Varianten van het scheppingsverhaal

MACHINES HEBBEN mensen nodig. Niet alleen om ze te bouwen, maar ook om ze te gebruiken. Voor machines in de literatuur is dat niet anders....

In de machineliteratuur domineerde aanvankelijk het idee dat machines de mens noodlottig zouden worden, omdat het bouwen van een machine gezien werd, stelt H.J.A. Hofland in zijn inleiding, als 'concurreren met de schepper'. De eerste machineverhalen kunnen dan ook als een waarschuwing tegen deze vorm van hovaardigheid worden gelezen. De mythe van Prometheus is er een voorbeeld van. Hij schiep de mens uit leem. Hij leerde de mensen horen en zien, maar toen hij ze ook de goddelijke gave van het vuur schonk, werd hij door Zeus gruwelijk gestraft.

Hoewel de bundel met deze mythe begint, kun je je afvragen of het wel een machineverhaal is. Het hangt er maar net van af of we bereid zijn de mens als een machine te beschouwen. Een overtuigender voorbeeld van een machineverhaal uit de Oudheid is dat over Daidalos, die voor zichzelf en zijn zoon Ikaros vleugels maakte, zodat zij van Kreta konden ontsnappen. Hoewel zijn vader hem had gewaarschuwd, vloog Ikaros te hoog en kwam hij te dicht bij de zon, waardoor de was van zijn vleugels smolt. Hij moest zijn hoogmoed bekopen met een dodelijke val in zee.

Ook in Mary Shelley's Het monster van Frankenstein wordt de hovaardij gestraft. Dr. Frankensteins goddeloze voornemen om een mens te maken, leidt tot zijn ondergang. Hij werkt zo bezeten aan zijn hoogstpersoonlijke schepping dat hij geen oog meer heeft voor de wereld om hem heen. Hij wordt 'ongevoelig voor de bekoring der natuur' en verwaarloost zijn vrienden en familieleden. Later komt hij tot inkeer en spreekt met afgrijzen over 'het duivelse lijk dat ik op zo ellendige wijze tot leven had gewekt'.

Net zo tragisch is de kunstmatige mens in Bordewijks verhaal 'Quaevis?'. Tsaar Iwan de Verschrikkelijke, die zijn oudste zoon de hersens insloeg, probeert zijn zoon in de vorm van een automaat het leven terug te geven. Het lukt hem niet het verbrijzelde hoofd van de jongen te reconstrueren, zodat de machine een hoofdloos figuur wordt, die alleen maar een vegend handgebaar kan maken. De sfeer is weliswaar net zo beklemmend als in het boek van Shelley, maar het verschil is dat er in het verhaal van Bordewijk geen moreel oordeel wordt geveld over de kunstmatige schepping.

Mét het modernisme ontstond een minder afwijzende houding ten opzichte van de machine. Avant-gardekunstenaars verheerlijkten de technische ontwikkelingen zelfs ronduit, zoals de Italiaan Marinetti in het krankzinnige 'Manifest van het futurisme', een pamflet, dat een geëxalteerde lofzang op de techniek was, op trams, elektrisch licht en vooral auto's. Toch associeerde ook Marinetti machines nog steeds met dood en verderf. De futuristen wilden 'de liefde voor het gevaar bezingen', en Marinetti beschreef hoe hij zich in zijn auto uitstrekte als een 'lijk in een doodskist'.

Het is niet verwonderlijk dat de verhouding tussen mens en machine door een paradoxale combinatie van angst en verlangen wordt gekenmerkt. Mensen bouwen immers machines om dingen te doen, die ze zelf niet kunnen. Dat maakt ze tegelijk angstwekkend en oncontroleerbaar. In de machine-literatuur worden deze tegenstrijdige gevoelens uitgebuit en versterkt, want literaire machines kennen geen technische beperkingen; in een verhaal is alles mogelijk. Vooral het overschrijden van de beperkingen die tijd en ruimte opleggen, blijkt auteurs te inspireren.

Behalve fantasieën over ruimte-reizen, zoals in Jules Verne's roman uit 1865 over een reis naar de maan, zijn vooral tijdmachines gewild in de literatuur. Een van de mooiste is die van F.B. Hotz in 'De tramrace'. Een jaarlijkse wedstrijd tussen twee stoomlocomotieven loopt uit de hand; een van de machtige machines ontspoort en er vindt een tragisch ongeluk plaats. Maar God besluit in te grijpen en het ongeluk ongedaan te maken.

Dat wil niet zeggen dat Hotz hier de goddelijke kracht verheft boven die van de machine. Integendeel, God zelf blijkt ook afhankelijk van een machine als hij de tijd wil terugdraaien: 'Hij duwde het staketsel, dat van een soort kunststof vervaardigd leek die op aarde vooralsnog onbekend was, een kwartslag van Zich af. Een explosie leek te volgen; een slag als tachtig jaren later wel op aarde gehoord kon worden wanneer men de geluidsbarrière zou leren doorbreken.'

Hotz' verhaal is een keerpunt in de evolutie van de machineverhalen, waarin de goden het langzamerhand hebben moeten afleggen tegen de macht van de techniek. Er is alleen wel wat goede wil voor nodig om die evolutie in De verhalenmachine te ontdekken, omdat de verhalen in deze bundel niet chronologisch zijn opgenomen. In plaats daarvan is een vage thematische indeling gehanteerd, die weinig inzicht geeft in het genre. Om het nog ingewikkelder te maken gebruikt Hofland in zijn inleiding weer een andere indeling, in een vergeefse poging toch enige ordening aan te brengen.

Interessanter is Hofland, wanneer hij nagaat wat het betekent om over machines te schrijven. Als het bouwen van een machine een vorm van concurrentie met de schepper is, dan is het machineverhaal altijd 'een variant op het scheppingsverhaal', concludeert hij. Hij wijst erop dat het zowel bij het schrijven als bij het bouwen van een machine gaat om een poging van de mens zijn tekorten te overwinnen, 'zichzelf te herscheppen'. Helaas voert Hofland zijn redenering niet verder. De overeenkomst tussen machines en literatuur betekent, zou je eraan kunnen toevoegen, dat machineverhalen ook altijd over het schrijven gaan. Dan kan men Dr. Frankenstein beschouwen als een model voor de schrijver, die als een bezetene werkt aan het scheppen van kunstmatige mensen.

Het meest voor de hand liggende voorbeeld van die zelf-referentiële hoedanigheid van machineverhalen is Roald Dahls 'De verhalenmachine'. Knipe, een geniale jonge rekenmachinebouwer, is gefrustreerd geraakt, omdat zijn werkelijke passie, het schrijven van verhalen, niet lukt. Keer op keer worden zijn pennenvruchten door tijdschriftredacteuren teruggestuurd. Tot de jonge schrijver zijn chef overhaalt om hem een verhalenmachine te laten bouwen.

Daarin programmeert Knipe de regels van de grammatica, maar ook alle mogelijke personages, plots, genres en stijlen. Men hoeft maar enkele eisen in te voeren ('een degelijk verhaal, met veel plot') en het verhaal rolt kant-en-klaar uit de machine.

Knipe en zijn chef hebben zo'n succes met hun verhalen dat ze al snel overschakelen op een roman-machine, met pedalen voor intensiteit van de hartstocht en knoppen voor pathos of spanning. Langzamerhand neemt de machine de literaire productie van het land over en wordt er geen echt boek meer geschreven.

Niet alleen zinspeelt Dahl zo op de overeenkomsten tussen literatuur en techniek, hij maakt ook duidelijk wat de meest angstaanjagende machines zijn. Dat zijn niet de machines die doen wat mensen niet kunnen, maar machines die iets doen wat wij wél kunnen: alleen die kunnen de mens overbodig maken.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden