Veel anekdotes over octopussengedrag in Other Minds, maar het gaat nergens echt de diepte in

Octopussen zijn opmerkelijk goed in geheugentaken, zoals het vinden van de weg in een doolhof. De Australiër Godfrey-Smith kent de koppotigen uit eigen waarneming en plaatst zijn ervaringen in evolutionair perspectief.

null Beeld
Beeld

Inktvissen of koppotigen, zoals biologen de octopussen en hun familieleden de zeekatten of sepia's en de pijlinktvissen noemen, zijn ráár. Er is dat min of meer sigaar- of bolvormige lijf en er is de krans van tentakels of vangarmen, er zijn de grote en geavanceerde ogen, er is het wonderlijke camouflagevermogen van vooral octopussen en sepia's waarmee zij vliegensvlug kleur en patroon van de omgeving kunnen aannemen, er zijn de mysterieuze bewegende kleurpatronen op het lichaam van sepia's.

Koppotigen zijn ook anders raar. Het zijn ongewervelde dieren, en daarvan zijn zij veruit het 'slimst'. Ongewervelde dieren, dat zijn zeëgels en zeeanemonen, wormen, insecten, krabben en mosselen (aan welke laatsten koppotigen verwant zijn). Gewervelde dieren, dat zijn vissen, hagedissen, vogels en zoogdieren zoals honden, orka's, apen en wij. Intelligentie, of wat daarbij in de buurt komt, lijkt in de dierenwereld gereserveerd voor de gewervelden. Behalve dus in het geval van koppotigen. Misschien, schrijft Peter Godfrey-Smith in Other Minds, is een ontmoeting met deze dieren het dichtst dat we ooit zullen komen bij contact met intelligente aliens.

De Australiër Godfrey-Smith is wetenschapsfilosoof, maar ook fervent sportduiker. Langs de Australische kust nam hij urenlang octopussen en sepia's waar. Hoe kan het, vraagt Godfrey-Smith zich af in zijn boek - door de Britse wetenschapsacademie Royal Society genomineerd voor hun prijs voor het beste populaire-wetenschapsboek van 2017 - dat de octopus en zijn naaste verwanten een tweede uitdrukking vormen van de evolutionaire ontwikkeling die uiteindelijk leidde tot de geest en het zelfbewustzijn zoals mensen die hebben?

Godfrey-Smith begint met de evolutie van intelligentie en de zintuigen, zenuwstelsels en uiteindelijk breinen die daarvoor nodig zijn.

Pas toen ongeveer een miljard jaar geleden in zee levende eencelligen gingen samenklonteren tot meercellig leven, werd het zinvol dat de cellen bínnen die levensvormen gingen samenwerken en daarvoor moesten communiceren. Ziedaar, volgens Godfrey-Smith, hoe het oerzenuwstelsel ontstond, dat lange tijd vooral bewegingen coördineerde.

Other Minds

Peter Godfrey-Smith

Non-fictie

HarperCollins; 272 pagina's; euro 15,95.

Totdat rond 350 miljoen jaar geleden dieren elkaar gingen opeten, en het vervolgens ineens snel ging: met zenuwstelsels en zintuigen als ogen vielen er vijanden te ontwijken, of juist prooien te ontdekken en te vangen. De ontwikkeling van zenuwstelsels om mee waar te nemen, te reageren en allerlei in- en uitgaande informatie te verwerken, raakte in een stroomversnelling. Uit fossielen en dna-gegevens blijkt dat de eenvoudige slakachtige zeewezens die uiteindelijk tot de ongewervelde en gewervelde dieren van nu zouden leiden zich zo'n 600 miljoen jaar geleden van elkaar afsplitsten.

De evolutionaire paden die uitmondden in de grote breinen van koppotigen en die van sommige vertebraten zijn dus ruim een half miljard jaar gescheiden geweest. Godfrey-Smiths boek geeft een staalkaart van waar dat toe heeft geleid. Zo heeft een mens ruwweg honderd miljard zenuwcellen, voornamelijk in hersenen en ruggemerg. Een octopus bezit er zo'n half miljard, ongeveer evenveel als een hond, waarvan een onevenredig deel in de armen. Gedragsonderzoek is er vooral naar octopussen gedaan, en ze blijken vrij goed in geheugentaken zoals het vinden van de weg in een doolhof.

Toch leren zij traag en zijn ze daarin wispelturig. Godfrey-Smith geeft veel anekdotes over opmerkelijk octopussengedrag. Zoals dieren die in een aquarium een waterstraal richten op de lamp zodat die uitgaat, en dieren die de deksel van jampotten waarin ze gevangen zitten van binnenuit weten open te draaien. Als keihard bewijs voor hoogstaande koppotigen-intelligentie overtuigen de meeste daarvan overigens niet - iets wat Godfrey-Smith ook toegeeft.

Dan de lichtgevoelige cellen en pigmenten in de huid van octopussen en sepia's, die er op lijken te wijzen dat deze koppotigen met hun huid 'zien'. Het is bijna onvoorstelbaar dat, zoals uit onderzoek blijkt, koppotigen kleurenblind zijn. Vanwaar dan de spectaculaire kleurenshows van sepia's met hun lichaam als doek?

Godfrey-Smith bespreekt de voorwaarden voor bewustzijn, zoals het vermogen om wat waargenomen wordt, in het brein te corrigeren voor de eigen bewegingen of uitingen, en andersom. Dat vermogen hebben koppotigen tot op zekere hoogte, maar niet, zo lijkt het, wanneer het gaat om hun eigen kleurpatronen. Zijn koppotigen, omdat ze kleurenblind zijn, misschien daarom nét niet op de volgende evolutionaire trede naar een hogere intelligentie beland? Helaas laat Godfrey-Smith zulke intrigerende mogelijkheden wat in het midden hangen.

Soortgelijke teleurstellingen zijn er vaker in Godfrey-Smiths boek. Springend tussen zijn eigen boeiende ervaringen tussen de Australische octopussen en sepia's, en dan weer een interessant koppotigen-feit of evolutionaire geschiedenis, gaat Godfrey-Smith nergens echt de diepte in. Maar zijn boek geeft meer dan genoeg te denken over die zo opmerkelijke zeebewoners. Mysterieuze andere geesten inderdaad, en daarom - zoals Godfrey-Smith duidelijk wil overbrengen - het beschermen waard.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden