BeschouwingSchrijvers in hun werkkamer

Van het kastje naar de muur: de reis van schrijvers door hun kamer

Als iemand weet hoe het is om de hele dag thuis te zitten, zijn het schrijvers wel. In de serie Reis door mijn kamer nemen ze ons vanaf vandaag mee op hun (geestelijke) omzwervingen door de werkkamer.  

Beeld Tzenko

‘De meesten van ons leveren het beste werk op een eigen plek’, schrijft Stephen King in Over leven en schrijven. ‘De ruimte mag bescheiden zijn (waarschijnlijk is dat zelfs beter) en moet maar één ding echt hebben: een deur die je graag dichtdoet. Die dichte deur is jouw manier om tegen de wereld en jezelf te zeggen dat het je menens is; je hebt je serieus voorgenomen te gaan schrijven en dat ga je nu doen ook.’

Er zijn mensen voor wie ‘in quarantaine zijn’ niets bijzonders is. Die allang weten hoe het voelt een lange (werk)dag te slijten tussen de vier muren van het huis, starend naar een uitzicht waarvan alleen de kleur verandert, als de witte strepen die de prille lentezon op hun boekenkast werpt langzaam goud worden, dan rood en tot slot uitdoven, wanneer de dag zijn einde nadert en hun neus hen op de muffe feiten drukt: zes uur alweer, verdomme, en nog steeds niet gedoucht. 

Het woord ‘ochtendspits’ zegt die mensen niets, de kantoortuin kennen ze niet, nooit zien ze de achterlichtjes van de intercity die ze zojuist hebben gemist, sowieso zien ze niet zo heel veel meer dan hun handen met een toetsenbord eronder en een scherm waarop almaar nieuwe letters verschijnen. En dus die steeds van kleur veranderende boekenkast.

Het zijn de schrijvers. Schrijvers zijn thuiswerkers bij uitstek, tegenwoordig dan – vroeger verrichtten ze hun eenzame arbeid nog weleens in een café, zoals Ernest Hemingway beschrijft in A Moveable Feast (1964), over zijn Parijse jaren twintig: ‘Het was een aangenaam café, warm en schoon en vriendelijk, en ik hing mijn oude regenjas aan de kapstok om te drogen, ik legde mijn afgedragen en versleten vilten hoed op het rek boven de bank en ik bestelde een café au lait. De ober bracht die en ik haalde een notitieboekje en een potlood tevoorschijn en ik begon te schrijven. Ik schreef over vroeger in Michigan en aangezien het een woeste, koude en winderige dag was, was het in het verhaal ook zo’n dag.’

Dat Parijse café, als het al heeft bestaan, is nu potdicht. ‘De stad is volledig verlaten’, mailt een medewerker van de boekenredactie die in Parijs woont. ‘Er zijn alleen daklozen op straat en krankzinnigen.’ Hier is de bewegingsvrijheid wat groter, maar ook in Nederland kun je niet meer naar het café, niet meer naar het restaurant en in de meeste gevallen niet meer naar kantoor. Iedereen werkt thuis; reizen doe je alleen nog van het kastje naar de muur. Saaaaaaiiii.

Hoewel?

Uit Reis door mijn kamer (1794) van de Franse schrijver Xavier de Maistre, een verslag van 42 dagen in zijn werkkamer.

Onafgebroken plezier

In 1794 verscheen het beroemd geworden boek Reis door mijn kamer van de Franse schrijver Xavier de Maistre (in 1984 reisde Maarten Biesheuvel hem na voor een gelijknamig kort verhaal). Het is een parodie op de grote reisverhalen uit die tijd en doet verslag van de 42 dagen die De Maistre in zijn kamer doorbracht en waarin hij ‘onafgebroken plezier’ beleefde. Meer dan een kamertje waar je je kunt terugtrekken en je voor alles en iedereen kunt verbergen heeft een mens immers niet nodig om gelukkig te zijn, schrijft De Maistre – waarbij we ons wel moeten realiseren dat zijn ‘kamertje’ groot genoeg was om bezoek te ontvangen én dat het beschikte over een fijne open haard, want dat mocht toen nog. Bovendien lag de kamer niet in het bloederige Frankrijk van net na de Revolutie, waar ze je elk moment konden onthoofden, maar in Turijn; vanwege een duel zat hij daar ruim een maand opgesloten. Zijn kamer was niet zomaar een prettige plek, maar echt een toevluchtsoord.

De Maistre begint zijn reis met een beschrijving van de kamer in kwestie, gelegen op de vijfenveertigste breedtegraad, met de vorm van een langwerpige rechthoek en een omtrek van zesendertig passen, ‘als je vlak langs de muur loopt. Mijn reis zal echter meer passen beslaan, want ik zal vaak lopen ijsberen, op en neer of diagonaal, zonder enige regel of methode.’ Hij roemt de meubels die in de kamer staan, te beginnen met de leunstoel. ‘Wat een voortreffelijk meubelstuk is het toch, een leunstoel, en vooral uiterst nuttig voor de mijmerende mens. Op lange winteravonden is het soms heerlijk en altijd verstandig je er gerieflijk in neer te vlijen, ver van het misbaar van drukke bijeenkomsten. Een goed vuur, boeken en pennen, wat een prachtige middelen tegen de verveling!’

Beeld Tzenko

Minstens zo blij is hij met het behaaglijke bed. ‘Bestaat er een toneel dat meer stof oplevert voor de verbeelding, dat tederder gedachten opwekt dan het meubel waarin ik me soms laat gaan? (...) Een bed ziet ons geboren worden en ziet ons doodgaan; het is een wisselend toneel waar het mensdom beurtelings boeiende drama’s, lachwekkende kluchten en afschuwelijke treurspelen opvoert. – Het is een met bloemen versierde wieg; – het is de troon der liefde; – het is een graf.’ 

Overigens schrijft De Maistre lang niet alleen over zijn meubels en andere spulletjes, want zijn lichaam mag dan in quarantaine zijn, zijn geest is dat niet: ‘Vrolijk leveren wij ons over aan onze verbeelding en volgen haar overal waar zij ons brengen wil.’

Zo is het maar net. Fysieke bewegingsvrijheid kan worden beperkt, maar de verbeeldingskracht van de mens kent geen grenzen. Ons lijf kunnen ze opsluiten, onze geest niet. Zou je het nog sterker kunnen stellen: hoe opgeslotener het lijf, hoe vrijer de geest? ‘Vergeet niet dat Shakespeare King Lear schreef terwijl hij in quarantaine was vanwege de pest’, zong het afgelopen week rond op Twitter.

De twitteraars hadden ook Blaise Pascal erin kunnen gooien, de 17de-eeuwse Franse filosoof en wiskundige die ruim een eeuw na de geboorte van Shakespeare deze interessante gedachte noteerde: ‘De keren dat ik me ertoe zette na te denken over de veelsoortige en drukke activiteit van de mensen en de gevaren en moeilijkheden waaraan ze zich blootstellen (...) heb ik vaak gezegd dat alle ellende van de mensen maar één oorzaak heeft: namelijk dat zij niet in staat zijn rustig in een kamer te blijven.’

Pascal schrijft dat in zijn Pensées (1667), in het hoofdstuk dat gewijd is aan de verstrooiing. Maar hij relativeert zijn eigen gedachte meteen. De mens veroorzaakt inderdaad een hoop ellende door niet rustig in zijn kamer te blijven; maar dát hij niet in zijn kamer blijft, is tegelijkertijd volstrekt begrijpelijk, want ‘wij zijn door onze zwakke en sterfelijke toestand van nature ongelukkig’: zo ellendig dat ‘als we er goed over nadenken, niets ons kan troosten’. 

Beeld Tzenko

Dus hebben we afleiding nodig, volgens Pascal, verstrooiing in de vorm van ‘het spel, de jacht, een fascinerend schouwspel’ (vertaald naar onze tijden: voetballen, achter de jongens/meiden aan, naar het theater/de bioscoop, wielrennen kijken, kortom: alles wat nu niet meer kan) om niet gillend gek te worden. Om niet te vervallen tot gedachten aan ‘dreigende gevaren, aan dood en aan ziekten die niet te vermijden zijn.’ Vandaar dat de mensen zo van rumoer en beweging houden, schrijft Pascal; ‘vandaar dat de gevangenis zo’n vreselijke straf is en de vreugde der eenzaamheid iets onbegrijpelijks’.

Rituelen

Waarmee we weer terug zijn bij de schrijver in zijn kleverige ochtendjas, opgesloten in zijn kamer, met geen ander gereedschap dan het eigen hoofd; een onmogelijke toestand. De mens is immers een sociaal wezen, een kuddedier, niet gebouwd op totale eenzaamheid en afzondering. Dat dat ook voor schrijvers geldt, kun je zien aan het enthousiasme waarmee veel van hen zich op  Twitter, Facebook of Instagram storten. Daarnaast zoeken ze houvast in strakke structuren en rituelen. De een pint zichzelf vast op een dagelijks aantal te schrijven woorden, de ander op een vast aantal werkuren; bijna nooit rommelen ze maar wat aan.

Een jaar geleden begonnen we in ons katern Boeken&Wetenschap met de interviewserie ‘Achter het boek’, waarin een schrijver wordt geïnterviewd over de kunst van het schrijven. Daarbij komen ook de omstandigheden waaronder het boek is geschreven ter sprake. Schrijver Jan Brokken staat ’s ochtends op, zet een koptelefoon op en begint te tikken: ‘Ik zie alleen nog de hemel door het raam.’ Zijn Italiaanse collega Sandro Veronesi doet het heel anders, die werkt het liefst in de woonkamer, op de bank tussen de kinderen. Als hij op zijn studeerkamer zou zitten, zou hij door niemand worden gestoord – maar storen is juist inspiratie voor hem: ‘Een woord uit de mond van een kind of van de tv blijkt precies het woord dat ik zocht, en belandt op mijn pagina.’

Beeld Tzenko

Veel mooie schrijversrituelen staan beschreven in het in 2013 verschenen Daily Rituals van Mason Currey. In 2015 verscheen het in Nederlandse vertaling, aangevuld met bijdragen van Volkskrant Magazine-columnist Eva Hoeke, die het boek aftrapt met een beschrijving van haar eigen thuiswerkritueel. ‘Krant lezen, mail doen, thee zetten, poes aaien, filmpje kijken, Twitter checken, zinnetje tikken, zinnetje schrappen, nog een filmpje, nog wat peinzen, was in de trommel, blik op oneindig, ga nou begínnen – zo ongeveer ziet mijn gemiddelde werkdag eruit’, schreef Hoeke (toen duidelijk nog niet in het bezit van kleine kindjes).

Honoré de Balzac (1799-1850) ging elke avond rond 7 uur ’s avonds slapen, stond om 1 uur ’s nachts op, schreef tot 8 uur ’s ochtends, ging dan anderhalf uur slapen en zette zich daarna weer aan het werk. Charles Dickens (1812-1870) werkte aan een tafel waarop alles netjes gerangschikt moest zijn: de pennen en het potje blauwe inkt naast een vaas met verse bloemen, op een verguld blad met daarop een zittend konijn en twee kleine bronzen beelden. Stipt om 2 uur stond hij op voor een stevige wandeling van drie uur door de Londense straten. Veel schrijvers wisselen het schrijven af met wandelen, de effectiefste manier om het hoofd weer te laten volstromen met nieuwe ingevingen en verse zinnen.

Maar uiteindelijk wacht altijd weer de kamer. Die afgesloten ruimte waar alles moet gebeuren, met vier muren waar je niet tegenop moet vliegen; de soms kleine, soms grote maar altijd begrensde ruimte waartoe we opeens massaal zijn veroordeeld. Het wordt nog een hele klus het de komende weken een beetje leuk te houden in die kamers. Gelukkig weten de schrijvers hoe dat moet. De komende weken pakken ze ons bij de hand en nemen ons mee, op reis door hun kamer. 

Xavier de Maistre: Reis door mijn kamer, vertaald door P. de Bruin. Stichting Voetnoot (1995).

Blaise Pascal: Gedachten, vertaald uit het Frans door Frank de Graaff. Boom (1997).

Mason Currey: Dagelijkse rituelen, vertaald uit het Engels door Louise Koopman. Maven Publishing (2015).

Ruimte en rituelen

Dit is deel 1 van de serie Reis door mijn kamer, waarin schrijvers vertellen over de ruimte waarin ze werken en de rituelen die ze daarbij hanteren. Vrijdag de reis van Nicolien Mizee (1965), auteur van onder meer Moord op de moestuin, Toen kwam moeder met een mes en Faxen aan Ger. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden