Boekrecensie een vrouw in de poolnacht

Van huisvrouw tot poolavonturier: het wonderbaarlijke verhaal van de eerste Europese vrouw op de Noordpool (vier sterren)

In 1934 is Christiane Ritter de eerste Europese vrouw die overwintert op het noordelijkste puntje van de wereld. Haar dagboek, dat ze ook met bevroren vingers bijhoudt, is een non-fictieklassieker geworden. 

Beeld Claudie de Cleen

‘Laat de boel de boel en kom naar de Noordpool’, schrijft de echtgenoot van de Oostenrijkse Christiane Ritter (1898-2000) in de zomer van 1934. Hij is een onderzoeker en Spitsbergenfanaat en wil haar overhalen om zich voor een jaar bij hem te voegen in het Hoge Noorden. Zij vreest vooral de kou en de eenzaamheid, maar dat is nergens voor nodig, sust Hermann Ritter in een volgende brief: ‘Al te eenzaam zal het niet voor je worden, want in de westhoek van de kust, ongeveer negentig kilometer verderop, woont nog een jager, een oude Zweed. Hem kunnen we in het voorjaar, als het licht terugkomt en de zee en de fjorden dichtgevroren zijn, een keer gaan opzoeken.’

Als de trein zich in beweging zet, laat Christiane haar ouders, broers, zussen, kokkin, tuinman en wasvrouw op het perron achter. Ze zal de eerste Europese vrouw worden die overwintert op het noordelijkste puntje van de wereld. Eenmaal aangekomen wordt ze er voor gek verklaard. Een vrouw op de Noordpool? Onmogelijk! Roekeloos! ‘Spitsbergen is een prachtig oord’, zwijmelt een andere avonturier. ‘Het is een afschuwelijk oord’, denkt ze in stilte, uitkijkend over de noordkust die grijs, kaal en stenig is, een woest beeld van dood en verval.

En laat dit nou net de kust zijn waaraan ze een jaar zullen verblijven en hun jagershut staat, ‘een stipje in de mist, als een heel kleine aangespoelde kist’. Hierin houdt de 36-jarige Christiane Ritter, ook met bevroren vingers, haar dagboek bij dat de basis vormt voor de non-fictieklassieker Een vrouw in de poolnacht. Meer dan een half miljoen exemplaren zijn er sinds 1938 van verkocht, maar pas nu verschijnt de Nederlandse vertaling. Met humor en een scherp observatievermogen laveert ze vaardig tussen prachtige beschrijvingen van een onontgonnen land van steen en ijs, en haar verbazing over het (over)leven op de Noordpool, haar verwilderde man en over het huishouden in een zwartgeblakerde jagershut.

Haar tijdloze populariteit hangt samen met haar transformatie van huisvrouw tot poolavonturier en haar gave om het lijden onder barre omstandigheden in volle glorie te beschrijven (je krijgt het er al lezend koud van) terwijl ze tegelijkertijd het verlangen weet op te roepen om zo’n grootse ervaring zelf ook te willen meemaken.

In het begin van haar pooltijd leeft ze nog in twee werelden. Ze schrobt de hut koortsig met kokend zeepwater, probeert het binnen gezellig te maken en heeft medelijden met de pooldieren die haar man en zijn Noorse kompaan, die ze steevast ‘moordenaars’ noemt, schieten en villen. Tot grote woede van haar man bevrijdt ze een poolvos uit een vossenklem en weigert een beer te schieten als dat nodig mocht zijn en zou daarvoor in de plaats ‘een schaaltje honing voor hem neerzetten’.

Maar al snel komt ze erachter hoezeer vers vlees op de Noordpool van levensbelang is, in het gevecht om voldoende vitamines binnen te krijgen om scheurbuik te voorkomen, en ze begint haar kookkusten lustig te botvieren op zeehonden die ‘als een geschenk van een goede fee nooit opraken’.

Met de tijd begint haar hele wezen verder te verschuiven en haar Europese zorgen worden Arctische zorgen. Zullen er genoeg vossen en beren gevangen worden? Komt het pakijs, de ijsschotsen die traditioneel voor veel zeehonden en beren zorgen, wel of niet? Na een onbarmhartige sneeuwstorm waarin ze weken achter elkaar alleen in de hut zit omdat de jagers op pad zijn, beseft ze dat ze ‘de lange poolnacht, de stormen en de vernietiging van de menselijke trots’ moest hebben meegemaakt om ‘het geheim van de Noordpool’ te onthullen: de menselijke nederigheid tegenover de onverbiddelijke natuur.

Maar hoe bar en boos het ook wordt, ze houdt stand, klinkt nooit verongelijkt of vervuld van zelfmedelijden en het is dan ook niet haar laconieke echtgenoot, maar haar eigen nuchterheid en doorzettingsvermogen die haar door de buitentemperaturen van min 40 en vier maanden durende duisternis heen loodsen.

Als de zon in het voorjaar eindelijk weer boven de horizon uit piept, is Christiane Ritter in extase: ‘De zon in het noorden wordt koperrood en er hangt die eigenaardige sfeer die alleen voorkomt in het noorden en in de ijszee – dat ondefinieerbare tussen dag en nacht, tussen licht en donker, dat uitgedoofd-zijn van alle kleuren en vormen.’

In augustus, een jaar later, breekt het moment van vertrek aan, maar nu wil ze niet meer weg. Volgens de jagers is zij ‘Spitsbergengek’ geworden, net als haar man, die lijdt aan dezelfde aandoening van iemand die niet meer los komt van de Noordpool. Laat het wervelend beschrijven van deze gemoedstoestand maar aan Christiane Ritter over: ‘Een onbedwingbaar verlangen naar de verte maakte zich van ons meester. Verder, steeds verder naar Arctische landen en eilanden in het ijs, naar bevroren aarde die er nog bij ligt zoals God haar heeft geschapen. Vergeten is Europa en alles wat ons daarmee verbindt. Het is een ongekend, tomeloos verlangen, dat sterker is dan het verstand en de herinnering.’

Christiane Ritter: Een vrouw in de poolnacht

Uit het Duits vertaald door Elly Schippers.

Querido Fosfor; 224 pagina’s; € 20,-

Op allerlei manieren over boeken schrijven, daar is de boekenredactie van de Volkskrant de hele dag mee bezig. Maar hoe kiezen zij welke boeken uit het enorme aanbod worden behandeld, en hoe bepaal je wat goed en slecht is? Boekenchef Wilma de Rek: ‘Een roman is goed als je erin wilt blijven wonen.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.