Van walmend industrieland naar culturele metropool

Na jaren van verval kregen gesloten mijnen, fabrieken, pakhuizen en koeltorens in het Ruhrgebied een culturele bestemming. In 2010 is het gebied Culturele Hoofdstad van Europa....

Dit zou dus het land moeten zijn dat zichzelf opnieuw aan het uitvinden is. Met de fiets, over een slingerend asfaltweggetje, is alvast een 90 meter hoge slakkenberg bedwongen. Dan zijn het te voet nog tweehonderd hoogtevreesaanjagende treden naar het platform in de reusachtige piramide van viervlakken uit stalen buizen.

Vanaf de Tetraeder, een creatie van de architect Wolfgang Christ, strekt zich het laagland uit waarop de machinerie stond die achtereenvolgens de industriële revolutie, de oorlogszucht en het Wirtschaftswunder van energie voorzag. Dit was ook het land waarover de rest van Duitsland nogal meesmuilend deed. Hier woonde Kumpel Anton. Hier reden ze in een Opel Manta en droegen ze minipli, krulletjes zoals Rudi Völler ze had, en klonk het weinig verfijnde Ruhrdeutsch in Doatmund en Düüsbuich.

Dat zou tegenwoordig wat genuanceerder liggen.

In het spatheldere winterlicht van vandaag boven de Tetraeder prikken werkloze schoorstenen, schachtbokken, koeltorens en gashouders met een zekere plechtigheid de hoogte in – bakstenen, betonnen en gietijzeren gedenknaalden van een stilgevallen motor.

Te midden van de restanten van mijnen en hoogovens groeit niet langer onkruid, maar is het Ruhrrevier aan een volgende fase begonnen. Dat ziet er ongeveer zo uit: een museum in een kolenwasserij, een hip café in een cokesfabriek en haute cuisine in havensilo’s – de greep is willekeurig. Essen en de omringende steden mogen zich volgend jaar zowaar culturele hoofdstad van Europa noemen. Het zou wat campagnemakers betreft moeten leiden tot een nieuw zelfbewustzijn in het voorheen smeulend zwartland tussen Rijn, Roer en Lippe: Ich bin ein Ruhri!

Zonder die status van culturele hoofdstad is het nieuwe hoofdstuk moeilijk aan de man te brengen, bekennen de medewerkers van het toeristenbureau in het Neue Mitte van Oberhausen, waar een enorm winkelcentrum de veranderingen moet onderstrepen; in het binnenste klatert een fonteintje tussen arcaden naar Romeins ontwerp.

Wie van buiten komt, gelooft nog altijd dat hier een murw geslagen bevolking tussen het schroot woont. Wie hier enkele dagen neerstrijkt, zo wijzen de statistieken uit, komt alleen voor zaken. En dat in een gebied met 200 musea, 100 cultuurcentra, 100 concertzalen, 250 festivals en feesten; het zijn statistieken die kunnen wedijveren met die van Parijs en Londen. Dit is een metropool, moet je weten.

Maar heeft die Ruhri überhaupt ooit bestaan? Voetbalderby’s in de Kohlenpott, zoals het gebied wel wordt genoemd, hebben alles behalve een saamhorigheidsgevoel laten zien. Het gaat er in de stadions geregeld net zo vurig aan toe als vroeger in de walmende omgeving.

Het is niet zo vreemd om het antwoord in eerste aanleg ondergronds te zoeken; ooit werkten in het Ruhrgebied 600 duizend mijnwerkers. Het Deutsches Bergbau-Museum in Bochum, aan de rand van het centrum, biedt de mogelijkheid de wereld unter Tage, onder de grond, te ervaren.

Een lift voert de bezoeker naar een gangenstelsel op 17 meter diepte: van nauwelijks meer dan manshoge, door hout gestutte doorgangetjes, tot hallen van 5 bij 5 meter met moderne, wandelende schraapmachines onder stalen beschermschilden. De machines zijn echt, maar Streb en strecke zijn nagemaakte tunnels, en de vaalgroene schachttoren bovengronds komt niet uit Bochum, maar stond in 1973 nog op het terrein van de Germania-mijn in Dortmund.

Gewezen mijnbouwingenieur Bernhard Scholten, tegenwoordig gids in het museum, vertelt dat ze in Bochum destijds niet op zo’n blikvanger zaten te wachten. De eerste kolencrisis had geleid tot sluiting van mijnen en bijbehorend banenverlies; zo’n relikwie, uit Dortmund nota bene, was maar zout in de wonde. Laat ons onszelf liever concentreren op de volgende toekomst: de fabrieken van Opel.

Die sentimenten zijn weg, meent Scholten. Op Opel kun je ook niet meer rekenen. Wat nu de toon zet, is een zekere weemoed naar het leven in de donkerte. Het was zwaar en gevaarlijk werk, maar de sociale voorzieningen waren goed en wie lang genoeg ondergronds was geweest, kon vroeg stoppen; soms was het op je 48ste al voorbij. Maar de tijd verheerlijken? Scholten: ‘Ze zijn hier nog steeds blij dat de was gewoon weer buiten kan hangen.’

Hoe zit het über Tage? Op de fiets laat een Ruhrgevoel zich aanvankelijk moeilijk betrappen. Uitgezette paden in het hart van de metropool voeren langs buitenwijken, met veel gepleisterde flatgebouwen met drie of vier woonlagen; die zie je elders in Duitsland ook. De route slingert soms wat geforceerd door gemeentegroen, een beekdal, langs een glooiend weiland.

Dat het hier anders is, blijkt vooral als een met gravel geplaveid pad langs het Rhein-Herne-kanaal voortdurend wordt gekruist door snelwegen en spoorbruggen, of als dat pad parallel loopt langs door distels overwoekerde rails naar nergens. Bij Oberhausen doemt ineens het donkere en imposante lichaam op van de Gasometer, 117 meter hoog, nu tentoonstellingshal. En als de weg onverwachts stijgt, dringt de gedachte zich al snel op: is dit soms een Halde, zo’n berg van afgedankt steenkool?

Vertrekpunt was de Zeche Zollverein, een uitgestrekt complex dat het uithangbord vormt voor het nieuwe tijdperk. Werelderfgoed van Unesco. Twee schachttorens nog, een kolenwasserij, verbonden door transportbanden met de overblijfselen van een cokesfabriek. Dit was in bedrijf al een paradepaardje van de mijnindustrie. De kolenwasserij was in de jaren twintig opgetrokken volgens de dictaten van Bauhaus, in de fabriek uit het eind van de jaren vijftig zaten de modernste technieken.

Na de stilte en de corrosie van de jaren tachtig en negentig keert schoorvoetend de bedrijvigheid terug. In de kolenwasserij opent begin volgend jaar het Ruhrmuseum, naar ontwerp van Rem Koolhaas. Nu leidt alvast een bijna 60 meter lange roltrap naar de bovenste verdieping waar een bezoekerscentrum is. In omliggende gebouwen nestelen designers, architectenbureaus, een dansgezelschap. In de zoutopslagloods spelen voorstellingen van de Ruhrtriennale. ’s Winters kun je schaatsen op een bassin in de schaduw van de voormalige ovens. Op het rangeerterrein wandel je tussen jonge berkjes. Het geurt er niet eens meer naar cokes.

Duisburg heeft de binnenhaven opgeknapt, met terrassen aan het water, musea in pakhuizen en bewoners in nieuwe appartementenblokken. Iets buiten de stad is het weer Mad Max: in het 200 hectare tellende landschapspark Duisburg-Noord, het voormalige Thyssen Eisenhütte Meiderich, fiets je onder de hoogovens door, dienen ertsbunkers als klimwand en wordt de gashouder gebruikt door de lokale duikersvereniging die er bij gebrek aan koraalrif en scheepswrak automobielen en een vliegtuig in heeft laten zakken.

Is de Ruhri een overlever? De hotelier van de Alten Lohnhalle in Essen-Kray die zijn gasten verblijf aanbiedt in een neogotisch pand waarin ooit de mijnwerkers van Zeche Bonifacius hun weekverdiensten kwamen ophalen, gelooft dat er een andere drijfveer is. ‘Dit zijn van oorsprong los van elkaar staande boerendorpen. Door de kolen explodeerde de welvaart. Kijk naar de rijkdom die dit gebouw uitstraalt, het zou voor de eeuwigheid zijn. Maar ineens was het voorbij. Dat was pijnlijk. Moesten we dan ook maar alles slopen? De industrie is het enige dat we ooit deelden. We waren net op tijd.’

De Henrichshütte bij Hattingen is met zijn half opgekalefaterde hoogoven imposant – het betreden van de roestige loopbruggen en ladders is niet toegestaan –, maar het is in omvang slechts een flauwe afspiegeling van het uitgestrekte complex met walserij, gieterij en smederij dat hier stond aan de oevers van de Ruhr. De duizenden staalarbeiders werden in de oorlog aangevuld met werkkrachten uit bezet gebied, onder wie ook Nederlanders.

Directeur Robert Laube leidt het bezoek rond met aanstekelijk enthousiasme, maar gaat er eens rustig voor zitten om de beeldvorming van de Ruhri bij te stellen. Als student stond hij naast ze, toen ze hier in de jaren tachtig een menselijke ketting vormden tegen de voorgenomen sluiting. Een aantal van hen is nu gids.

Met het creëren van al die monumenten is ook een mythe ontstaan, zegt Laube. ‘Je hebt ongetwijfeld al die kwalificaties gelezen: de kathedralen van de industriecultuur, de kerktorens van de Ruhr; een fallisch landschap, niet? Alsof het bijna een religieuze beleving was, hier te werken. De lijdende mens, nederig, slechts een radertje in de machinerie.

‘Het is onzin. Een machine doet niks als niemand op een knopje drukt.’

De werkelijkheid is, zegt hij, dat je buiten het gebied nog wat neerbuigend wordt aangekeken. ‘Ruhrpott Kanaken. Ze verdienen wat meer respect en achting, zeker. Maar maak er geen liturgie van.’

Uiteindelijk laat een Ruhri-gevoel zich vangen op een onverwachte plek. Bochtige asfaltweggetjes in dicht bebost heuvelland voeren naar een beekdal. Het binnenste van een wit gepleisterd huisje maakt duidelijk dat het hier wel degelijk de Ruhr is: aan de muur hangen helmen, lampen, pikhouwelen, zagen, een pneumatische boorhamer.

Drie ex-kompels stommelen het Zechenhaus Herberholz in Witten binnen, trefpunt om herinneringen op te halen aan unter Tage – in hun geval decennia in Westerholt, Kastrup en Essen. Dat ze bij het verlaten van de schacht, waarin koelinstallaties met moeite de temperatuur onder de 30 graden hielden, steevast een schnaps kregen aangereikt en eucalyptusdampen moesten inademen om de bronchiën te openen.

En dat ze soms na het douchen de zwarte randen om de ogen lieten zitten, als ware het een onderscheiding. Want trots zijn ze, nog altijd. Zij legden het fundament van het moderne Duitsland, zo zien ze dat. Mooi dat veel behouden blijft. Maar het moeten wel mijnen blijven. Geen pretparken.

De keerzijde van toen steken ze niet weg. Het was gevaarlijk en ongezond, beneden. Een van hen begon op zijn 14de. Hij is nu 70 en de enige van zijn opleiding die nog in leven is. Er was angst: onbestemd gekraak in de verte, zand dat ineens tussen de stutten dwarrelt. De incidenten zijn ze nooit vergeten. Een collega verloor zijn arm in een lopende band, ze hebben hem er nog net vanaf kunnen trekken.

Ze waren getuigen van een botsing tussen twee treinen ondergronds. Een machinist werd verpletterd tussen de locomotief en de wand. Voordat ze hem konden bergen, bescheen de mijnwerkerslamp op zijn helm nog urenlang het gewelf boven de wagons.

Wat ze bindt, zeggen ze in het Zechenhaus, is kameraadschap. Turken, Oost-Europeanen; afkomst speelde geen rol. Je was op elkaar aangewezen. Unter Tage spreek je dezelfde taal. Als ze de mijnwerker ontmoeten die zijn arm verloor in de schacht, dan strekt hij nog altijd dankbaar voor zijn redding de ene hand uit. Dan, ja dan, zijn we Ruhri.

‘Der Himmel über der Ruhr muss wieder blau werden’, zei Willy Brandt in 1961, op verkiezingstournee in Dortmund, jaren voordat hij bondskanselier zou worden. Het heeft even geduurd. ‘Zo helder zagen we het nog nooit’, zeggen twee Duitsers op het platform van de Tetraeder. Uit een koeltoren wellen witte wolken op. De idylle laat zich niet verstoren. ‘Dit moet waterdamp zijn.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden