VAN LIEVE LIEDJES TOT SMERIGE ROCK

Hij ontdekte The Doors, Tim Buckley en Freddie Mercury en gaf op zijn label Elektra tussen 1950 en 1973 maar liefst vijfhonderd lp’s uit....

In mei 1966 vliegt de New Yorkse platenbaas Jac Holzman naar Los Angeles om naar de band Buffalo Springfield te gaan kijken. Hij is er zeer geïnteresseerd in deze groep van de dan nog onbekende Neil Young te contracteren voor zijn label Elektra, maar er zijn meer kapers op de kust. Ook Ahmet Ertegun van Atlantic is naar Los Angeles gekomen, en Holzman weet ook wel dat Atlantic op dat moment een veel betere reputatie geniet.

Maar Holzman had in datzelfde Los Angeles eerder dat jaar al een band ontdekt: Love, met de flegmatieke voorman Arthur Lee, en daarmee had hij in de toen opbloeiende lokale rockscene het nodige krediet vergaard.

Buffalo Springfield krijgt hij echter niet. Wel gaat hij op aandringen van Arthur Lee kijken bij een ander bandje: The Doors. Of Lee achteraf blij was met dit advies te hebben gegeven valt nog te bezien, want vanaf het moment dat de band van Jim Morrison met Holzman in zee gaat, richt alle aandacht van het label, de pers en het publiek zich op The Doors. Lee is tot aan zijn dood vorig jaar jaloers gebleven op het succes van The Doors.

Holzman valt natuurlijk niks te verwijten. Hij zette zich voor beide bands met evenveel enthousiasme in, en niet alleen voor hen. Holzman zou vanaf 1950 – toen hij Elektra oprichtte omdat hij, na de vervanging van de zware, breekbare 78-toerenplaat door de vinyl-lp, mogelijkheden zag zijn liefde voor audiotechniek en muziek te combineren – tot 1973 maar liefst vijfhonderd lp’s uitbrengen, van honderden bands en artiesten.

Velen zijn al lang vergeten, maar wie de onlangs verschenen box met een vijf cd’s tellende bloemlezing uit de topjaren 1963-1973 van Elektra aanschaft, zal verbaasd zijn over niet alleen de muzikale diversiteit van zijn artiestenstal maar ook over de kwaliteit ervan.

Holzman richtte zich in de eerste jaren van Elektra (in 1950 was hij negentien jaar) vooral op folk, country en blues. Hij had zijn eerste successen met Jean Ritchie en Josh White, maar de Elektra-box Forever Changing gaat aan de eerste dertien jaar van het label voorbij en begint pas wanneer het label met artiesten als Judy Collins, Phil Ochs en Tom Paxton de popmarkt begint te infiltreren.

Holzman laat zich, zo blijkt uit zijn autobiografie Follow The Music uit 1998, vooral drijven door zijn liefde voor muziek en pas daarna volgt hij zijn zakeninstinct. Aanvankelijk zoekt hij het talent bij hem in de buurt in de folkbeweging van Greenwich Village. Fred Neil en Phil Ochs zouden voor hem gaan opnemen, maar uitgerekend op het moment dat in 1963 ene Bob Dylan doorbreekt, verblijft Holzman in Los Angeles.

Los van de Doors, The Stooges en Love zou Tim Buckley zijn grootste ontdekking blijken, maar wat het luisteren van dit uitputtende retrospectief tot zo’n feest maakt is de keur aan onbekende, lang vergeten artiesten die voorbijkomt. Prachtig die originele versie van No Regrets door Tom Rush, mooi die liedjes van Tom Paxton, Harry Chapin, David Ackles en David Blue, en wat opwindend zo’n vergeten stukje Arbeidsvitaminen: Go Back van Crabby Appleton. Los van de chronologie die de eerste vier cd’s volgen is er nog een vijfde cd met curiosa, waaronder een prachtig vergeten liedje uit 1972 van Aztec Two-Step. De cd begint met het geluid van de wind, zoals Holzman dat vastlegde op een van zijn talloze platen met geluidseffecten. Lp’s die, zo wil de legende, gretig aftrek vonden bij de acteur Marlon Brando.

Veel van dergelijke anekdotes uit Holzmans autobiografie zijn overgenomen in de uiterst informatieve, met veel foto’s geïllustreerde liner notes in het cd-boekwerk. En er is ook een luxe-editie van Forever Changing verkrijgbaar, waar een cd-rom is bijgesloten.

Uit het cd-boek wordt niet helemaal duidelijk waarom Holzman zich in 1973 terugtrekt. Hij is dan pas 42 en zal in de entertainmentindustrie nog diverse sleutelposities innemen, maar het nog altijd bestaande Elektra zal zonder zijn supervisie nooit meer hetzelfde zijn.

De nieuwsgierigheid naar hoe het Elektra was vergaan als Holzman nog een paar jaar gebleven was, wordt aangewakkerd door zijn twee laatste ontdekkingen: Jobriath, een zonderlinge nicht die twee platen zou maken die weinig meer zouden opleveren dan dat ze het leven van de dan nog schoolgaande Morrissey op zijn kop zouden zetten. En Queen, die Holzman voor de Verenigde Staten wist te contracteren. Holzman hoorde door de wat obligate hardrock waar de band mee debuteerde onmiddellijk het buitensporige talent van Freddie Mercury.

Van pastorale folk tot de bombast van Queen, het hele muzikale verhaal wordt hier op magistrale wijze verteld. Fascinerend hoe op de derde cd – we zijn dan in ergens eind 1968 – goed valt te horen hoe de popmuziek op dat moment verandert. Er wordt nog steeds mooi gezongen, maar vanuit Detroit komt er met MC5 en Iggy Pops Stooges een heel nieuw smerig klinkend punkrock geluid op, dat bij Holzman onderdak vindt. Dat lijkt te botsten met de lieflijke liedjes van bijvoorbeeld Bread, die er in de box op volgen, maar doet het niet. De enige keer dat je de afstandsbediening grijpt is wanneer Light My Fire van The Doors voorbijkomt. Gewoon, omdat dit nummer zo bekend is dat het al die prachtige uitgegraven fossielen uit tien jaar popgeschiedenis alleen maar ontsiert.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden