Van Gogh was gek op de Japanse klare lijn maar bleef zelf een Hollandse zenuwpees

De Parijse vormgever Nathalie Crinière koos voor een elegante inrichting met witte banieren

Bezoekers bekijken L'Arlésienne (1888) in het Van Gogh Museum. Beeld anp

Een van de mooiste vondsten van Van Gogh & Japan, de voortreffelijke thema-tentoonstelling in het Van Gogh Museum, is de greep uit Van Goghs collectie Japanse prenten aan het slot. Het zijn er tientallen, opgeprikt zoals de schilder dat destijds ‘op kot’ in Antwerpen en Auvers zelf deed, en ze zijn nog altijd indrukwekkend. Je kunt je voorstellen wat een vreemde bloemen het toen waren, hoe exotisch en bedwelmend, zeker in Van Goghs grauwe pissebeddenbestaan. Vrijblijvend kijkadvies: start uw bezoek aan de expositie bovenin en begin pas daarna bij het begin.

De grootste verdienste van deze tentoonstelling is dat ze je enthousiast maakt voor een stukje kunstgeschiedenis dat je bekend veronderstelde: Van Gogh en de Japanners, wat hij van ze opstak enzo. Deze beïnvloeding was, een drietal vingeroefeningen naar Hiroshige daargelaten, allesbehalve één op één. Van Gogh was een fanatiek verzamelaar van de Japanners, idealiseerde ze en hemelde ze op, maar wanneer hij schilderde, bleef hij die Hollandse zenuwpees: ongedurig en gezegend met een tekenhand die weliswaar gestaag won aan trefzekerheid, maar nog altijd mijlenver verwijderd was van de klare lijn der Oosterlingen. Een Hokusai was hij zeker niet. Op z’n best nam hij stijlkenmerken van zo’n meester over.

Wanneer de ene kunstenaar is beïnvloed door de andere is het voor conservatoren verleidelijk om voorbeeld en navolger naast elkaar te zetten, het zogenaamde ‘dubbele dia-syndroom’. De initiators van deze tentoonstelling, Nienke Bakker en Louis van Tilborgh, zijn niet voor deze verleiding bezweken. Van Gogh & Japan, elegant ingericht (witte banieren als Japanse rolschilderingen et cetera) door de Parijse vormgever Nathalie Crinière, is het tegenovergestelde van didactisch. Door verwante werken (verhoogd perspectief, decoratieve achtergrond, bloemen, rotsen) wel in elkaars nabijheid maar niet zij aan zij te tonen, draagt de tentoonstelling haar kennis licht. Het is geen les. Je mag het allemaal zelf ontdekken.

Er zíjn dingen te ontdekken hier. Mij was bijvoorbeeld nooit zo opgevallen hoezeer de achtergronden van Van Gogh portretten uit Arles overeenkomen met die van de Japanse houtsneden; hoezeer het florale motief achter die kribbige Mevrouw Roulin (De Wiegster) lijkt op de koekoeksbloemen op een prent van Kunichika; de geel en oranje kleurvlakken achter Roulin junior een afgeleide zijn van die op een prent van diezelfde maker. Had Van Gogh zulke achtergronden ook geschilderd zonder zijn Japanse voorbeelden? Zou kunnen. Maar aannemelijk lijkt het niet.

Bovengenoemde bruiklenen zijn trouwens zeer prestigieus, al ga je daar makkelijk aan voorbij. Werken als Van Goghs zelfportret als Japanse bonze (Cambridge MA) of zijn portret van Augustine Roulin (Chicago) zijn de laatste decennia dermate gretig gereproduceerd dat ze meer aanvoelen als goede buren dan als verre vrienden – een bedrieglijk gevoel. Aan hun aanwezigheid ging jaren van intensieve  onderhandelen vooraf. Dat men ze afgezien van een enkel werk (Portret van père Tanguy uit Musée Rodin) allemaal naar Amsterdam kreeg, is een prestatie van formaat.

Van Gogh & Japan, Van Gogh Museum, Amsterdam, t/m 24/6.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.