INTERVIEW

'Van een lege muur naar een muur met hamburgers - een stap voorwaarts'

Hamburgers en flessen ketchup zó echt geschilderd, dat je de neiging moet onderdrukken een stoel aan te schuiven. Dat is het werk van Tjalf Sparnaay, die zich liet inspireren door Amerikaanse hyperrealisten. En dat sommigen zijn kunst laagdrempelig vinden? Dat kan hem niks schelen.

Tjalf Sparnaay, Foodscape, 2014, olieverf op linnen, 120 x 300 cm, te zien in de Kunsthal in Rotterdam.Beeld Moveo Art Collection

Ergens begin jaren tachtig trok Tjalf Sparnaay (62) in de Amsterdamse boekhandel Scheltema een overzichtsboek met werk van de Amerikaanse foto-realistische schilders uit de kast. Een openbaring! 'Het bevatte schilderijen van mannen - fotorealisme is mannenkunst - als Robert Bechtle en Ralph Goings, vrolijke, eigentijdse doeken van diners en ketchup-flessen en motoren - een wereld die in Nederland nog niet zo bekend was en dus exotisch en aantrekkelijk. 'Ik zag die glanzende reproducties en dacht: Wauw, wat ís dit?! En al snel daarna: Dit moet ik ook leren.'

Een dikke dertig jaar later zouden vriend en vijand beamen: hij leerde het. Binnen het veel beknorde genre van het fotorealisme geldt Sparnaay waarschijnlijk als de beste, en zeker de beroemdste vaderlandse exponent. Zijn wand-vullende, billboard-achtige olieverfschilderijen met close-ups van barbiepoppen, fietslampen en Hollandse haring hangen in woonkamers en hotellobby's wereldwijd. Vorig jaar exposeerde hij ermee in Museum De Fundatie in Zwolle. Nu toont-ie ze op een expositie in De Kunsthal in Rotterdam. Naast de bewonderde Amerikanen van weleer. Héél eervol.

Een paar dagen voor de opening ontvangt hij in z'n Hilversumse atelier aan huis, een hoge, lichte, naar jaren-dertig-woonwijk-maatstaven tamelijk kolossale ruimte. Door het dak valt licht, aan de muur hangen negentiende eeuwse landschapjes; in de hoek staat een ezel met daarop de grondtekening van het schilderij waaraan Sparnaay de komende tijd zal werken. Fundatie-directeur Ralph Keuning typeerde dergelijke werken een tijdje terug als: een geïntensiveerde versie van de werkelijkheid. In dit doek betreft die werkelijkheid een stapeltje met ei belegde kadetjes.

Dali

Sparnaay maakte niet altijd dit soort schilderijen. Als tiener in Rotterdam probeerde hij Dalí-achtige voorstellingen vol 'dubbele waarheden' en 'paradoxen' te schilderen, een ambitie waarin hij naar eigen zeggen 'voor geen meter' slaagde. Later, als twintiger, toen hij als gymleraar voor de klas stond, verschenen er Willink-achtige taferelen onder zijn penseel. Weer later verdiende hij de kost als vervaardiger van ansichtkaarten. Toen hartstikke hip, zegt hij. Elk jaar verkocht hij er een dikke miljoen. Het was toen dat hij op het voornoemde boek met foto-realisten stuitte.

Ja, daar was-ie wel even van ondersteboven. Wat hem er in aanspraak was de volstrekte vanzelfsprekendheid waarmee zulke schilders (veelal afkomstig uit New York, soms van de westkust) zich tot het leven van alledag verhielden; dat ze ook winkelstraten en diners en auto's en snoepgoed schilderden, dat ze júíst zulke zaken schilderden. Bij de in een realistisch idioom werkende Nederlanders gold dat indertijd als een gotspe. Sparnaay: 'Die waren in de meeste gevallen blijven hangen in de zeventiende eeuw. Potjes en vaasjes - dat was hun aandachtsveld. Onbegrijpelijk. Ik dacht: kijk toch eens om je heen, durf de wereld te tonen zoals ze er in onze tijd uitziet!'

Tjalf Sparnaay.

De Amerikanen durfden dat, en meer dan dat: ze durfden het groot en nauwgezet, exact: 'Fotorealisme is imponeer-kunst. Ze wil bij de kijker een reactie losmaken van: wauw, hoe heeft-ie dat gedaan? Dat maakt het tot typische mannenkunst. Meer dan andere kunstgenres, denk ik, getuigt ze van die typisch mannelijke behoefte om bewonderd te worden, om uit te blinken.' Zelf voelde hij ook best de behoefte om uit te blinken en dus besloot hij ook foto-realist te worden.

Een gelukkig besluit. Niet alleen had hij er aanleg voor, ook begon hij al vrij snel werk te verkopen. Dat deed hij in zijn eigen galerie in de buurt van de Dam. 'Ik wilde een winkeltje openen, maar dat ging niet door en toen zei m'n vrouw: "Joh, hang een paar schilderijen op, dan hebben we de huur er tenminste uit.' Aldus geschiedde: 'Ik vroeg een paar duizend gulden voor een schilderij en ze vlogen de winkel uit. Het glas met jusresten, het gekookte ei: ze vlogen.'

De methode Sparnaay is sinds die jaren amper veranderd. Zij gaat als volgt: eerst maakt hij foto's van het te schilderen object in z'n studio, een ijsje, een bos tulpen, een cola-blikje. Uit die foto's stelt hij vervolgens een perfecter beeld samen met Photoshop. Dat beeld projecteert hij tenslotte op het canvas waarna het laag-op-laag schilderen begint. Van linksboven naar rechtsonder. Monnikenwerk.

Wat is daar eigenlijk aan? 'De zekerheid dat ik een goed eindproduct heb. Dat vind ik lekker.' En het maken zelf, biedt dát ook plezier? 'Mwah, ascese is leuk, maar ik moet er niet aan denken om het maanden achtereen te doen. Het voelt soms een beetje als een invuloefening. Echt leuk wordt het pas in de laatste fase, als het doek ineens tot leven komt.'

De vruchten van dit proces laten zich direct herkennen. Een tampon, het plastic verkreukeld; een vaatwasser gevuld met keukengerei - een kruisvuur van spiegelingen en weerkaatsingen. De schilderijen doen vaak denken aan reclameposters; ze delen er de directheid mee, de schaal ook. Sparnaay: 'Formaat telt bij mij. Size matters. Daar zijn wellicht psychologische redenen voor - ik ben een klein mannetje - maar ook formele. Grote schilderijen zijn per definitie indrukwekkender dan kleine. De omvang imponeert automatisch.' Hyperrealistisch worden zulke schilderijen treffend genoemd. Zelf spreekt Sparnaay echter liever van megarealisme, om zich te onderscheiden van zijn Amerikaanse collega's.

De megarealistische wereld blijkt een culinaire aangelegenheid. Het stikt er van de hamburgers, glimmend van het vet, boterhammen, het oppervlak weerbarstig als een oude muur, kadetjes met sesamzaadjes dermate uitvergroot dat ze lijken op sinaasappel-pitten. De preoccupatie met voedsel doet een foodie vermoeden, maar dat blijkt mee te vallen: Sparnaay: 'Voedsel is voor een schilder aantrekkelijk vanwege de textuur. Het stelt je in staat uit te pakken in de stofuitdrukking.' Hij wil maar zeggen: aan een gebakken ei valt meer te beleven dan aan een bureaustoel.

Dubbele laag

Wat aan zijn werk kan tegenstaan, is dat het amper ruimte open laat voor eigen invulling. Een bak patat is een bak patat is een bak patat is een bak patat - zoiets. Sparnaay: 'Ja, het is in your face. Dat zal ik niet tegenspreken. Zeker bij de dingen die een beetje viezig zijn komt de informatie hard binnen. Ik vind dat leuk. Maar dat er niks te raden overblijft ben ik niet met je eens. Neem zo'n stuk draadjesvlees. Als je daar dichtbij gaat staan lijkt het wel een rotskust. En die aardappelen - net een duinlandschap, niet? In mijn gerechten kunnen je ogen wandelen. Foodscapes, dat zijn het.'

Verlangt hij, met al z'n kunde, er niet naar om meer verbeelding in z'n werk toe te laten? 'Natuurlijk wel. Bij ei nummer twintig heb ik echt wel zin om eens iets nieuws uit te proberen.' Daarom heeft hij aanstaande lente z'n agenda volledig schoongeveegd om nieuwe dingen te proberen. Wordt het wat: geweldig. Wordt het niks: dan heeft hij altijd nog zijn megarealistische kunst.

Het heeft hem veel gebracht: galeries is New York en Den Bosch, een klantenkring bestaande uit mensen met 'een dikke beurs'; alleen kritisch succes bleef tot op heden uit. Vroeger zat dat hem wel eens dwars. Nu niet meer. Integendeel. Dat men hem ziet als 'volksschilder': prima. Dat men zijn kunst laagdrempelig vindt: een pre in een wereld vergeven van onbegrijpelijke kunst. Dat zijn kopers thans aan de muur hebben hangen wat ze normaal gesproken op hun bord hadden liggen: helemaal niet erg. Immers: anders was die muur wellicht leeg gebleven: 'Van een lege muur naar een muur met een schilderij van een gebakken ei - ik noem dat een stap voorwaarts.'

Hyperrealisme: 50 jaar schilderkunst, De Kunsthal, Rotterdam, 25/2 t/m 4/6.

Ben Johnson Looking back to Richmond House

'Ben Johnson is echt een freak. Hij maakt stadsgezichten van soms wel twee bij drie meter: gebouwen, straatmeubilair, alles haarscherp, alles klopend, op het neurotische af. Zelf moet ik er niet meer aan denken om zulke dingen te maken. Al die perspectieflijntjes die allemaal precies dezelfde kant op moeten staan: wat een gedoe! Geef mij maar organische objecten zoals voedsel. Wanneer je bij zulke dingen eens een foutje in het perspectief maakt valt het minder op.'

Looking back to Richmond House van Ben Johnson. 201, acryl op doek, 183 x 274 cm.Beeld Plus One Gallery

Guus Heinze Mobile Reentry Vehicle

'Dit vind ik mooi. Harde oppervlaktes, glimmend staal - heel Amerikaans. Ik heb zelf ook een aantal motoren gedaan, dus ik weet hoe dat gaat. Die kleuren goed krijgen is niet zo moeilijk. Gewoon een kwestie van flink doormengen. En het kloppend krijgen van de glim-ichten en de details valt ook best mee. Vergeet niet: wij kijken hier naar een kleine reproductie. In het echt is zo'n schilderij enorm. Wat voor ons gepruts op de vierkante millimeter lijkt, is in werkelijkheid prima te doen. Oneerbiedig gezegd: het is painting by numbers, zij het met een heleboel numbers.'

Mobile Reentry Vehicle van Gus Heinze. 1990, Olieverf op paneel met gesso, 104 x 122 cm.Beeld Bernarducci Meisel Gallery New York

Audrey Flack Queen

'De enige vrouwelijke schilder in het gezelschap. Dit schilderij is een soort collage. De spulletjes erop hebben waarschijnlijk nooit zo gelegen. Ze ogen realistisch, maar ze zijn vanuit verschillende perspectieven weergegeven. Kijk maar naar die lippenstift. Die lijkt te zweven. Flack is een van de weinige foto-realisten die air-brush gebruikte. Dat is niet moeilijker. Wel anders. Alles wat je niet wilt bespuiten moet je maskeren met een stukje plastic. Sommige mensen kunnen dat ongelofelijk goed, maar ik vind de uiteindelijke look van zo'n schilderij vaak niet fijn. Bovendien: het is slecht te conserveren.'

Queen van Audrey Flack. 1976, Acryl op doek, 203 x 203 cm. Susan P. en Louis K. Meisel Collectie New York.Beeld Audrey Flackphoto, Courtesy Louis K. Meisel Gallery, New York

Tjalf Sparnaay Fried Egg

Sommige collega's rekken gewoon een foto op. Ik niet. Wanneer ik een ei schilder, dan bak ik eerst een stuk of tien eitjes in de pan. Die fotografeer ik allemaal. Uit die beelden stel ik vervolgens Het Ei samen. Dat lijkt eigenlijk helemaal niet op een echt ei. Er zitten bijvoorbeeld veel minder luchtbelletjes in. En ik zet er meer knapperige randjes aan dan ze in het echt meestal hebben. Die knapperige randjes zijn belangrijk. Mensen zijn dol op knapperige randjes. Dat merk ik ook op beurzen en bij exposities. Dat ze elkaar aanstoten en zeggen: "Kijk, dat knapperige randje." Je kunt goed zien dat mijn ei een modern ei is, en niet een uit de zeventiende eeuw. Een zeventiende eeuwer had in de dooier namelijk de reflectie van zichzelf en z'n atelier geschilderd.'

Fried Egg van Tjalf Sparnaay. 2015, olieverf op linnen, 100 x 100 cm.Beeld Collectie Tjalf Sparnaay
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden