Valt er iets te lachen in de Nederlandse poëzie?

Humor is het thema van de Poëzieweek. Maar valt er iets te lachen in de poëzie?

Buste van Carmiggelt Beeld anp

We zijn een land van dominee-dichters, leerden we vroeger op school. Prediken gaat ons beter af dan zingen, ook in dichtvorm. Bewijs vinden we in overvloed: bij rijmelende 19de-eeuwse predikanten als J.P. Hasebroek en J.J.L. ten Kate ('Dankt den Heer met snarenspel/ Voor Ten Kate J.J.L.'), maar ook de modernisten Martinus Nijhoff en Gerrit Achterberg kenden de kanseltoon en zelfs in de teugelloze Lucebert huisde een vertoornde prediker.

Omdat elke traditie haar eigen tegendeel kent, is Nederland net zo goed het land van dichtende humoristen. Soms worden de tegenstellingen zelfs in één ziel verenigd: Piet Paaltjens, het dichtende alter ego van de depressieve dominee François Haverschmidt (1835-1894), groeide uit tot de grootste ironicus in de Nederlandse letteren. Een klassieke, quasi-vrome Paaltjens gaat zo:

Als ik een bidder zie lopen

Dan slaat mij 't hart zo blij

Dan denk ik, hoe hij weldra

Uit bidden zal gaan voor mij.

Wie Paaltjens noemt, kan niet heen om zijn tijdgenoot Gerrit van de Linde alias De Schoolmeester (1808-1858), een spotzieke geest die met subtiele kolder de brave burger in zijn hemd zette. Zie zijn 'Nageslacht':

Bleeke kind'ren, kranke moeders

Neven met een breukband aan

Scheele zusters, bochelbroeders

Vaders, die uit kuchen gaan.

Ram'lend vee, met kwik bevracht,

Machtloos, mislijk nageslacht.

Poëzieweek

De VSB Poëzieprijs, waarvoor Hannah van Binsbergen is genomineerd, wordt uitgereikt op 26 januari. Dat is ook het begin van de Poëzieweek, waarvan dit jaar het thema 'Humor' is.

Vergelijkbaar verhuld venijn vinden we in Woutertje Pieterse van Eduard Douwes Dekker alias Multatuli (1820-1887), waarin de schoolklas van Meester Pennewip op stichtelijke thema's aan het dichten slaat:

De godsdienst is een goede zaak

En geeft het mensdom veel vermaak.

en:

Vyf vingers heb ik aan myn hand,

ter eer van 't lieve vaderland.

Zo bezien zijn de dominee en zijn schertsende tegenvoeter toch eerder nauwe verwanten dan opponenten. Dat humor even goed zonder moraliserende ondertonen kan, bewijst de geestige en goedmoedige Kees Stip (1913-2001), die puntige diergedichten publiceerde onder de naam van een van Pennewips pupillen, Trijntje Fop:

Een nieuwe haring sprak te Dordt

Ik denk dat ik geen oude word.

Trijntje Fop ontbreekt in geen van de bloemlezingen van humoristische poëzie die na de Tweede Wereldoorlog het licht zien - kennelijk moest er veel weggelachen worden. Daniël de Lange stelt in 1953 Nederlandse nonsens op rijm samen, Michel van der Plas komt een jaar later al met het omvangrijke Ongerijmde rijmen (dat teruggaat tot Joost van den Vondel) en in 1961 volgt C. Buddingh' met Het gevleugelde hobbelpaard. Van Vic van de Reijt is de anthologie die als de definitieve geldt, het in 1982 verschenen en sindsdien liefst 27 keer herdrukte Ik wou dat ik twee hondjes was, vernoemd naar het aan Godfried Bomans toegeschreven, maar vermoedelijk door Michel van der Plas geconcipieerde kwatrijn:

Ik zit mij voor het vensterglas

onnoemelijk te vervelen.

Ik wou dat ik twee hondjes was,

dan kon ik samen spelen.

Ook hier weer tweespalt dus; die oude aanjager van humor en poëzie, nooit vlijmender verwoord dan door Karel Bralleput, het pseudoniem van Simon Carmiggelt (1913-1987), in 'Louter droefheid':

Ik voel mij somber. Ei, wat zal ik doen?

Een platte geest dronk nu een glaasje.

Maar ik ben een poëtisch baasje

en ga mijn weemoed in een versje doen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden