakte Gaai (= Ad hoc?) waarvan de leden er prat op gaan nooit te repeteren, maar die tot de dag van de première praten over het stuk 'terwijl ze elkaar niet toestonden het te begrijpen' - Verbogt verstaat met Remco Campert de kunst van het milde sarren, inclusief een flauwe uitglijder op zijn tijd, zoals de dijenkletser over de brochure die Vic heeft gemaakt over buitenverf: 'Een lucratieve klus, dat wel, maar het ging toch erg ver buiten me om.' Ai, dat was een woordgrap.

Er wordt in het stadje ook veel haatdragends gesmiespeld, maar op de vernissages en in de taveerne komt dat nooit aan de oppervlakte. Daar gáát het rustpunt dat Vic zo nodig had. In plaats van te kunnen bijkomen, wordt hij steeds ergens verwacht voor de zoveelste amechtige demonstratie van bij-de-grote-wereld-horen. Het roddelcircuit weet snel genoeg dat hij kennis heeft aan de schooljuf Ilse Wessels. Maar als zij onaangekondigd is verdwenen, wordt Vic daar op aangekeken.

Hij weet er inderdaad meer van, maar haar doodslaan deed hij niet. Ilse is nog in leven, alleen elders, in zekere plaats waarnaar Vic ook zal afreizen. Veel concreters valt daar niet over mee te delen, omdat de roerloosheid van het begeerde verdwijnpunt, de dierbaarheid van het samen zijn 'als voor het eerst', de bevrijding uit de opgeklopte veranderlijkheid van de buitenwereld, de kunst om de doem van herinneringen om te buigen in troost - omdat dat bij elkaar een teer goedje is dat bij het benoemen al dreigt te bederven. Zo mierzoet van gevoeligheid als Vic en zijn schepper soms kunnen zijn, dat wil je niet weten. Godlof willen zij het ons ook liever niet láten weten.

Vandaar dat Verbogt het op beslissende momenten laat bij beelden die genoeg moeten zeggen. Vandaar dus zo'n oude hond voor een gesloten bloemenstal. Het is een beeld van zowat niks, maar als je er iets in lezen wilt - het 'verdwenen ding' wordt expres niet ingevuld -, verbiedt Verbogt het je niet. Maar met het uitspreken van onze bevindingen beginnen vaak de moeilijkheden, want waar Vic, u en ik bij voorkeur niet van verdacht willen worden, is dat we wel veel praten, maar niets zeggen. Het is zaak, voor ieders hygiëne, in en buiten Arnhem, om immer tijdig te verdwijnen. Vandaar.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden