ReportageDe ommuurde stad

Van de Utrechtse stadsmuur is weinig meer over. In het Centraal Museum is nu te zien hoe jammer dat is

De expositie bewijst dat de omwalling zelfs in vervallen vorm een geweldig onderwerp was voor schilders en tekenaars.

Pieter Jan van Liender: Gezicht op de stadswal van Utrecht, met rechts het bastion Zonnenburg, 1758 (Particuliere collectie).  Beeld
Pieter Jan van Liender: Gezicht op de stadswal van Utrecht, met rechts het bastion Zonnenburg, 1758 (Particuliere collectie).

De nacht was donker en vol verschrikkingen – zeker de nacht van 8 juni 1345, zeker voor de boogschutters die toen wacht liepen op de Utrechtse stadsmuur. Beneden, in het donker van de velden, zagen zij het flakkerende schijnsel van ontelbare kampvuren – de kampementen van graaf Willem IV van Holland die met een mannetje of dertigduizend was uitgemarcheerd om Utrecht te veroveren. Gebeurde niet. Niet zonder slag of stoot, tenminste. Zes weken hielden de Utrechters stand en toen de Hollanders de stad uiteindelijk betraden, was dat omdat de Utrechtse bisschop was teruggekeerd om de boel uit te praten, niet omdat ze de kans hadden gezien door de Utrechtse barrière te breken.

De ommuring, kon men gerust concluderen, had haar werk gedaan.

Muurtje hoor, die Utrechtse stadsverdediging. Zij was 10 meter hoog en 5 kilometer lang. Op het hoogtepunt van haar glorie telde zij een vijftigtal torens en poorten, uitgerust met zulke tot de verbeelding sprekende namen als Bijlhouwerstoren of, krachtiger, De Beer – de hoogste tikten gemakkelijk de 30 meter aan. De muur omarmde de hele stad en wie de stad naderde zal onder de indruk geweest zijn van de Carcassonne-achtige aanblik. Val mij maar niet aan, was de gedachte die zij uitdroeg. De plattegrond oogde dan weer vredelievend: dat was een harp.

Die harpvorm valt trouwens nog steeds altijd terug te zien. Kijkt u maar op Google Maps.

Het Centraal Museum maakte een mooie, interessante expositie over de muur. De samenstellers hebben echt hun best gedaan de boel tot leven te wekken. Er is een vracht geschilderde en getekende verbeeldingen van de muur uit alle perioden, waaronder van beroemde kunstenaars als Isaac Ouwater en Herman Saftleven, plus enkele 3D-animaties van des muurs evolutie. Er zijnvideoschermen waarop experts hun licht laten schijnen over het onderwerp. Terrorismedeskundige Beatrice de Graaf denkt hardop na over de prijs van veiligheid. En commandant der Strijdkrachten Rob Bauer stelt dat vrijheid niet gratis is. Aan het eind van zijn verhaal vraagt hij de bezoeker dreigend: welke prijs bent ú bereid te betalen voor uw vrijheid? Tja, zegt u het maar.

Bij de tentoonstelling verschijnt een boek over de muur, met schwung geschreven door conservator Stadsgeschiedenis René de Kam. Het is onverwacht meeslepend. Goed, het kost enige moeite om het spoor niet bijster te raken tussen alle klerikale intriges en machtsspelletjes, net zoals het soms moeilijk is om al die graven en bisschoppen (en prins-bisschoppen) uit elkaar te houden (zóveel Willems en Hendriken…), maar wie zich niet laat afschrikken door een investituurstrijdje hier en daar, ontdekt een tot de verbeelding sprekende wereld van gildeslagen, nachtwakers, donderbussen en slingerblijden. Het is enerverend om kennis te nemen van de biografie van een reeks stenen en van de gemeenschap die haar bouwde en consolideerde. Steenbakkers, you got me.

Van het werk van die steenbakkers resten buiten het museum trouwens amper nog sporen, zo bleek tijdens een recent bezoek. Delen van de 16de-eeuwse bastions Zonnenburg (tegenwoordig een museum en onderkomen van de sterrenwacht), Manenburg en Sterrenburg aan de zuidkant van het Oude Centrum (pal achter het Centraal Museum); een restant van geschutstoren Het Paard; een brokje muur bij het Hiëronymusplantsoen – daarmee zijn we er wel zo’n beetje. Een paar restjes van de dwangburcht Vredenburg – ja, nu zijn we helemaal rond. Gevoelsmatig is de muur echter nooit verdwenen. Je voelt haar aanwezigheid. Komt door de buitengracht natuurlijk. Door het uitzicht vanuit de plantsoenen op de omliggende wijken. De stelletjes die daar op een zonnige vrijdagmiddag hun coronarondje maken, stel je je voor, liepen er twee eeuwen geleden ook. Ze hadden geen bekers afhaalkoffie, ze droegen geen fluorescerende leggings, maar ze liepen er.

Herman Saftleven: Servaashek met op de achtergrond bastion Manenburg, jaartal onbekend (Het Utrechts Archief).  Beeld
Herman Saftleven: Servaashek met op de achtergrond bastion Manenburg, jaartal onbekend (Het Utrechts Archief).

Het was geen toeval dat uitgerekend Utrecht op zo’n stadsommuring kon bogen. Er viel iets te verdedigen in het hart van het Sticht. Utrecht, dat was toch een beetje het Brugge van het Noorden, een welvarend, strategisch gelegen, dicht bevolkt stadje. Een kleine hub, vooruit. Drieduizend inwoners in 1200, dertigduizend rond 1500, dat zijn de cijfers. Het frappante was: tot in de negentiende eeuw zouden dat er niet veel meer worden. De geschiedenis van de stad gaat terug tot de eerste eeuw na Christus, toen de Romeinen, in een poging Brittannië te veroveren, op de strategische splitsingen van de Rijn fortificaties bouwden. Ter hoogte van het huidige Domplein ontstond een fort genaamd Traiectum, een castellum dat door de eeuwen steeds uit zijn as verrees en waaromheen in de vroege Middeleeuwen een streng handelswijken was ontstaan, met Stathe als de belangrijkste.

Traiectum werd een religieus centrum. De Britse zendeling Willibrord vestigde zich er in de zevende eeuw, de eerste in een lange reeks geestelijken. Had je er rond 1050 rondgelopen, dan had je je verbaasd over de bescheiden grandeur van deze minimetropool, met haar drukke jaarmarkten en vreemde talen: ze was zeer rijk aan architectonische hoogstandjes, kerken, paleizen, abdijen. Wat tijdens datzelfde rondje zou zijn opgevallen, was het onbeschermde karakter van de plek. Bij vijandelijke invallen en plundertochten, en die kwamen nogal eens voor, hadden de kooplui geen andere optie dan zich te verschansen achter de muren van het fort, paniekvoetbal dat soms gepaard ging met het eigenhandig in brand steken van de handelswijken.

Bij elk rank Vikingschip dat langsvoer je eigen buurt in de fik steken: dat schoot niet op. En dus begonnen de Utrechters meteen na de verlening in 1122 van stadsrechten door keizer Hendrik V aan de bouw van een ommuring.

Het was een ontzagwekkende infrastructurele klus. Alleen al voor de stadsbuitengracht moesten honderdduizenden kubieke meters verzet worden, sans graafmachines hè, schepsgewijs. Men groef met z’n allen. De hele stad groef mee. Het materiaal waarmee men de muur vervolgens bouwde, kwam van ver: tufsteen uit de Eifel, kalk uit Zeeland. Het gedoe wanneer de stenen van een grote op een kleinere, meer voor de smalle binnenwateren geschikte boot moesten worden overgeladen, de eindeloze inspanningen… De Muur, waarvan versie 1.0 halverwege de 12de eeuw overeind stond, was in werkelijkheid een reeks muren: de stadsverdediging transformeerde door de eeuwen heen. De tufstenen verdediging veranderde in een van baksteen. De vierkante torens werden vervangen door ronde of hoefijzervormige. De hoogte van de muur veranderde ook. Die kromp in de 16de eeuw naar een nog altijd aanzienlijke 7 meter.

Zulke transformaties, zo laat de rode lijn in tentoonstelling en boek zien, werden vooral bepaald door de voortschrijdende wapenwedloop. Veranderde het vijandelijk geschut, dan veranderde het uiterlijk van het defensief. De slingerblijde, een enorme verrijdbare katapultachtige constructie die stenen van 130 kilo kon wegslingeren, deed zijn intrede en dus was het handig om torens zo te bouwen dat zware projectielen er langs schampten: rond dus. Het kanon maakte zijn opwachting, en zie: de muren werden lager en gestut door een dikke aarden wal – alleen zo had je een kans om zo’n ijzeren bowlingbal uit je stad te houden. Het was actie en reactie. De aanvaller leidde, de verdediging volgde.

De bewaking van de muur was in de Middeleeuwen in handen van de gilden, die sinds 1307 de stad bestuurden. Elk gilde hield zijn eigen stukje muur bij, zijn ‘slag’. Het droeg er de verantwoordelijkheid voor dat de muur vrij was van gaten en andere beschadigingen en dat het water ijsvrij bleef. Het regelde de bewaking. Elke gildebroeder speelde eens in de twee weken voor nachtwacht. Had zo'n gildebroeder vroege dienst, dan begon hij rond zonsondergang. Draaide hij de late, dan startte hij rond 1:30. Zag hij iets verdachts, dan waarschuwde hij met een signaalhoorn of klepper de collega’s.

Lambert de Hondt II: De overgave van Utrecht in 1672 (Centraal Museum Utrecht).  Beeld Foto: Jan-Kees Steenman
Lambert de Hondt II: De overgave van Utrecht in 1672 (Centraal Museum Utrecht).Beeld Foto: Jan-Kees Steenman

De wakers op de muur werden op hun beurt in de gaten gehouden door wakers buiten de muur, die weer in de smiezen werden gehouden door patrouillerende wakers te paard. Wie er op toezag dat de paarden niet indutten, weten we niet. Misschien waren de beesten er op getraind om nachten door te halen. Misschien kregen ze amfetamine door de haver.

Natuurlijk diende de muur niet alleen om vijandige buurstaten buiten de houden. Ze was er ook om inwonenden te beschermen tegen wat indertijd ‘onguur volk’ heette: dieven, zwervers, zieken. Zij moest stedelingen een veilig gevoel geven, geen luxe. Vergis u niet, een nachtelijke stad in de Middeleeuwen was zo donker als donker kon zijn, en in die donkere stad was het een prettig idee dat iemand er op toezag wie waar ging. Er was een avondklok. Voor tien uur ’s avonds moest je de stad in of uit – was je te laat, dan was het zo goed als onmogelijk om nog door de poort te gaan. Op zulke regels werd streng toegezien. Wie gepakt werd terwijl hij over de muur probeerde te klimmen, of wie een ander daarbij probeerde te helpen, kon een fikse boete verwachten.

In de zeventiende eeuw bleef de muur belangrijk als filter voor ongewenste elementen, maar haar militaire functie verdween langzaam naar de achtergrond. Tijdens belegeringen van Utrecht, waarvan er nog vele zouden volgen, maakte zij niet langer het verschil. Zij kon niet voorkomen dat in het rampjaar 1672 een Franse legereenheid onder leiding van kolonel De Rochefort de stad innam (binnen een dag), zoals zij ook niet kon voorkomen dat het Pruisische leger er in 1787 een patriottische opstand de kop indrukte.

Eigenlijk stond ze er al na de Vrede van Münster in 1648 een beetje voor spek en bonen bij. Dat lag aan de muur zelf, waarvan het harpvormige grondplan zich met geen mogelijkheid liet transformeren in de strategisch voordeligere stervorm (zoals in bijvoorbeeld Naarden of Gorcum is te zien), en die van de Utrechtse fortificatie een uitgelezen voorbeeld van de wet van de remmende voorsprong maakte. Het illustreerde de veranderende rol van Utrecht op het krijgskundige toneel. Een slinkende rol.

Na ondertekening van het Plakkaat van Verlatinghe (1581) was de stad opgenomen in de Republiek en moest ze zich budgettair schikken naar de stadhouders, wat betekende: meebetalen aan het Staatse leger. Dat geld kon niet meer worden uitgegeven aan de muur. Zodoende kwam de klad erin. Stenen brokkelden af als een slecht onderhouden gebit, torens raakten overwoekerd met struiken alsof de natuur ze aan het zicht probeerde te onttrekken. Goed, er werd hier en daar nog een nieuwe poort gebouwd, zoals Paulus Moreelse’s Catharijnepoort, en de burgers bleven ’s nachts trouw hun wachtrondjes lopen, maar verder was het ding pensioenrijp.

Een specifieke groep stedelingen plukte de vruchten van de aftakeling: kunstenaars. Zij verlekkerden zich in hun tekeningen en schilderijen aan de allengs meer op een ruïne lijkende omwalling. Het wás ook een lekker onderwerp. De combinatie van onverwachte hoogteverschillen met ouderwetse poorten en torens, waar het struikgewas zich in had genesteld, vormden het ideale grofstoffelijke materiaal voor een romantische tekenkunst avant la lettre.

De daadwerkelijke sloop van de muur vond pas plaats in de vroege van de negentiende eeuw. Ter verbetering van de kwaliteit van leven in de stad, die voor het eerst sinds de Middeleeuwen groeide en zelfs aardig krap in haar jasje begon te zitten, was er een ‘commissie ter uitbreiding en verfraaiing van der stad’ aangesteld. Een van de eerste voorstellen was om ‘de ouden muur of wal met aankleve van diens bolwerken, muren, torens, poorten, gewelven’ te slopen – een voorstel dat door de Utrechters, die de muur steeds meer als een gevangenis waren gaan beschouwen, met bevestigend gejuich werd begroet.

Een typisch gevalletje haastige spoed, meent René de Kam. Had men een jaar of twintig gewacht dan was er vast iemand opgestaan die overtuigend had kunnen pleiten voor de schoonheid van al die kloeke torens en bolwerken, ongeveer zoals Viollet-le-Duc in Frankrijk had gedaan voor de instandhouding van middeleeuwse kerken en de muren van Carcassonne. Dan had die ommuring helemaal niet weg gehoeven. Dan hadden Utrechters elkaar nu nog kunnen appen: zie je zo bij De Beer.

De ommuurde stad. Centraal Museum, Utrecht, t/m 17/1.

René de Kam: De ommuurde stad. Het Spectrum; 299 pagina’s; € 24,99

Herman Saftleven

Eén tekenaar in het bijzonder leefde zich uit op de Utrechtse stadsommuring: Herman Saftleven. Tussen 1640 en 1685 portretteerde de beroemde Utrechtse kunstenaar de stadsmuur honderden keren. Wie tientallen van zulke tekeningen na elkaar ziet, zoals mogelijk is op de tentoonstelling in het Centraal Museum, krijgt een goede indruk van hoe het bolwerk er halverwege de 17de eeuw bij lag: getuigend van de eerste tekenen van verval, maar niet onaantrekkelijk.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden