Van watjekou tot wielewaal

Het zijn vaak geluiden die ons handelen manipuleren. In de boeken van Margriet de Moor is dat vaker geopperd (zie bijvoorbeeld Kreutzersonate, 2001), en haar nieuwe novelle De kegelwerper vormt daarop geen uitzondering....

Arjan Peters

Het zijn de geluiden die horen bij de eerste naoorlogse jaren, en die als zodanig helpen het decor te schilderen waartegen het verhaal zich afspeelt. Maar De Moor promoveert die klanken van begeleiding tot sturend beginsel, of van motief tot thema: muziek, al dan niet voortgebracht door instrumenten, drijft de personages die ze omspeelt, tot plannen en acties.

Dat zijn variété-artiesten, het slag beroepsschnabbelaars dat in bioscooptheaters en nachtclubs als hoofd- of entr’-act voor circusachtig vertier mocht zorgen in de jaren voordat de televisie de meute aan huis gekluisterd zou houden. Een schilderachtige troupe bevolkt de kamertjes van Pension Rembrandt: een schuw danseresje uit Polen (dat zich, met spelfout, Mis Daisy noemt), een goochelaar (Charles Pluut), een jongleur (Mr. Peter Newton), twee dwergvrouwtjes, een antipodist. De ramenlapper die bijverdiensten heeft als ‘de Ladderman’ omdat hij zich ook zonder steunmuur overeind kan houden, gaat op een ochtend al hun ramen langs – waardoor de lezer overal mee naar binnen kan gluren.

Ook als ze niet aan het werk zijn, laat De Moor zien, spelen ze trucs uit met elkaar – met dit verschil dat de artiesten in kwestie zich dat lang niet allemaal en altijd bewust zijn. Terwijl er tekenen genoeg zijn, voor wie zijn zintuigen scherpt. Want iedereen vindt het doodnormaal dat een goochelaar die opkomt met een lege papieren puntzak (waaruit later een geurende bos chrysanten zal komen), wordt geannonceerd door twee trompetten en een kreunend hammondorgel.

Maar in huize Rembrandt waart óók muziek rond: als Peter in de gang met kiespijn voor de spiegel staat, komt de pensionhoudster uit haar kamer op hem afgelopen alsof ze wist dat er een probleem was: ‘Een stuk concert voor hoorn, fagot en fluit stroomde met haar mee, precies waar de hoorn voor wie daar oor voor heeft, een solo vol heimwee en verrukking uitvoert.’

En die muziek – wíj voelen dat wel – grijpt in de handeling in. Een jaar na haar imponerende Watersnoodramp-roman De verdronkene, die door de bijziende jury’s van literaire prijzen in Nederland en België schromelijk is onderschat (nog een troost, dat de vertaling Sturmflut momenteel furore maakt in Duitsland), geeft Margriet de Moor dit keer op lichtvoetiger wijze een nieuwe lading aan het woord ‘speelbal’.

Op de bühne wordt gegoocheld met ballen en kegels, maar in het pension en op straat zijn het de personages zélf waarmee een onzichtbare virtuoos aan het dollen is. Het is verleidelijk die structurerende grootmacht gelijk te schakelen aan de auteur, die grijnslachend met stelligheden strooit: ‘Daisy keek (*) min of meer door hem heen. Zo’n manier van kijken is verweer. Men doet het om niet helemáál voor de bijl te gaan’; ‘Charles Pluut voelde als alle onoprechte mensen soms heel gauw een vluchtig berouw’; ‘Jongleurs zijn altijd bang’.

Toch laat zelfs die slimme veelweter op beslissende momenten doorschemeren ook geen touw meer vast te kunnen knopen aan de wendingen die het lot voor haar personages in petto heeft. ‘Dat komt omdat een mensenleven geen muziekstuk is. Waarom wordt deze gebeurtenis zo zwaar benadrukt, meneer de componist, terwijl er nauwelijks iets is voorgevallen?’ Ook voor háár is het maar een vreemde geschiedenis: Charles Pluut, een in liefdeszaken gefrustreerd artiest, haalt het dansmeisje Daisy aan, en probeert daarnaast de jongleur voor haar te interesseren, omdat zijn opwinding een climax zou bereiken als hij haar aan hem kan wegschenken – je zou hem een heteroseksuele ‘Revist’ avant-la-lettre kunnen noemen. Peter Newton, de jongleur (dus altijd bang), moet niks van Pluut hebben. In een volkskroeg chartert Pluut twee kleine criminelen, de neven Roodbaars (dit speelt nog in de onschuldige era van ver voor de liquidatie-tsunami), die Peter ’s avonds een pak op zijn sodemieter moeten geven, totdat de stiekem toekijkende Pluut zich als reddende engel in het gevecht zal storten, teneinde zijn collega te bevrijden.

Ook de Roodbaarzen voeren een opdracht uit zonder te beseffen aan welk spelletje ze deelnemen. Net als goochelaars of jongleurs dóen ze eerst voordat ze denken.

Bij alle vrolijkheid die van De kegelwerper spat – De Moor kent zelfs het verschil tussen een watjekou (met de vlakke hand) en een wielewaal (die gaat met de knokkels) –, geeft de onkenbaarheid van ’s mensen beweegredenen haar novelle ook iets duisters.

Amuseurs die het publiek in een schetterend majeur tegemoet treden, blijken even doof te zijn als onartistiekelingen voor de donkere mineurklanken die de grondtoon kleuren van ieders bestaan.

Margriet de Moor: De kegelwerperContact143 pagina’seuro 18,90ISBN 90 254 2495 3Contact143 pagina’seuro 18,90ISBN 90 254 2495 3

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden