Van koeienkont naar klavecimbel Parijs richt een vrijstaat in voor de muziek

De opening van het imposante 'Musée de la musique' in Parijs markeert de slotfase van een utopisch project: er verrijst een 'waarachtige' Muziekstad in het Parc de Villette, waarin ook het Conservatorium, een popcentrum en een gehoorzaal zijn ondergebracht....

TOT IN het Elysee is er ruzie om gemaakt, maar de strijd om de klinkende erfenis van de Revolutie is uiteindelijk gedoofd in afvloeiingsregelingen, complimenten en champagne.

Het Conservatoire national supérieur de musique et de danse de Paris heeft in de nadagen van president Mitterrand afstand moeten doen van zijn wereldbefaamde instrumentenverzameling, waarvan de eerste stukken in 1795 bijeen werden gebracht. Maar het kan er nu naar kijken - bij de overburen aan het Parc de la Villette.

Daar heeft de miljoenencollectie haar plaats gevonden in een nieuw Muziekmuseum of Musée de la musique, waarvan de opening de voorlopige afronding markeert van een utopisch project: het museum is het laatst voltooide deel van de Cité de la musique, de Parijse 'Muziekstad' aan het Parc de Villette, gebouwd naar een ontwerp van de architect Christian de Portzamparc.

Onbetaalbare Stradivari's en Guarneri's, ophicleïdes en oersaxofoons van Adolphe Sax, clavecimbels van de Ruckers-dynastie, kapitale harpen van Saunier - 4500 kostbaarheden, elk met een eigen, soms mysterieuze geschiedenis. Versterkt met de Afrikaanse ivoortrompet en de elektrische Gibson Flying V-gitaar, met het dertiende-eeuwse

leemfluitje en de synthesizer van Frank Zappa, vormen ze een universeel ensemble, een Orkest van het Tweede Millennium.

De negenhonderd representatiefste stukken laten zich in het nieuwe museum vanuit alle hoeken en standen bekijken, in themagroepen, tijdsbeeldcombinaties en droomopstellingen onder een mystery-belichting. Bijbehorende klanken, als de engelenzang van de glasharmonica of de fluistering van de Venetiaanse luit, verneemt de bezoeker als hij dat wil door een persoonlijke radiokoptelefoon met infraroodsturing.

Maquettes, graphics en klinkende muziekfragmenten vertellen in wat voor theaters en in wat voor bezettingen Mozarts Parijse Symfonie, Stravinsky's Sacre, of Kagels Ex-Position in première gingen. Rossini, Saint-Saëns en collega-componisten zien er kritisch op toe vanuit hun grondig afgestofte olieverfportretten van Ary Scheffer en Pierre Constant.

Te studeren valt er in de bibliotheek en het documentatiecentrum. Tingelen mag ook, op kopieën, en in het amphitheater worden op gezette tijden de topstukken bespeeld. Een Stradivari uit elkaar halen kun je, mits voorzien van de juiste aanbevelingen, onder de knie krijgen in het restauratieatelier. Het aankoopbudget is een miljoen gulden per jaar.

Dit museum staat op het punt zich 'in te schrijven in een nieuwe actualiteit' - zoals minister van cultuur Philippe Douste-Blazy het op z'n Parijs uitdrukt. 'Samen met het Conservatorium, het popcentrum Zénith én de Grande Halle is de Cité de la musique nu een grote, waarachtige muziekstad', zegt hij in zijn openingsrede, 'hier heeft iedereen de gelegenheid de muziek op zijn eigen manier te beleven, te doorleven.'

Het klinkt of de bewindsman van het kabinet-Juppé een oude toespraak voorleest van zijn voorganger Jack Lang. Maar het combineren van welzijnspolitieke motieven met Lévi-Strauss-achtige beeldspraken, ontleend aan de filosofie van de écriture, is niet meer voorbehouden aan de socialisten. Ook de rechtsliberalen weten er raad mee. En Jack Lang mag dan in 1983 al gezworen hebben dat 'het muzikale antwoord op het Centre Pompidou' gelegen zou zijn in een nieuw, wijdopen centrum voor klassieke muziek en experimentele muziek, voor jazz, pop, opera, wereldmuziek, voor álle muziek, geïntegreerd met tekst- en beeldinformatie, documentatie en educatie - het neemt niet weg dat ideeën daarover al circuleerden onder Mitterrands voorganger, Giscard d'Estaing.

De reis naar Utopia begint in de metro naar Bobigny. Bij het naderen van de halte Porte de Pantin kristalliseert zich een mensentype uit dat herkenbaar is aan de roffelende pianovinger, of aan de fagotkoffer of de violoncelkist die het op de rug heeft vastgesnoerd. Bovengronds, aan de rand van het Parc de la Villette, begeeft een deel zich naar links in de richting van het nieuwe conservatorium.

Anderen slaan rechtsaf naar het witte gebouw dat eigenlijk geen gebouw is maar een kluwen van gebouwen, en daarom 'stad' heet. Dat is de muziekstad, een urbanisatie onder één dak. De meest naar voren geschoven punt herbergt een groot Café de la musique, maar verder is het complex uitsluitend de muze van de trillende lucht toegewijd.

Ver weg in de uitgestrektheid van het park zijn de nieuwbouwcontouren zichtbaar van het abattoir dat tenonder ging in een van Frankrijks grootste politieke en financiële schandalen, en herrees in een andere bestemming, de Wetenschapsstad of Cité des sciences. Meer naar voren ligt de negentiende-eeuwse, nauwelijks minder reusachtige markthal die tegenwoordig dienst doet als Grande Halle voor theater, exposities en film voor massapubliek.

Van de koeienkont naar het klavecimbel: aan de veehandel herinneren nog de restaurants aan de Avenue Jean Jaurès, met hun grote biefstukken 'voor de kleine trek'. Die hebben een gewijzigde doelgroep; in het Gekroonde Rund zit thans de Amerikaanse componist Elliott Carter, 89 maar nog steeds alive and kicking. Met zijn uitgeefster van Boosey and Hawkes verbeidt hij de première van zijn nieuwe Klarinetconcert. Carter schreef het stuk in opdracht van Pierre Boulez en het Ensemble Intercontemporain, dat zijn twintigjarig jubileum viert met een serie feestconcerten in de Cité de la musique.

De cité werd geopend in januari 1995, door de oude Mitterrand. De champagne werd ontkurkt na een moeizaam bouwproces, dat buiten het beschermende vijfsterrenprogramma van Mitterrands 'grote bouwwerken' viel. De muziekstad raakte jaren achterop door touwtrekkerijen van conservatieve ministers en de socialistische president in de periode van de politieke cohabitation. Mitterrand en zijn staf voor grands travaux hadden het onderdeel 'nieuwe Opéra' al uit het project gehaald en overgeheveld naar de Bastille. De conservatieven zetten de cité nog eens op z'n kop en schrapten de post 'grote concertzaal voor symfonische muziek'.

Voor de muziekstad resteerde vervolgens een bouwbudget van 200 miljoen gulden. Volgens Pierre Boulez en andere voorvechters van het eerste uur een idioot laag bedrag (maar vergelijk het met de Amsterdamse schijnbewegingen rond de IJsbreker, de Westergasfabriek en de IJ-oever, en de ware bekrompenheid zal zich snel openbaren).

Het ideaal van een geïntegreerde vrijstaat voor de muzische mens laat zich intussen wel aan elke centimeter van het citécomplex en zijn inrichting aflezen. Loop langs het Café de la musique en laat de gamelanstudio rechts liggen, dan nader je een hoofdpoort die steeds monumentaler wordt, zonder hinderlijk te imponeren. De buitenstraat wordt binnenstraat, en ook hier is kneuterigheid taboe.

Via die overdekte straat, bijgenaamd Rue musicale, kan de muziekmens meteen rechtsaf buigen, de variabele concertzaal (maximaal 900 bezoekers) passeren, een open videoruimte doorkruisen (zometeen Caribische Nachten), een niet op slot zittende piano inspecteren, een overkapte zijstraat oversteken, het infocentrum betreden, een keuze maken uit een batterij computerschermen, en doorstoten naar het jongste nummer van Música y Educación, dat met het Neue Zeitschrift für Schlagwerk en 34 andere tijdschriften in het gelid staat langs een leeswand, omringd door handboeken en encyclopedieën.

Het is druk aan de beeldschermen. Ze geven de muziekmens onder meer antwoord op de vraag waar hij een tromboneleraar vindt, en wat er in de cité zoal te doen is. Twintig jaar Ensemble Intereigentijds onder leiding van Boulez en David Robertson. Instrumentmaken, voor kinderen, met slotparade. Symfonieorkest Conservatorium. Fluitmuziek uit Iran. Forum over muziek en beeldende kunst. Geweest zijn inmiddels het Flamencofestival, en Bachs Johannes Passion onder leiding van Jos van Veldhoven, met musici uit Jan Nuchelmans' oudemuziekafdeling aan het Parijse Conservatoire.

De vraag of er symboliek zit in de architectuur van het complex wordt beantwoord door de maquette in de Muziekstraat. Een blik van bovenaf wijst uit dat De Portzamparc de concertzaal de ovale vorm heeft gegeven van een muzieknoot, waarvan de stok doorloopt tot in het streepvormige, half gekromde betoncorpus dat het Musée de la musique herbergt. De zijstraat, wijd en trechtervormig beginnend aan de noordzijde, windt zich in spiraalvorm langs het museum en rond de zaal, en lijkt ontleend aan het ondereind van een G-sleutel.

Met de proporties is iets vreemds aan de hand. De binnenstraten zijn breed en torenhoog, maar je bent er zo doorheen - alsof deze cité nog maar eenderde is van wat moet komen.

De zijstraat versmalt zich bij de kromming, en wordt geleidelijk een steeg van de muziek. Een deur aan het eind geeft toegang tot de kantoren van de muziekburgemeester of directeur van de cité, Brigitte Marger.

Ze is 61, voormalig cultureel attaché in Londen, en ex-zakelijk leider van het Ensemble Intercontemporain. Ze bestiert 178 werknemers (50 in het nieuwe museum), en ze besteedt jaarlijks 52 miljoen gulden, waarvan acht miljoen aan artistieke programmering. Die staat tussen haakjes los van de activiteiten in het conservatorium, de Grande Halle en het popcentrum Zenith. Marger vindt het muziekutopia 'nog lang niet compleet': 'Wat mij betreft is dit pas de eerste etappe.'

Het wachten is nog op de grote, goedklinkende concertzaal waar Parijs zo'n behoefte aan heeft, verklaart ze. 'De ruimte is er. Nu nog de wil. Verder zijn onze bibliotheken te klein. We hebben een veel grotere mediatheek nodig. We moeten een nieuw videoarchief opzetten.'

De interactivité scoort zeseneenhalfduizend contacten per maand, zo blijkt, en de cd-rom zuigt meer nieuwsgierigen aan dan ooit werd voorspeld. Marger: 'Dat zijn vaak jonge bezoekers die geen culturele achtergrond hebben, maar wel gewend zijn rond te scharrelen in de nieuwe media. Wat voor publiek zit eraan te komen? En waarom laten sommige bevolkingsgroepen het afweten?'

Een gebouw verder zetelt Hervé Boutry, de zakelijk leider van het Ensemble Intercontemporain - dat verhuisd is van het IRCAM in het Centre Pompidou naar een onderkomen aan de zuidflank van de muziekstad. Hij ziet grote kansen. 'We zijn een beetje exotisch. Dat lokt. Veel mensen raken uitgekeken op de grote klassieke namen.'

De ondergrondse IRCAM-zaal met zijn capaciteit van 300 bezoekers werd te klein voor het ensemble. 'We spelen er nog wel. Stukken met ingewikkelde elektronica. Experimentele programma's met veel premières. In het IRCAM zit een apart, veel meer ingevoerd publiek.'

Zo kan een ensemble rustig op reis gaan door Parijs, mits het zich niet te vaak herhaalt. Het Ensemble Intercontemporain (staatssubsidie: zes miljoen gulden) geeft in Parijs jaarlijks dertig concerten. In de muziekstad, in het IRCAM, maar ook in het Châtelettheater en het Théâtre des Champs Elysées. Het Parijse publiek blijkt niet per definitie de Cité de la musique te verkiezen: 'Elke zaal heeft hier een eigen publiek', constateert Boutry.

Bij de museumentree worden koptelefoons uitgereikt. De muziekmens krijgt Mickey Mouse-oren en kijkt sip, want het wachten is een poosje op de regerende mens.

Maar daar is de minister. In het museumlabyrint met zijn donkere trappen en sprankelende glazen schatkisten buigt hij zich met sierlijke distantie over de musicienne die voor hem de pianoforte organisé (Erard, 1791) bespeelt, een hybride die piano- en orgelklanken voortbrengt. Tevergeefs probeert hij de glasharmonica (1830). Maar waar de pianolavleugel (Aeolian 1890) vierhandig Stravinsky speelt, doet de bewindsman succesvol alsof, en wordt hij een object voor fotografen.

Plotselinge doorkijkjes, vides, verrassende vergezichten van een koperopstelling boven naar Pleyel-vleugels beneden: de architectuur van het museum is bijna even bijzonder als de rariora onder zijn bezittingen. Zoals de wolkvormige altviool (1872) of het martelwerktuig Dactylion uit 1846, met zijn beugels, vingerringen en springveren, voor het uitrekken van de pianistenhand en het bevorderen van het gestaalde tremolo. Sporen van een uitvindersesprit die de bassenbouwer Vuillaume in 1855 zijn waanzinnige, 3,5 meter hoge Octobasse naar de Wereldtentoonstelling deed brengen.

Daarmee vergeleken zijn de instrumentaria die David Robertson, Pierre Boulez en het Ensemble Intercontemporain 's avonds dienen in te zetten voor hun jubileumuitvoeringen van Schoeller, Lachenmann, Kurtág en Elliott Carter, wonderen van behoudzucht.

Het zijn modeluitvoeringen. Het publiek, waaronder de componisten Kaija Saariaho, François Bayle, Wolfgang Rihm en Brian Ferneyhough, klapt ritmisch voor de minzaam dankende Boulez. Vandaag is hij ieders l'homme de la musique.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden