SpecialBeeldende Kunst Prijs

Van flikkerende tl-buizen tot zwetend keramiek: dit zijn de kanshebbers voor de Volkskrant Beeldende Kunst Prijs

Komend weekend opent in het Stedelijk Museum Schiedam de dertiende aflevering van de Volkskrant Beeldende Kunst Prijs. Dit zijn de vijf genomineerde kunstenaars. 

Beeld Guido de Boer

Philip Vermeulen

Boem BOem. Flap Flap. More Moiré. Philip Vermeulen houdt van ritmische titels die verwijzen naar ritmische beelden en geluiden. In het eerste geval: een paar honderd knalgeelgroene tennisballen die met een snelheid van 150 kilometer per uur worden afgevuurd. In het tweede geval een scherm van 90 vierkante meter dat op een neer flapt als een tentdoek in de wind. De derde titel verwijst naar metershoge en metersbrede repen stof die in lagen over elkaar worden geschoven om het bekende moiré-effect te krijgen.

Vermeulen, 33, studeerde onder meer op de afdeling ArtScience aan de Koninklijke Academie in Den Haag. Dankzij een uit de hand gelopen, maar tijdelijk drugsgebruik ontstond zijn liefde voor psychedelica en hallucinerende beelden. De interesse voor techniek kwam daarbij, maar wel op zijn eigen improviserende, aanklooiende manier. Hoewel: de installatie More Moiré van zo’n 5 meter hoog en 20 meter lang is te groot om à l’improviste in elkaar te knutselen. Het geheel doet denken aan een ovaalvormige Panorama Mesdag. Een gigantische 3D-schildering, maar dan van fijn, open geweven textiel die over elkaar schuivend een hallucinerend effect krijgt. Het werk zal vanaf 21 februari voor een week in het Stedelijk Museum Amsterdam te zien zijn en later dit jaar in kunstenaarsinitiatief W139, ook in Amsterdam.

De zintuigen verwarren, dat is wat Vermeulen wil. Hij mag het daarbij graag hebben over de kleursensaties in de schilderijen van Mark Rothko. En de verbazingwekkende lichtvlakken-als-sculpturen van James Turrell. Iets minder bekend, maar wel zo zinnenprikkelend en ontregelend: Kurt Hentschläger. De Oostenrijker drijft de kijker en luisteraar met zijn stroboscopische beelden en elektronica tot de grenzen van het verdraagbare. En ja, natuurlijk heeft Vermeulen iets met de ronddraaiende, piepende, knarsende, schurende en wat viezige werken van Zoro Feigl en Oscar Peters, zijn geestelijke bentgenoten.

Vermeulen is nu tweeënhalf jaar bezig. En hij zoekt net als Hentschläger, graag de grenzen op. Tot zover dat je trommelvliezen suizen en je netvlies een slagveld is. Bij More Moiré sta je in het midden van een donkere ruimte waarin het licht langzaam opdoemt, in kracht toeneemt en daarna ontaardt in een orgie van hyperkleuren, terwijl ventilatoren onder je tegen elkaar indraaien en de ogen vat proberen te krijgen op bewegende moiré-effecten.

Om kort te gaan: hij is op zoek naar de gekte, zoals hij het zelf graag omschrijft. Of: wil de perceptie de nek omdraaien. Of: speelt met de geest.

Wat Vermeulen als genomineerde van de Volkskrant Beeldende Kunst Prijs in het Stedelijk Museum Schiedam wil laten zien? TLLLLLLLT. Ook weer zo’n donderse ritmetitel. In dit geval gaat het om een kleine tachtig ouderwetse tl-buizen. U weet wel, van het oude type dat nog zo mooi kan flikkeren en daarbij een even mooi knisperend geluid geeft. Vermeulen gaat het flikkeren wel een beetje helpen door de lampen van vijf verschillende hoeveelheden stroom te voorzien, waardoor het geflikker compositorische eigenschappen krijgt. Als een lichtgevend muziekstuk. Hypersensitief. Om gek van te worden. (RP)

Beeld Pauline Marie Niks
Beeld Pauline Marie Niks

Isabelle Andriessen

Het schemerrijk tussen zogenaamde levende en dode materie is een duister, maar uitermate boeiend onderwerp. Zeker als je denkt aan de toekomst, wanneer het gewone leven er niet meer zal zijn omdat dieren, planten en mensen zijn uitgestorven, en andere organismes de boel hebben overgenomen. Ai.

Een zwartgallig toekomstperspectief? Niet wat Isabelle Andriessen (33) betreft. Als het aan haar ligt, zit er zelfs leven in vervuilde landschappen en schimmelende afvalbelten. Daar gaat in elk geval haar onderzoek over: hoe de wereld kan overleven als de ondergang nakende is. Haar werk anticipeert op wat komen gaat. Misschien niet over een paar decennia, maar over duizenden jaren.

Wat dat onderzoek behelst? Hoe je nieuwe levensvormen kunt ontwikkelen uit keramiek, aluminium, epoxyhars en staal; ogenschijnlijk dode materialen waarin organismen zich toch vermenigvuldigen en waar een stofwisseling ontstaat. Je ziet het bij parasieten en virussen – extremofielen, zoals de verzamelnaam luidt – die in extreme kou of warmte kunnen overleven, zonder zuurstof of vloeistof. En bij zogenoemde beerdiertjes, die hun leven op pauze kunnen zeggen, voor wel duizend jaar.

Serieuze zaken. 

Andriessen bezocht (naast vele andere kunstopleidingen) de Rijksakademie in Amsterdam, waar ze haar werk inhoudelijk, maar ook technisch op een hoger plan kon brengen. In alle rust. Want onderzoek vereist testen, testen en nog eens testen. Hoe reageert het ene materiaal op het andere, wat valt er te manipuleren, hoe vormen zich kristallen, hoe krijg je een materiaal aan het ‘zweten’? En, niet onbelangrijk, hoe maak je daar een beeld van? Kunst?

Haar beelden zijn, buiten groot en zwaar (tot soms 8 meter lang en 100 kilo zwaar) ook ongemakkelijk, vies, uncanny, als insecten die onder de huid zitten; glibberig en plakkerig. Maar ze veranderen wel langzaam van materiaal, kleur en vorm. Ze groeien. Dwars door de poreuze klei heen, tussen de haarscheurtjes, waarin het ijzer(II)sulfaat stalactieten vormt of poederachtige korsten. De combinatie van techniek en materiaal maakt Andriessen tot een echte beeldhouwer. Een beeldhouwer met een futuristische thematiek, zonder te didactisch te worden. 

De natuur is volgens haar sterk genoeg om te overleven. Sterker dan de mens, in wie ze het vertrouwen is kwijtgeraakt, omdat die er een potje van heeft gemaakt. Dus is de toekomst aan de parasieten en beerdiertjes. En aan de sculpturale levensvormen van Andriessen zelf natuurlijk, hoewel we dat pas over enkele eeuwen zullen zien. (RP)

Beeld Pauline Marie Niks
Beeld Pauline Marie Niks

Wouter Paijmans

Het knippatroon van een capuchontrui kun je zo vinden, maar dat van een kampeertent? Nergens. Vandaar dat de meeste tentmaquettes die Wouter Paijmans (28) tot nu toe op gevoel maakte – ze staan op tafel in zijn atelier, een grote ruimte in zijn ouderlijk huis in het Noord-Brabantse Loon op Zand – eerder doen denken aan (spreek brommerig uit) ‘pennenzakken’. Straks gaat de kunstenaar een simpel koepeltentje uit elkaar halen en de onderdelen natekenen. Dan begint het misschien ergens op te lijken.

Paijmans, opgeleid aan de Rietveld Academie en De Ateliers in Amsterdam, is geen prater, hij beaamt het zwijgend. Maar op de vraag waarom hij een tent wil maken, komt ten slotte toch een verrassend helder en tweeledig antwoord. Eén: een tent is een seriematig massaproduct en Paijmans houdt van seriematige massaproducten, én van de vraag of een aan de lopende band geproduceerd ding (een T-shirt, een tas, een trui) kunst zou kunnen zijn. Twee: na jaren exposeren binnen de muren van de kunstwereld wil hij weleens een ‘buitenwerk’ maken. En dan niet een sculptuur op een sokkel, nee, een object dat in de buitenruimte niet per se opvalt, zoals een tent, zodat-ie het zichzelf ‘lekker lastig’ maakt. Want wanneer wordt een tent een kunstwerk?

‘Kom maar op’, zegt Paijmans. Lukt het niet, dan lukt het niet. Maar hij wil bezig blijven, elke dag iets maken. Bovendien: ‘Als je een tijdlang intensief ergens aan werkt, dan kan het iets anders worden dan wat het oorspronkelijk was. Ik ben niet opgegroeid met kunst, wel met hard werken.’

Hij bouwt een gestaag groeiend oeuvre op van veelal ruimtelijk werk dat gaat over originaliteit en (re)productie en hoever je daarin als kunstenaar kunt gaan. Voor zijn solotentoonstelling, afgelopen najaar in De Pont in Tilburg, kopieerde hij een eerder gemaakt ‘confectieschilderij’ (een grote ingelijste collage van textiel, waaronder een zelfontworpen capuchontrui, bijeengehouden door borduursels) maar liefst 17 keer in witte stof (‘wit doet denken aan een kopieervelletje’). Dag in, dag uit, alsof hij een naaimachine was geworden.

‘Geen lol aan’, zegt hij. ‘Maar ik wilde weten hoe het was om zelf de manager én de opdrachtgever én de uitvoerende te zijn.’ Zijn ideeën komen instinctmatig, de verwezenlijking is obsessief. Zo maakte hij tientallen gekleurde truien, honderd tasjes en een paar honderd ‘oogkussentjes’, gevuld met lijnzaad en lavendel, tegen hoofdpijn. Die kussentjes exposeerde hij netjes gestapeld in doorzichtige bakken, alsof ze in het magazijn van een Chinese onlinegroothandel lagen te wachten om te worden verscheept.

‘Te midden van zijn installaties worden wij tot consumenten gemaakt’, zegt kunstenaarsduo Scheltens & Abbenes, dat het intuïtieve werkproces van Paijmans herkende en hem nomineerde voor de Volkskrant Beeldende Kunst Prijs. ‘In zijn werk zit een fascinerende tegenstrijdigheid: het idee van massaproductie, uitgevoerd door één individu. Dat resulteert in fabrieksmatig uitgevoerde kunstwerken met een herkenbaar handschrift, het omgekeerde van wat Andy Warhol beoogde.’

In Loon op Zand staat alles klaar voor de tentoonstelling in Schiedam. Hoe die eruit gaat zien? Paijmans haalt zijn schouders op. ‘Iets nieuws. Ik wil mezelf niet herhalen.’ (MB)

Beeld Pauline Marie Niks
Beeld Pauline Marie Niks

Özgür Kar

Het is haast een kunstwerk op zich, het atelier van Özgür Kar (27) in de Rijksakademie aan de Sarphatistraat in Amsterdam. Witte muren, hoge ramen. Tegen de muur staan een stuk of tien enorme speakers opgestapeld. Links daarvan twee bureaus. Op het ene staat een laptop gekoppeld aan een reusachtig computerscherm. Op het andere een schetsboek, opengeslagen op een tekening van een naakt mannenlichaam.

We spreken elkaar op een vrijdagmorgen in januari. Kar – beige broek, zwart sweatshirt waar een overhemdkraagje bovenuit piept, diepdonkere stem – is net iets later dan de afgesproken tijd het gebouw in komen rennen, hij was die ochtend al vroeg op pad om dingen regelen voor zijn aankomende tentoonstellingen in Parijs en Schiedam. De rest van zijn dag zal in het teken staan van bellen en mailen om ervoor te zorgen dat hij straks de juiste schermen en speakers heeft. In aanloop naar een opening, grapt hij, voelt hij zich soms net een productiebureau.

Als die apparatuur er eenmaal is, meestal vlak voor de opening, komen zijn filmische installaties pas echt tot leven. Op grote beeldschermen, formaat abri, duikt daarin steeds dezelfde figuur op. Een naakte man, eenvoudig getekend in witte lijnen tegen een zwarte achtergrond. Hij zit klem, lijkt het wel, gevangen tussen de randen van het scherm.

The Guy, zo noemt Kar zijn personage, of: The Boy. Een echte naam heeft hij opzettelijk niet. Je zou hem kunnen zien als een alter ego van de kunstenaar, maar dat dekt de lading ook weer niet helemaal. Deze jongen zou iedereen kunnen zijn. Geïsoleerd en tegelijkertijd extreem zichtbaar. Op zoek naar connectie, maar opgesloten in zichzelf.

Voor de teksten die jongen in de animaties mompelt, haalt Kar zijn inspiratie van televisie en sociale media. Gefascineerd is hij door de clichés die daar telkens opduiken. Neem een uitdrukking als ‘Trouw zijn aan jezelf’. Hij hoort het mensen in tv-programma’s aan de lopende band zeggen. ‘Het klinkt geruststellend, als een bezwering. Maar eigenlijk zegt het helemaal niets. Ik vind dat interessant: wat zegt zoiets over de manier waarop we naar onszelf kijken en hoe we communiceren met anderen?’

Daar gaat zijn werk uiteindelijk vooral over, emoties en menselijke relaties. Zijn master Critical Studies aan het Sandberg Instituut, waarvoor hij zich twee jaar lang vastbeet in allerhande zware theoretische kost, had wat dat betreft een verrassend, haast tegengesteld effect op zijn werk: ‘Het was heel interessant en verdiepend. Maar toen ik klaar was, dacht ik: vergeet al die theorie. Ik wil gewoon toegankelijke kunst maken over emoties en de liefde.’

Is zijn werk een kritiek op onze schermsamenleving? Nee, vindt Kar. ‘Dat zou hypocriet zijn, zelf ben ik namelijk echt vergroeid met mijn schermen.’ Hij vergroot dingen uit, zonder eenduidige boodschap over wat je daarvan moet vinden. Een beetje zoals zijn voorbeelden, filmmakers Larry Clark (van de film Kids (1995) over losgeslagen tieners) en John Waters. ‘Zij houden je een spiegel voor, door personages te laten zien die heel extreem zijn. En op die manier zeggen ze iets over de tijdgeest.’ (SvB)

Beeld Pauline Marie Niks
Beeld Pauline Marie Niks

Sharelly Emanuelson

Sluit je ogen en denk aan de Cariben. Wat zie je? Parelwitte stranden? Feestende mensen? Weelderige natuur? Allemaal elementen die ook in de films van de Curaçaose Sharelly Emanuelson (34) voorbijkomen. Maar dan op een manier die je nog nooit hebt gezien.

Emanuelson bouwt met een indrukwekkend tempo aan twee parallelle oeuvres: als documentairemaker en als beeldend kunstenaar. Ze studeerde in 2010 af aan de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht, als documentairemaker. Haar eerste film viel in de prijzen en werd op meerdere festivals gedraaid. Maar al gauw begon het te knagen: niet alles wat ze wilde laten zien, paste even goed in het format van een bioscoop- of televisiefilm. Ze zocht meer verdieping en vond die in de master Artistic Research aan de KABK in Den Haag.

De liefde voor beeld zat er al overigens vroeg in. Als kind was ze niet weg te slaan voor de tv. Op haar 10de kende ze de dialogen van haar lievelingsfilms uit het hoofd. Van voor naar achter. Eerst wilde ze actrice worden, vertelt ze als we elkaar spreken via Skype. ‘Maar zodra ik doorhad dat er iemand was die achter de schermen alles bij elkaar bracht, de regisseur, wist ik: die persoon wil ik zijn.’

Bevlogen was ze dus, en is ze nog steeds. Wie haar cv van de afgelopen tien jaar bekijkt, kan niet anders concluderen. Diverse beeldende kunstprojecten, vijf documentaires, een korte film, deelname aan internationale tentoonstellingen en filmfestivals. En dan richtte ze ook nog de kunstenaarsorganisatie UniArte op, een platform voor Nederlands-Caribische kunstenaars.

‘Meerstemmig’ is misschien het beste woord om haar video-installaties te beschrijven. Talen worden afgewisseld, geluidssporen lopen door elkaar heen, onderwerpen worden uit verschillende hoeken tegelijk belicht. Bijvoorbeeld in haar installatie En Mi Pais (2018), die op de expositie in Schiedam te zien is. Daarin laat ze vijf gidsen ieder hun eigen verhaal over Aruba, tradities en verandering vertellen.

Of neem Doh Mix Meh Up (2015), over het Arubaanse carnaval. Als kijker loop je door een gang van projectieschermen, net of je in de dansende menigte opgaat. Ondertussen luister je naar mensen uit verschillende bevolkingsgroepen die het hebben over de herkomst van de muziekstijlen en dansen.

De waaier aan perspectieven en stemmen die in haar films aan bod komt, vormt een belangrijk kenmerk van wat Emanuelson ‘Caribisch’ noemt. Dat is wat ze in haar werk wil oproepen: de flexibiliteit, de veerkracht en de spanningen van een regio waar zoveel culturen en geschiedenissen samen komen.

Dat er zo weinig gedocumenteerde kennis is over het Caribisch gebied en de Nederlandse Antillen, vormt een grote drijfveer. Als maker voelt ze een de verantwoordelijkheid om complexe, gelaagde verhalen over deze regio te vertellen. Maar: ‘Als ik die druk teveel zou voelen, zou ik waarschijnlijk nooit meer iets te maken! Tegenwoordig probeer ik het daarom wat lichter te zien. Alles wat ik maak, is een bijdrage.’ (SvB)

Beeld Pauline Marie Niks
Beeld Pauline Marie Niks

In een eerdere versie van dit artikel stond abusievelijk vermeld dat Isabelle Andriessen haar technische kennis vooral te danken had aan de Malmö Arts Academy.

Volkskrant Beeldende Kunst Prijs 2020. Stedelijk Museum Schiedam, 1/2 t/m 22/3.

Dertiende VKBK Prijs

De Volkskrant Beeldende Kunst Prijs wordt dit jaar voor de dertiende keer georganiseerd en is een samenwerking van de Volkskrant, het Stedelijk Museum Schiedam, Rabobank, Stichting Stokroos en het Jaap Harten Fonds. De juryprijs bestaat sinds 2006 en is bestemd voor beeldend kunsttalent t/m 35 jaar. 

De winnaar wordt begin maart bekendgemaakt en ontvangt 10 duizend euro, beschikbaar gesteld door de Rabobank. Nog eens 10 duizend euro komt van het Jaap Harten Fonds en dient ter financiering van een boekpublicatie. Daarnaast is er een publieksprijs, waarvoor bezoekers van het Stedelijke Museum Schiedam hun stem kunnen uitbrengen. De publieksfavoriet ontvangt zijn prijs (2.500 euro) op 15 maart tijdens de jaarlijkse Volkskrant Beeldende Kunst Dag.

De vijf genomineerde kunstenaars worden voorgedragen door scouts uit de kunstwereld. Dit jaar: het fotografenduo Maurice Scheltens en Liesbeth Abbenes (Wouter Paijmans), curator en schrijver Vincent van Velsen (Sharelly Emanuelson), Rein Wolfs, directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam (Özgür Kar), Suzanne Swarts, directeur Museum Voorlinden, Wassenaar (Philip Vermeulen) en Ko van ’t Hek en Yuki Kho van het kunstplatform Kunst Kijken met Ko & Kho (Isabelle Andriessen). 

De jury wordt dit jaar geleid door kunstenaar en oud-voorzitter van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Kunsten Barbara Visser (1966). De overige juryleden zijn Bram de Jonghe, kunstenaar en oud-winnaar van de Volkskrant Prijs, Verily Klaassen, hoofd kunstzaken van de Rabobank, Sjoerd Kloosterhuis, curator bij kunstcentrum Rozenstraat - a rose is a rose is a rose in Amsterdam en Anna van Leeuwen, kunstjournalist bij de Volkskrant.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden