Van een groot tot een geniaal schrijver

Verleden jaar verscheen de biografische studie Will in the World: How Shakespeare became Shakespeare van Stephen Greenblatt (de Nederlandse vertaling werd hier besproken)....

Kees Fens

Met de schaarse historische gegevens en biografische gegevens uit het werk poogde de auteur Shakespeare geestelijk gestalte te geven en het onverklaarbare – het genie – te verklaren. Het resultaat was indrukwekkend, maar toch heel sterk hypothetisch; het boek is een der drukste ‘zou-boeken’ die ik ken. Op de laatste bladzijde verdween Shakespeare uit het zicht, alle raadsels weer meenemend en de auteur als een haast bijgelovige held achterlatend. Hij was een der velen die na een soms schitterende speurtocht toch met alleen vermoedens in de verder lege handen achterblijven.

We geven niet op. De Amerikaanse hoogleraar James Shapiro nadert Shakespeare in een omvangrijke studie misschien dichter dan ooit het geval is geweest. Hij koos een jaar uit Shakespeares leven, het wonderjaar 1599, dat voor zijn werk allesbeslissend was. Wat hem dreef, formuleert de auteur (het type van de geleerde als een rustige bibliotheek) zo:

‘Dit boek kwam voort uit frustratie over mijn eigen onkunde en mijn frustratie door de wetenschappers van alle kritische denominaties die er nooit helemaal toe gekomen zijn zich bezig te houden met de vraag die ik de dringendste vond: hoe werd Shakespeare op zijn 35ste van een uitzonderlijk getalenteerd schrijver een van de grootsten die ooit leefden, anders gezegd: hoe kwam hij in de loop van nog geen jaar van het schrijven van The Merry Wives of Windsor tot het schrijven van een zo geïnspireerd stuk als Hamlet?’ Ook hier dus de vraag: hoe werd Shakespeare Shakespeare?

Wat de auteur op bewonderenswaardige wijze doet is het jaar 1599 reconstrueren in de politieke, militaire, culturele gebeurtenissen die Shakespeare ‘omringden’: we lezen als het ware de jaargang van een ongewone krant, een met een hoofdfiguur. De politieke gebeurtenissen waren niet gering: er dreigde de invasie van een nieuwe Spaanse Armada (een zonder meer briljant hoofdstuk van onrust, dreiging en geruchten), een expeditie naar Ierland, die onder leiding van de Apollo-achtige veldheer de Earl of Essex volkomen mislukte, en er was het naderende einde van de regering van Elizabeth I, die met haar charme, haar rijke cultuur, haar betovering, maar ook de betovering van een heks, het land had bestuurd, dat wil zeggen: alle grote mannen naar haar hand had gezet. En er was de bouw en voltooiing van het Globe Theatre, waarin schrijver en speler Shakespeare aandeelhouder was. Het theater zou zijn podium voor de wereld worden.

De hoofdplaats van de studie is Londen; daar woonde en werkte Shakespeare. (Zijn gezin had hij, als een zeeman, in Stratford on Avon achtergelaten.) Zijn betrokkenheid bij alles wat gebeurde is de belangrijkste vooronderstelling van het boek. In elk geval: het theater, Shakespeares wereld, reageerde op alle belangrijke politieke en maatschappelijke gebeurtenissen, in de woorden van een Zwitserse reiziger die in 1599 Londen bezocht: ‘De Engelsen brengen hun tijd door in de theaters, van het opgevoerde stuk lerend wat er buiten gebeurt.’

Wat Shakespeare opnam of opgenomen kan hebben, speelde soms mee in zijn stukken en werd door de toeschouwers herkend (zij kwamen mede voor het plezier en de schok der herkenning). Er waren bij alle gespeelde stukken wel sleutels die pasten.

Achter de kritische, scherpziende ‘deelnemer’ aan de actualiteit ging de historische lezer Shakespeare schuil. Zijn historische stukken spelen in twee tijden tegelijk; het verleden werkt door in het heden, het heden geeft het verleden mede gestalte. De zeer uitgebreide behandeling van het in 1599 geschreven en opgevoerde Julius Caesar laat dat schitterend zien. Het is een scherp politiek en even scherp historisch stuk. Het effect van de opname van de wereld en tijd rondom de stukken laat zich misschien het best zo omschrijven: even licht er iets van de actualiteit op, in een figuur, in een gebeurtenis, dan gaat het stuk weer zijn eigen gang. Voor de ontdekking van die lichtpunten heeft Shapiro een globe aan boeken moeten lezen.

Maar er is nog meer. In Julius Caesar houdt Brutus een grote alleenspraak, die een zelfbeschouwing, een zelfanalyse en een diepgaande uiting van zelfbewustzijn is. Ook in vroeger werk staan monologen, maar die van Brutus is intenser. En die kondigt de onvergelijkelijke alleenspraken aan van Hamlet, die een hele doorbraak in Shakespeares toneelwerk en de toneelliteratuur in het algemeen betekenen en hem van een groot een geniaal toneelschrijver maken. Maar wij zien hem pas scherp als we zijn werkwijze kennen.

Shakespeare heeft in zijn toneelwerk altijd ‘herschapen’ en zo de geschiedenis, maar ook de literatuur leeg achter zich gelaten. Hij schrijft zijn Hamlet-monologen in het jaar dat het essay, die eerste literaire reflectie van de schrijver op zichzelf, in de Engelse literatuur opkwam. Wat Shakespeare las, werkte niet minder aan het ontstaan van zijn werk mee. De auteur heeft, genade of straf, alles gelezen wat Shakespeare had kunnen kennen. Zijn studie maakt dus ook een jaar literatuur zichtbaar, en dat misschien op zijn briljantst in het hoofdstuk ‘The Passionate Pelgrim’, dat een roofdruk van gedichten van Shakespeare en anderen – onder wie Marlowe met het even Shakespeare overtreffende ‘Live with me and be my love’ – uitvoerig in de context van jaar en tijd behandelt.

Op pagina 203, in het hoofdstuk ‘The Invisible Armada’, staat de sleutelzin, of beter de sleutelvraag van het boek: ‘And what about Shakespeare?’ Het geschiedverhaal lijkt op het moment van die vraag welhaast zelfstandig geworden. We beginnen Shakespeare te vergeten, als in meer hoofdstukken in het boek. Het antwoord op de vraag is niet meer dan een reeks vermoedens. De vraag is voor de lezer zijn kritiek op het boek: de geschiedschrijving, die overigens hoogst amusant en leerzaam is, gaat de literaire belangen van de hoofdfiguur nogal eens te buiten.

Wij leren het jaar 1599 grondig kennen, maar die grondigheid levert voor een nieuw verstaan van Shakespeares werk uit dat jaar weinig op. Meer was niet mogelijk geweest. De lezer onthoudt nogal veel voor niets of voor weinig. Toch heb ik zelden zo van een hogere nutteloosheid genoten: een denkbeeldig verslag van een bezoek van Shakespeare aan Whitehall, de werkelijk superieure stukken over de ondergang van de Earl of Essex, het verhaal over het begin van de bouw van het Globe Theatre. En, als boven gezegd, het hoofdstuk over de onzichtbare Armada.

Hier wordt Shakespeare zo zichtbaar als verantwoord is. Dat is de wetenschappelijke grootheid van het boek, dat aan elke bekoring van de fictie is ontkomen. Hoe is Shakespeare Shakespeare geworden? De vraag krijgt toch ook hier een vermoeden van antwoord. Als bij alle auteurs die in het bewonderenswaardige bibliografische essay dat het boek afsluit, worden genoemd. Hij is, denk ik weleens, alleen maar taal (geweest), de grootste aller tijden. Lees de heel mooie paragraaf over de hendiadys in dit boek.

James Shapiro: A Year in the Life of William Shakespeare. Faber & Faber, Import Van Ditmar; 429 pagina’s; ¿ 29,10. ISBN 0 571 21480 .

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden