Van kitsch naar 'echte' kunst: het realistische mensbeeld wordt eindelijk serieus genomen

Realistische beeldhouwkunst, dat was lange tijd not done. Maar nu worden levensechte beelden eindelijk beschouwd als echte kunst. In New York is nu een overzicht te zien.

Maurizio Cattelan, Now (2004). Een wassen beeld van president John F. Kennedy in zijn doodskist. Beeld HH / The New York Times

Toen beeldhouwer John Gibson rond 1850 de opdracht kreeg een sculptuur van Venus te maken, besloot hij er een schepje bovenop te doen. De held van het Britse neoclassicisme, maker van talloze gladgepolijste goden en godinnen, gaf de beschermer van de liefde een kleurtje mee. Tinted Venus kreeg rode lippen, blauwe ogen en letterlijk gouden lokken. In haar oren bungelden echte oorbellen. Haar marmeren ledematen schilderde Gibson roomblank.

Het beeld werd een schandaal toen de kunstenaar haar in 1862 onthulde. Critici reageerden geschokt: godenbeelden hoorden afstandelijk en smetteloos wit te zijn; deze ‘vulgaire’ Venus leek eerder een ‘onbeschaamde, naakte Britse’. Waar ging het heen met de kunst als je een godin kon verwarren met een aantrekkelijke buurvrouw?

Ruim een eeuw later was de reactie niet eens heel veel anders toen Duane Hanson, held van de Amerikaanse popart, een groot overzicht had in een museum in Montreal. De maker van talloze goedgelijkende poppen van polyester en fiberglas – serveersters, schoonmakers, bouwvakkers, toeristen ­– kreeg er in The New York Times flink van langs. Zijn beelden waren ‘banaal’ en ‘slecht in elkaar gezet’, aldus de recensent. Het ontbrak aan ‘magie’. Ook de vergelijking met Madame Tussauds werd van stal gehaald. Waar gaat het heen met de kunst als je een museumexpositie kunt verwarren met een wassenbeeldenattractie?

Grenzen

Beelden die te veel op het menselijk lichaam lijken – in de (westerse) kunst gold het lang als verdacht. Was het voor schilderkunst nastrevenswaardig om de werkelijkheid dicht op de huid te zitten, voor beeldhouwkunst zaten er grenzen aan het realisme. Kunst moest een hogere sfeer verbeelden ­– tijdloos, universeel, boven het alledaagse bestaan verheven. En dus diende de beeldhouwkunst zijn plek te kennen.

Maar het bloed stroomt waar het niet gaan kan. Want natuurlijk willen kunstenaars, beeldhouwers voorop, hun materiaal tot leven wekken. En natuurlijk willen toeschouwers zich spiegelen aan het resultaat – niet toevallig waren zowel Tinted Venus als de wassen beelden van Duane Hanson publiekssuccessen.

Dissidenten

Het is het onderwerp van Like Life: Sculpture, Color, and the Body, een indrukwekkende tentoonstelling in Met Breuer – een must see voor iedereen die de komende maanden New York bezoekt. In deze dependance van het beroemde Metropolitan Museum zijn zo’n 120 werken bijeengebracht, van de 14de eeuw tot nu (met bruiklenen uit nationale en internationale musea en privécollecties), die proberen het menselijk lichaam zo echt, levend en aanwezig mogelijk na te bootsen. Beelden met kleren aan. Met echt haar, echte tanden, echte botten. Met bewegende armen en benen. Of een bewegende borstkas.

Dissidenten zijn het. Sculpturen die zich verzetten tegen de heersende opvattingen. Die van de kerk allereerst, lang de grootste opdrachtgever, die de (vaak ongeletterde) gelovigen met visuele pracht eerbied wilde bijbrengen voor het lijden van Christus. Maar die ook beducht was voor te veel overtuigingskracht. Beelden moesten natuurlijk niet om de verkéérde reden worden aanbeden. Wat moest de Kerk denken van de hevig bloedende, en met zijn billen in een bevallige pose gedraaide Christus bij de Kolom (1754) van Ignaz Günther? Of van Juan Martinez Montañés’ Johannes de Doper (1620), die met zijn geprononceerde spieren, knappe gezicht en modieuze sikje in niets lijkt op de uitgemergelde kluizenaar, maar eerder op een 17de-eeuwse Arie Boomsma?

Duo's en dialogen

Daarna predikte het neoclassicisme dat beelden niet al te realistisch, maar wit, tijdloos en van een geïdealiseerde schoonheid moesten zijn. In navolging van de Griekse marmeren sculpturen, waarvan men geloofde (of hardnekkig bleef volhouden) dat ze nooit beschilderd waren geweest. En toen de invloed van kerk en neoclassicisme zo goed als weggeëbd was, waren het de hoeders van de goede smaak die hyperrealisme in de ban deden. Realisme was het terrein van kitsch, folklore, heiligenverering, bijgeloof, volksvermaak, effectbejag. Daar diende serieuze kunst zich verre van te houden.

Maar de kunst zou de kunst niet zijn als niet toch ergens een achterdeur werd opengezet. In Like Life zijn de werken die daardoor naar binnen slopen te zien:  een doodsmasker met haren, een sculptuur met een echt skelet erin (naar de wens van de voormalige bezitter), een Christusfiguur met beweegbare armen (handig bij processies), een levensechte slapende vrouw wier borst op en neer gaat (topattractie voor mannen op 18de-eeuwse kermissen). En daarnaast het werk  van kunstenaars die zich daardoor lieten inspireren. Het levert mooie duo’s en dialogen op. Jeff Koons’ uitvergroting van kitsch, zijn gigantische porseleinen Michael Jackson en Bubbles (1988), naast een van zijn inspiratiebronnen, een glimmend 18de-eeuws Meissen-tafelstuk. Maurizio Cattelans Now (2004), een wassen beeld van wijlen president John F. Kennedy in zijn doodskist, naast Gregorio Fernandez’ 17de-eeuwse liggende Dode Christus.

Reproductie (1989) van Sleeping Beauty (1765) door Philippe Curtius. Beeld Madame Tussauds, Londen

Warme belangstelling

Met de waardering voor het realistische mensbeeld in de kunst is het intussen helemaal goed gekomen – niet alleen bij het publiek, ook bij tentoonstellingmakers. Figuratieve beeldhouwkunst mag zich al tijden in warme belangstelling verheugen, antropomorfe beelden voorop – kijk maar naar de tentoonstelling Hyperrealisme die nu te zien is in de Kunsthal in Rotterdam. De schok van de herkenning, de verbazing over het zo echt gemaakte, de mogelijkheid tot onbeschaamd voyeurisme en, in dit reality- en selfie-tijdgewricht, misschien ook een blik in de spiegel – het zal er allemaal toe hebben bijdragen.

Het staat natuurlijk ook beter op Instagram. Gezellig in Museum Voorlinden op de foto met Ron Muecks uit de kluiten gewassen Couple Under an Umbrella. Toch net even aansprekender dan een kiekje met een blauwe kubus.

Het werk en de inspiratiebron

Duane Hanson: Housepainter II (1984) versus kopie naar Polykleitos: Hermes (1ste of 2de eeuw na Chr.)

Nee, het is geen toeval dat de tentoonstelling Like Life opent met Duane Hansons’ Huisschilder II (1984), het beeld van een donkere man die een bruine muur wit saust, zijn lichaam in een klassieke contraposto (met het gewicht op één been en de schouders tegengesteld gedraaid aan de heupen). Wie daarvandaan alvast schuin naar de eerste zaal gluurt, ziet daar zijn voorbeelden/tegenpolen staan: Griekse en Romeinse beelden in diezelfde houding, maar dan van spierwit marmer.

Van de Renaissance tot de 19de eeuw was dit het ideaal: monochrome marmeren beelden. Tijdens het neoclassicisme werd kleur ‘niet puur’ geacht, zelfs al kwam men er toen achter dat Griekse en Romeinse beelden wel degelijk beschilderd waren. Die overtuiging liep parallel aan imperialistische ideeën over menselijke schoonheid, ras en huidskleur. Hansons Huisschilder is een stille maar grootse hint naar het treurige feit dat er binnen de westerse kunstgeschiedenis eeuwenlang geen plek was voor het gekleurde lichaam.

Polykletos, Hermes. Beeld Metropolitan Museum of Art
Housepainter II, 1984.

Het ultieme relikwie

School rond Giovanni di Bartolo: ‘Auto-ikoon’ van Jeremy Bentham (1832) versus Marc Quinn: Self (1991).

Komt een beeld van een mens dichterbij die mens als het onderdelen van die mens bevat? In de Middeleeuwen vond men van wel, als het relikwieën betrof. Reliekhouders, hoe prachtig uitgewerkt ook in de vorm van armen, benen of hoofden, waren slechts het omhulsel van waar het werkelijk om ging: een schedel van een heilige, een bot, een tand. Maar in 1832 werd vreemd opgekeken toen de Engelse filosoof Jeremy Bentham zijn lichaam na zijn dood liet ‘opzetten’, als een seculiere reliekhouder. Gehuld in zijn kleding en met behoud van zijn skelet, opdat hij ook na zijn dood kon aanzitten bij zijn volgelingen. Nog meer ophef veroorzaakte Marc Quinns kunstwerk Self (1991), het hoofd van de kunstenaar gegoten uit 5 liter van zijn eigen bloed, bevroren. Een portret dat niet de eeuwigheid maar de beperkte houdbaarheid van het eigen ik viert: trek de stekker uit de koelvitrine en van Quinns zelfbeeld resteert alleen een rood plasje.

'Auto-ikoon' van Jeremy Bentham, 1832. Beeld UCL Culture, Londen
Self, 1991. Beeld Marc Quinn Studio

Wat zich in Maria verbergt

Schrijn-madonna (circa 1300) versus Damien Hirst: Virgin (exposed) (2005).

Schrijn-madonna’s herinnerden gelovigen aan het wonder van de incarnatie, God die mens is geworden in de persoon van Jezus. Het waren een soort spirituele anatomische modellen. Sloot je het beeld dan zag je de Maagd Maria die het kindje Jezus de borst geeft. Opende je het beeld, dan veranderde haar buikholte in een altaarstuk, met daarin de Drie-eenheid (waarvan alleen God de Vader resteert, de duif en de gekruisigde Christus gingen verloren). Damien Hirsts Virgin (exposed) is gemodelleerd naar anatomische modellen en naar Edgar Degas’ beroemde bronzen beeldje van een jonge balletdanseres. Maar verwijst bovenal naar het wonder van Maria’s Onbevlekte Ontvangenis.

Schrijn-madonna, 1300. Beeld MET Museum
Virgin (exposed), 2005. Beeld HH

Gepijnigd doch erotisch

Reza Aramesh: Action 105: An Israeli soldier points his gun at the Palestinian youth asked to strip down as he stands at a military checkpoint along the separation barrier at the entrance of Bethlehem, March 2006 (2017) versus Alonso Berruguete: Heilige Sebastiaan (midden 16de eeuw).

Het hoopje kleren aan zijn voeten verraadt hem. En zijn boxershort natuurlijk. Voor het overige zou de jongen met zijn handen op de rug – door Reza Aramesh uit lindehout gesneden en met hoogglans gepolychromeerd– prima kunnen doorgaan voor een vastgebonden Christus of een christelijke martelaar, zoals Sebastiaan. De met pijlen doorzeefde heilige hangt even verderop: kwetsbaar, met gepijnigde blik, maar, zoals vaker bij afbeeldingen van Sebastiaan, ook erotisch. Net als de boxershortjongen. Die blijkt in werkelijkheid een Palestijnse jongen, die zich moest uitkleden terwijl een Israëlische soldaat hem onder schot hield bij een militaire controlepost bij Bethlehem. Hij is onderdeel van een beeldenreeks waarin Aramesh geweld en vernedering in conflictgebieden uitbeeldt, van Korea tot Algerije. Steeds met referenties naar christelijke beeldtaal.

Heilige Sebastiaan, midden 16e eeuw.
Action 105, 2017. Beeld Leila Heller Gallery

Louise Adele

Het verlangen een beminde pop, mannequin of beeld tot leven te wekken, zoals in de mythe van beeldhouwer Pygmalion, straalt van diverse kunstwerken op de tentoonstelling Like Life af. Maar nergens zo hartverscheurend als in de reeks bustes die de New Yorkse weduwnaar Charles Gould in 1893 van zijn vrouw Louise Adele liet maken – ze overleed toen ze 26 was. Een specifiek marmeren beeld ving volgens Gould precies ‘de meisjesachtige eenvoud en lieflijkheid’ van zijn Adele. Toch vroeg hij de maker Saint-Goudens de buste opnieuw te maken, nu in gekleurde zachte was, om haar nog meer tot leven te brengen. 

Wassen beeld van Louise Adele, 1883.
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.