Van sciencefiction valt te leren

Fictie Leuk en lekker, maar ook leerzaam. Dat is het moeilijk af te bakenen genre van de sciencefiction...

‘De meeste romans zijn slechte sciencefiction. Ze voldoen niet aan de minimale normen. Romans spelen zich meestal af in een herkenbare en voorspelbare omgeving zonder interessante experimenten met gekke ideeën, toekomstscenario’s of alternatieve werelden.’

Ondanks hun ironische ondertoon geven deze verrassende openingszinnen van Filosofie van de toekomst van Fred Keijzer goed de teneur van het hele boek aan. De filosoof uit Groningen houdt een pleidooi voor dit literaire genre. Op aanstekelijke wijze brengt Keijzer zijn boodschap naar voren: sciencefiction lezen is ‘leuk en lekker’. Filosofie van de toekomst bevat daarom veel opgetogen beschrijvingen van leeservaringen die de auteur zelf heeft ondervonden. Hij beoogt hiermee een breed publiek mee te slepen en kennis te laten maken met zijn grote liefde. Ik kan niet anders zeggen dan dat hij bij vlagen hierin slaagt.

Als rechtgeaard filosoof wil Keijzer echter meer. Met behulp van sciencefiction probeert hij een ‘speculatieve antropologie' te ontwikkelen. Sciencefiction kan ons vertrouwd maken met toekomstscenario’s die onze ideeën over de mens en de menselijke mogelijkheden op losse schroeven zetten. Ze biedt alternatieve psychologieën en uitvergrotingen van tegenwoordige wetenschappelijke ontwikkelingen als ruimtevaart, gentechnologie en cyberspace. Juist daardoor kan ze ook maatschappelijke kritiek leveren op geborneerde aspecten van ons actuele blikveld.

Helaas staat het enthousiasme van Keijzer voor zijn favoriete literatuur zijn bredere boodschap danig in de weg. Sciencefiction is voor hem alleen maar sciencefiction als hij er dit stempel geheel en al op kan plakken. Zoals zijn beginzinnen laten zien, grenst Keijzer zijn geliefde literaire genre hermetisch af van de overige literatuur. Hij lijkt daarbij uit te gaan van een vast wezenskenmerk van sciencefiction dat dit genre beslissend onderscheidt van alle andere literaire maar ook filosofische benaderingen.

Zeker voor een filosoof is dit een vreemd uitgangspunt. De zuiverheidmanie van Keijzer ontneemt hem het zicht op de uitgebreide familie waar sciencefiction deel van uitmaakt. Juist die erkenning van het bestaan van veel interessante familieleden had Filosofie van de toekomst meer kunnen maken dan een persoonlijk leesverslag, hoe enthousiasmerend ook.

Om te beginnen zijn daar natuurlijk als voorouders van sciencefiction de utopieën. Het Nieuwe Atlantis van Francis Bacon uit het begin van de zeventiende eeuw beschrijft al uitvoerig de vele wonderbaarlijke wetenschappelijke en technische ontdekkingen die het leven van mensen beslissend veranderen. Iets later dan de technische utopie van Bacon verschijnt The Man in the Moon van Francis Godwin, dat vanuit een maanreis kritiek op de aardse verhoudingen formuleert. En in het midden van de zeventiende eeuw wordt het nog steeds lezenswaardige verhaal van Cyrano de Bergerac over nog een maanreis gepubliceerd. Al deze zogeheten utopieën beantwoorden beter aan wat Keijzer als sciencefiction beschouwt dan het beroemde De reis naar de maan van Jules Verne, dat hij als oudste specimen van het genre erkent.

Steeds meer aansprekende hedendaagse romans maken gebruik van ideeën en procedés uit de sciencefiction. Ik denk hierbij bijvoorbeeld aan het ingenieuze Wolkenatlas van David Mitchell en het huiveringwekkende recent verschenen Corpus Delicti van Juli Zeh. Het is triest dat dit soort boeken wordt buitengesloten in Filosofie van de toekomst, omdat ze als sciencefiction kennelijk niet zuiver op de graat zijn. Toch beantwoorden ze juist in alle opzichten aan wat Keijzer van sciencefiction verwacht: het denken over de toekomst wordt geprikkeld, alternatieve toekomsten worden gepresenteerd via het doortrekken en uitvergroten van hedendaagse tendensen. Dit soort neefjes en nichtjes zijn vaak interessanter dan de brave leden uit de familiestamboom waarmee Keijzer ons laat kennismaken.

Hoe verleidelijk en spannend deze onechte kinderen en onverbeterlijke schuinsmarcheerders zijn, komt fraai naar voren in Het gelijk van Heisenberg (2010), een Nederlandse roman van Frans Pollux. Dit boek is geen zuivere sciencefiction. Het speelt niet, zoals Keijzers voorkeur heeft, in de buitenaardse ruimte, maar gewoon in Venlo en Grubbenvorst. Ondertussen wordt het hele verhaal wel gedragen door een technische ontwikkeling die de toekomst negatief beïnvloedt. Naar mijn weten is Pollux de eerste die het mechanisme van de vrije markt als utopisch principe volledig doortrekt en uitwerkt met een uiteindelijke dystopische uitkomst. Geluk kan volgens de hoofdpersoon Syris alleen gevonden worden in de natuurlijke balans tussen vraag en aanbod: ‘ik heb iets wat jij wil + jij hebt iets wat ik wil = geluk’. Daaruit volgt: ‘hoe vrijer de markt, hoe meer ik wil; hoe meer ik wil hoe meer ik heb; hoe meer ik heb, hoe groter mijn geluk’.

Geleidelijk ontdekt de lezer van Het gelijk van Heisenberg dat dit utopisch principe tot de ondergang van een groot deel van de wereld leidt. Hoe dat gebeurt, mag ik hier niet verraden.

Want of het nu als sciencefiction wordt betiteld, als dystopie bestempeld of gewoon een roman mag heten, Pollux schreef in de eerste plaats een humoristisch en vooral spannend verhaal.

Het gelijk van Heisenberg barst van de gekke ideeën die in flitsende dialogen worden verpakt; de utopische experimenten met hun dystopische uitkomst zijn zeker zo interessant als de geijkte sciencefictionfantasieën en het toekomstscenario dat geschetst wordt is huiveringwekkend, maar tegelijkertijd plausibeler dan de meeste fictieve ruimtereizen.

Virtuoos is de manier waarop Pollux in de tijd heen en weer springt zonder de verhaallijn nodeloos ingewikkeld te maken. Het gelijk van Heisenberg bestaat uit snippers papier die uit de catastrofe zijn gered en daarna geordend. Je kunt, herlezend en terugbladerend, deze fragmenten ook anders met elkaar verbinden en zo je eigen tijdsprongen maken. Dat je je hierbij gaat vereenzelvigen met Syris, die allesbehalve een aangenaam persoon laat staan een positieve held is, maakt de boodschap van Het gelijk van Heisenberg des te krachtiger.

Net als Winston, zijn Orwelliaanse voorganger, doorziet Syris de utopie waarvan hij een functionaris is nauwelijks – maar in tegenstelling tot zijn voorganger bezwijkt hij niet in de martelkamers van het regime. Voor de mogelijkheid van verzet blijkt dat laatste verschil niets uit te maken. Ook de Polluxe variant van Big Brother uit 1984 blijft onherroepelijk de overhand houden.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.