EssayAfscheid en liefde

Van zijn eigen dood kon de Israëlische schrijver Etgar Keret zich geen voorstelling maken. Tot nu

Keret, vooral bekend van zijn korte verhalen, schreef een verhaal over afscheid en liefde. 

Beeld Studio V

Mijn rotsvaste vrouw

Sinds de pest is uitgebroken, kan ik eindelijk mijn eigen dood voor me zien. Ik had het al vaker geprobeerd, maar elke keer als ik in bed mijn ogen dichtdeed en over mijn laatste adem probeerde te fantaseren, ging er iets mis. Als ik me bijvoorbeeld voorstelde dat ik op de snelweg de macht over het stuur verloor, dat ik met 100 kilometer per uur tussen twee rijbanen slingerde terwijl mijn wielen op slot zaten en andere bestuurders woedend naar me toeterden, dan kwam mijn auto uiteindelijk altijd toch langs de vangrail tot stilstand, en hoewel er natuurlijk sprake was van een hoop drama en opgeblazen airbags, kwam ik op de een of andere manier altijd levend uit het wrak. En het beperkte zich niet tot auto-ongelukken. Het maakte niet uit: terroristische aanslagen, gewelddadige ruzies met de buren, een hartaanval tijdens een live-uitzending van een cultureel tv-programma. Hoe erg ik de situatie ook probeerde te maken – ik overleefde het altijd op het laatste moment. Sommige visioenen eindigden met een interview in het achtuurjournaal, waar ik met warrig haar mijn verhaal deed. In andere fantasieën werd ik wakker in het ziekenhuis, waar mijn zoon me overlaadde met knuffels. Maar elk incident eindigde, ondanks mijn grote inspanning, zonder slachtoffers.

Etgar Keret

Etgar Keret (52) is een Israëlische schrijver van korte verhalen, graphic novels en filmscripts. Onlangs verscheen zijn nieuwe verhalenbundel Mijn konijn van vaderskant. De bundel kreeg vier sterren in de Volkskrant, Keret werd in de recensie ‘een meester op de korte baan’ genoemd, zijn verhalen ‘verrassend, scherp en geestig’. Zijn boeken verschijnen in vierendertig landen en hij publiceerde in The New York Times en Le Monde. Naast schrijver en universitair docent is Keret filmmaker. 

En toen kwam het coronavirus en was alles opeens duidelijk. Nu kan ik elke avond voor het slapengaan mijn ogen dichtdoen en voor me zien hoe ik met spoed naar het ziekenhuis word gebracht met ernstige ademhalingsproblemen. De paar uitgeputte artsen die nog op de overvolle Eerste Hulp werken zijn helemaal de weg kwijt. Mijn vrouw vraagt een jonge dokter met een wazige blik in z’n ogen of hij me wil onderzoeken. Ze legt hem uit dat ik tot een risicogroep behoor omdat ik astmatisch ben, terwijl hij voor zich uit staart. Hij is ergens anders met zijn hoofd: misschien fantaseert hij over zijn eigen dood, of over een warme douche. 

Ik probeer te glimlachen – ik heb ergens gelezen dat dat empathie oproept, dat oplichters daarom altijd zoveel glimlachen. Ik toon hem mijn charmantste grijns. Als deze kind-dokter nu maar even in mijn richting zou kijken, dan zou hij onmiddellijk mijn menselijkheid zien, en de glimlach op mijn asgrauwe gezicht zou hem herinneren aan een oom van wie hij als kind heel veel hield, die is omgekomen bij een duikongeluk. Maar hij kijkt niet. Zijn ogen zijn ergens anders op gefocust. Hij kijkt naar een harige reus met een terugtrekkende haarlijn die bij de balie als een dolleman staat te schreeuwen. Uit zijn gebrul kan ik opmaken dat dat hij al meer dan drie uur zit te wachten tot zijn vader kan worden behandeld. De oudere verpleegkundige probeert hem te kalmeren, maar hij reageert niet en steekt een sigaret op. Een kleine, nekloze beveiliger snelt eropaf en vertelt hem dat hij de sigaret moet uitmaken, en de harige reus schreeuwt dat hij dat zal doen zodra een dokter zijn vader behandelt, en geen seconde eerder. Mijn vrouw probeert de aandacht van de kind-dokter te trekken, maar hij negeert haar en loopt op de harige reus en zijn vader af. 

Ik merk dat ik geen lucht in mijn longen krijg, hoe wanhopig ik het ook probeer. Het voelt alsof je tegen een deur duwt die op slot zit. Ik ken dit gevoel al sinds mijn vroege jeugd, ik herinner me elk detail van elke astma-aanval. Maar toen kon ik altijd nog een klein beetje lucht naar binnen krijgen. En de dokters waren toen nog oprecht bezorgd. Ik kijk op naar mijn vrouw. Ze is aan het huilen, wat me tot waanzin drijft. Ik heb al geaccepteerd dat mijn dood niet lang meer op zich zal laten wachten. Het volgende ogenblik zal ik er niet meer zijn. Maar waarom die tranen? Waarom moet ik mijn prachtige leven op deze manier verlaten: geen zon, geen blauwe lucht, een harige reus die in mijn gezicht staat te schreeuwen en te roken, en mijn lieve vrouw die huilt? De dood zou als de laatste aflevering van de televisieserie van mijn leven moeten zijn. En wie wil er tijdens de allerlaatste scène naar een huilend gezin op een drukke, overspannen Eerste Hulp kijken? Ik zeg ‘gezin’, terwijl mijn zoon er niet eens is. Hij is thuis Fortnite aan het spelen. Tenminste, dat was hij aan het doen toen ze me meenamen naar het ziekenhuis. Ik wilde dat hij thuisbleef omdat ik bang was dat hij iets zou oplopen op de Eerste Hulp. Het corona-tijdperk is een slecht moment om ziek te worden, zelfs als je nog een kind bent. Nu ben ik blij dat hij er niet is, dat hij geen getuige hoeft te zijn van mijn laatste seconden. Anders zou hij zien hoe mijn vrouw huilt en zou hij ook gaan huilen; als het op emoties aankomt, is hij een trouwe volger. En dan zou alles pas echt zwaar worden. Ik wil iets tegen mijn vrouw zeggen dat haar zal opvrolijken, iets om haar af te leiden, iets waardoor ze zal stoppen met huilen. Maar ik kan niet meer praten. Ik ben dood. En daarna lig ik de hele nacht wakker.

Ik besluit het met mijn vrouw te bespreken. Ik weet dat de coronatijd niet het beste moment is om een moeilijk gesprek te beginnen, maar dit hele gedoe zit me dwars als een hardnekkige aambei. Het smeekt om een toelichting. ‘Is dat wat je dwarszit?’, vraagt ze. ‘Niet dat je jong sterft, dat je een vrouw en een kind en een konijn achterlaat, maar dat ik zit te huilen?’ Ik probeer haar uit te leggen dat het coronavirus, mijn falende longen, het instorten van de gezondheidszorg, de harige reus die een sigaret opsteekt op de Eerste Hulp, allemaal gegeven zijn. Daar kan ik niets aan doen. Maar dat zij huilt, is een keuze. Een extreem verontrustende keuze, als je het mij vraagt.

‘Oké’, zegt mijn vrouw op haar quasi-accepterende toon, de toon die ze altijd oefent tegen honden die op straat naar haar blaffen. ‘Dus je bedoelt eigenlijk dat ik hieraan moet werken? Als onderdeel van onze planning voor de ergst mogelijke scenario’s? Dat ik me voorbereid, zodat ik niet zal huilen als je voor mijn ogen op de Eerste Hulp zal sterven?’

Ik knik enthousiast. Dit is een uniek moment. Meestal begrijpt ze niet wat ik wil.

‘Zal ik je nu beloven dat ik niet zal huilen, wat er ook gebeurt, en dat ik in plaats daarvan… Weet ik veel… Gewoon naar je zal knipogen ofzo?’, vraagt ze. Ik leg haar uit dat ze niet hoeft te knipogen, ze kan gewoon mijn hand vasthouden en kalm en vastberaden zijn. Zoals die rouwende moeders die je op tv ziet, die eisen dat we niet buigen voor de terroristen. Je ziet dat het moeilijk voor ze is, dat ze vanbinnen verscheurd zijn, maar ze stralen kracht uit, ze houden hun hoofd geheven. Het is veel makkelijker om te sterven als je weet dat je een rotsvaste vrouw achterlaat. ‘Geen probleem’, knikt mijn vrouw, ‘als het jou helpt in die situatie, dan doe ik het. Geen tranen. Afgesproken.’

Die nacht lig ik weer wakker. Mijn vrouw slaapt, ik hoor haar regelmatige ademhaling naast me, maar als ik mijn ogen dichtdoe, begint het weer: de pijn, de flikkerende lichtjes boven mijn bed, de zuurstof die maar niet in mijn longen komt. Ik hoor de harige reus schreeuwen en de oudere verpleegkundige die hem probeert te kalmeren. Ik vecht voor mijn adem, ik duw zo hard als ik kan tegen de deur, maar hij zit op slot. Mijn mooie vrouw zweeft door mijn blikveld, op zoek naar een dokter. Ze weet dat ze hem niet zal vinden, en toch probeert ze het. Ik heb bijna geen lucht meer; ze voelt het. Ze kijkt naar me en in haar ogen kan ik lezen dat dit het einde is. Ze pakt mijn hand en brengt haar gezicht ernaartoe. Ze is sterk, zoals de moeders op tv, maar dan veel vrediger. Haar groene ogen zeggen: het is jammer dat je moet vertrekken makker, maar als je weg bent, zal alles hier oké zijn. Ik val in slaap.

Vertaling Rutger Lemm

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden