Met drieduizend zonuren per jaar is het prima bijbruinen in Benidorm.

Reportage Het andere Benidorm

Vakantiehel vol ladderzatte Engelsen én oase van rust: Benidorm is het allebei

Met drieduizend zonuren per jaar is het prima bijbruinen in Benidorm. Beeld Jan Mulders

Ooit liefdevol bezongen als ideaal vakantieoord, nu verguisd als ‘massastoeristenhel’. Het is eenvoudig om Benidorm weg te zetten als dat laatste, maar er bestaat ook nog een parallel universum waarin géén stomdronken Engelsen zijn te bekennen.

Vijftig jaar nadat de Haarlemse familie O. in Spanje op vakantie is geweest in wat destijds een ‘moderne hotelstad’ werd genoemd, sta ik in Benidorm oog in oog met een jonge vrouw in een oranje penispak – een ander woord is er niet voor. Het is half elf, ’s ochtends.

De vrouw is Engels. Ze gaat trouwen en viert met vriendinnen aan de Middellandse Zee haar laatste dagen als vrijgezel. Of ik een foto van haar wil maken. Dat wil ik wel. Vrolijk steekt ze haar duimen op.

Aan de voeten van de vrouw bungelen twee grote ballen. Haar hoofd steekt uit de eikel. Het penispak is van plastic, en opblaasbaar. De vrouw trekt bekijks op de boulevard van Playa de Levante, een van de twee grote stranden van de badplaats, maar minder dan je zou verwachten. Bezoekers zijn wel wat gewend in Benidorm, het krachtige symbool van het massatoerisme waar je voortdurend op het verkeerde been wordt gezet omdat er ook nog een parallel universum bestaat waarin géén stomdronken Engelsen zijn te bekennen.

Massastoeristenhel

Het eenvoudigst is om Benidorm weg te zetten als ‘massastoeristenhel’, zoals onze columnist Max Pam een paar jaar geleden deed. Géén Benidorm-man, Pam. Later kwam hij met ‘vakantiehel’ op de proppen. In het Volkskrant-archief zat ook nog een heldere analyse van theatermaker Adelheid Roosen, deze: ‘Beton, beton en nog meer beton. Overal waar je kijkt staan flats, reclameborden en menu’s in het Duits en Nederlands. Braadworst en polonaise: een wereld van wansmaak. Ik ben de laatste meters gaan rennen. Ik ga nooit meer die wereld in!’

Dit is het Benidorm zoals het altijd wordt getoond door televisiemakers die de moddervette clichés gretig uitvergroten. Vorige maand was Max Vakantieman er nog, om aan toeristen te vragen of ze de stad even op de kaart wilden aanwijzen. Veel mensen wezen een totaal verkeerde plek aan. Lachen natuurlijk.

Mede door de beperkte ruimte, vanwege de bergen in het achterland, viel de keuze op hoogbouw. Beeld Jan Mulders

Zon, zee, strand, dronken Engelsen, schreeuwende Engelsen, kotsende Engelsen, harde muziek, lawaai, toeristenpakhuizen: tijdens een avondwandeling in het stadsdeel achter het Levante-strand voldoet Benidorm op sommige plekken aan de verwachtingen. Nederlandse cafés en restaurants zijn er ook, in ruime mate zelfs. In De week, ‘het meest gelezen Nederlandstalige weekblad van Spanje’, staan hun advertenties.

Café ’t Jordaantje, ‘waar Amsterdamse gezelligheid nooit verloren gaat’ en een broodje bal en een broodje warm vlees verkrijgbaar zijn.

Eetcafé Pinocchio, ‘al 20 jaar gerund door Saskia en Willem’, met ‘uitkijk op zee en muziekavonden’.

Eetcafé De Kroon, ‘al 30 jaar uw vertrouwde adres in Benidorm als het gaat om lekker en voordelig eten’.

Eetcafé De Nachtwacht, ‘bruin café, Hollandse gezelligheid, bingo/klaverjassen, gourmetten’.

En dat is nog maar een greep. In Benidorm kun je ook verpozen bij Sportcafé De Lantaarn, De Heineken Hoek, The Old Dutch, Moby Dick en De Meiden, plus – maar daarover later meer – het Surinaams-Indische specialiteitenrestaurant Local 8 van Tariq Faruc.

Voor de gezelligheid huren de cafés vaak een zanger of zangeres met een Nederlandstalig repertoire in. Het gaat om artiesten in de categorie Daisy Talens, Herbert Schaap, het duo Monique en Edwin en Ramon Beense, in bepaalde kringen bekend van de toepasselijke meezinger Wij gaan een feestje bouwen. En feestjes worden er gebouwd in Benidorm, ’s winters en ’s zomers.

Zonaanbidder op één van de stranden van Benidorm. Beeld Jan Mulders

Paradijs voor de ‘stille genieters’

Dat bestond allemaal nog niet toen het gezin O. uit Haarlem op 13 juli 1969 voor de eerste keer op vliegvakantie ging – een teken des tijds. Het massatoerisme was begonnen, dankzij de toegenomen welvaart voor de middenklasse. Grenzen werden verlegd, in de jaren zestig vooral met de auto, maar steeds vaker met het vliegtuig.

Een populaire bestemming was Benidorm. Niet alleen de familie O. viel voor de onweerstaanbare lokroep van de reisgidsen: ‘Benidorm is als een witte vogel, twee uitgestrekte stranden vormen haar vleugels, waartussen de pittoreske kern van deze Arabische nederzetting geborgen ligt.’

In het fotoboek van de vakantie werden tussen de strandfoto’s nog meer teksten uit de reisgids geplakt: ‘Men handhaafde de rust: nachtclubs en cabarets liggen alle aan de rand van het stadje.’

En: ‘Wie daar is geweest vergeet nooit meer het overweldigend mooie uitzicht over de stad en de baai.’ Benidorm was, kortom, een paradijs voor de ‘stille genieters’, met zijn ‘zonovergoten brede zandstranden van een prachtige goudgele kleur die uitnodigen tot een heerlijke bad- en strandvakantie.’

Het is het Benidorm dat twee jaar later, in 1971, liefdevol werd bezongen door Willy Alberti:Ik weet ‘n ideaal vakantieoord, ieder heeft er zeker van gehoord, je vindt er strand en zee en heel veel zonneschijn, in Benidorm wil ik voor altijd zijn.’ In 1978 brachten ook Bassie & Adriaan een ode: ‘Jongens wat enorm, we gaan naar Benidorm, lekker een paar weken met vakantie, met een jumbojet, wat een reuze pret.’

Maar Benidorm veranderde, en daarmee de teksten. Robert Long zong in 1988 over de Nederlandse overwinteraars. Het was geen vrolijk lied. Benny Neyman schetste in 1997 een beeld van wat Benidorm sinds de jaren zestig geleidelijk óók was geworden:

Haring bij Broodje van Kootje

und bratwursten aus Wuppertal

naast een lauw biertje een blowtje

bijna iedereen neemt wel een haal

trafo’s in hun travestie-shows

en een DJ uit Koog aan de Zaan

een Amsterdammer wordt elk uur lammer

O nee, hij kan haast niet meer staan.

Hotel in Benidorm

De bekendste (pop)muzikant die een lied over Benidorm schreef is Paul McCartney. In 1993 verscheen Paul is Live met Hotel in Benidorm. In 1972 bezocht McCartney Benidorm voor de eerste keer, samen met zijn vrouw Linda en hun baby Stella. In Hotel in Benidorm, een improvisatie tijdens een soundcheck, zingt hij over een hotel waar geen plaats voor hem is omdat het nog moet worden afgebouwd.

Het is zeven uur ’s avonds en op het terras van de smoezelige Noord-Ierse pub de First Ulster Tavern voeren de gasten schreeuwend gesprekken. Iedereen is elk uur lammer geworden.

Op het terras ernaast werpt Tariq Faruc vanaf het terras van zijn Surinaams-Indische restaurant zo nu en dan een blik op de buren. Zonder ergernis, knap genoeg. Als ik voor elke keer dat iemand daar fuck you zegt een dubbeltje krijg, zegt hij kalm, was ik allang miljonair geweest. ‘Soms loopt het uit de hand, dan vliegen de stoelen door de lucht.’

De tegenstellingen zijn hier in de Calle Jaén in één oogopslag te zien. Op nummer 6 hangen ladderzatte Britten op verschoten plastic meubilair, op nummer 8 wordt in een prettig decor van hout en bamboe moksi-meti, bakkeljauw, pindasoep en roti (kip of lam) geserveerd. ‘De Indische rijsttafel loopt als een tierelier.’ Uit de Indische gehaktballetjes steekt een rood-wit-blauw vlaggetje.

Faruc (60) trakteert op bier en serveert een prima roti kip. Local 8 is zijn vierde zaak in de stad. De kruiden voor de gerechten laat hij uit Nederland komen, de receptuur is ‘een beetje van mijn Hindoestaanse moeder en een beetje van mezelf’. Begin juli mocht hij de catering verzorgen op het afscheidsfeest van de Nederlandse ambassadeur in Madrid: ‘De kroon op mijn werk.’

Scootmobielen - ook in tandemmodel - zijn een ware plaag. Beeld Jan Mulders

Vooropgesteld: Faruc is dol op Benidorm, hij komt er al sinds eind jaren negentig. ‘Maar geld verdienen is hier moeilijk. Als ik een pensioen van 100, 150 euro per maand overhoud, is het veel.’

De winstmarges zijn laag, de concurrentie is moordend. ‘Ik weiger om een biertje voor een euro te verkopen, zoals anderen doen. Op Facebook maken Nederlandse horecaondernemers elkaar voor dooie rat uit. Niemand gunt hier een ander iets. Er zijn te veel zaken voor te weinig Nederlanders. En de Spanjaarden willen dat je hier alleen maar komt om geld uit te geven, niet om geld te verdienen.’

Plus – een typische plaag van deze stad, zegt Faruc – de scootmobielen, ook in tandemmodel. Het wemelt ervan. Het stadsbestuur overweegt volgens hem een verbod. Toeristen die te lui zijn om te lopen, huren een scootmobiel, zonder de vereiste medische indicatie, en scheuren door voetgangersgebieden. ‘Als er is gezopen, knallen ze vaak tegen een boom.’

Het zijn de Engelsen die het verpesten, zegt hij. ‘Maar de burgemeester durft ze niet aan te pakken. Want zonder Engelsen is het gedaan met Benidorm.’ Ook nog vermeldenswaardig: vrijgezellenfeesten. ‘Mannen met neptieten en een neplul van 30 centimeter.’

Waarna hij, toch nog vrij verrassend, losbarst in een lofzang op Benidorm. Op het klimaat, de formidabele stranden, de schone zee, de vele voortreffelijke restaurants, de rust van het achterland, de spectaculaire skyline. ‘Ik blijf hier tot mijn dood.’

Engelsen

Nog steeds vormen Engelsen in Benidorm het grootste contingent bezoekers: 37 procent. Hun aantal slinkt. De helft van het aantal toeristen is Spaans. Hun aantal neemt elk jaar toe. België (5,6 procent) is in Benidorm beter vertegenwoordigd dan Nederland (3,1 procent). De cijfers zijn van dit jaar.

Het andere Benidorm

Het andere Benidorm is het best zichtbaar aan (en achter) het tweede grote strand: Poniente. De scheidslijn wordt gevormd door de reeds genoemde ‘pittoreske kern van de Arabische nederzetting’, een wijkje met smalle straatjes waar sinds de jaren negentig een gay community floreert, met zo’n 25 cafés, en op de resten van een kasteel een formidabel uitzichtpunt  kan worden bezocht. Aan de rand van de oude stad ligt een prachtig strandje verscholen, Mal Pas.

In het andere Benidorm slijten Spaanse ouderen hun dagen in alle rust. Beeld Jan Mulders

Het appartementencomplex aan het Playa Poniente waar destijds de Haarlemse familie O. verbleef, Clipper, staat er nog. Er is hier meer ruimte tussen de flats dan aan de andere kant van de stad, en meer groen ook. In dit deel van Benidorm zijn Spanjaarden veruit in de meerderheid. Dronken Engelsen zijn nergens te zien. In de namiddag slenteren oudere, geparfumeerde Spaanse echtparen keuvelend over de boulevard, zoals het hoort.

Dit is het Benidorm van Ad en Katinka van Doren uit Almere. Ze zijn twee vijftigers die hebben gereageerd op een oproep op de Facebookpagina ‘Benidorm vrienden’, een besloten groep met meer dan zevenduizend leden waarin de liefde voor de toeristenstad gepassioneerd wordt beleden en niemand een kwaad woord over Benidorm wil horen.

Het echtpaar wil graag iets vertellen over wat ze het ‘Spaanse Benidorm’ noemen, het Benidorm waar zelfs Max Pam het naar zijn zin zou kunnen hebben. Ze doen dat op een aangenaam terras in Finestrat, een buurgemeente op loopafstand van Benidorm. Het is zijn zesde vakantie hier, in zes jaar. Zij komt al in Benidorm sinds haar jeugd, ze is er voor de 26ste keer. ‘Altijd Poniente, nooit Levante.’

Katinka van Doren in haar geliefde vakantieoord Benidorm, ver weg van de drinkende clichétoeristen: ‘Hier kan niets tegenop.’ Beeld Jan Mulders

Ze kennen elkaar zes jaar en zijn vier jaar geleden getrouwd. De huwelijksreis ging naar Benidorm. Toen ze in de oude stad dineerden in het restaurant waar haar vader zijn 70ste verjaardag had gevierd, klonk Fly me to the Moon van Frank Sinatra plotseling uit de speakers. Ad: ‘Het moest zo zijn.’ Katinka: ‘Hij vond het goed.’

Ze komen naar Benidorm om – dit klinkt verrassend, voor wie de beschonken Engelse hordes nog in gedachten heeft – te onthaasten. Ad: ‘Hier kom je tot rust.’ Katinka: ‘Het voelt elke keer als thuiskomen.’ Het drukke deel van Benidorm bij het Levante-strand bezoeken ze nooit.

Hun vakanties lijken sterk op elkaar. Aan het uiteinde van de baai maken ze elk jaar dezelfde selfie. ’s Avonds lopen ze naar de oude stad. Op de terugweg nemen ze een taxi. Ze eten minimaal één keer in wat het ‘tapas-straatje’ wordt genoemd, de half overdekte Calle Santo Domingo.

Ze bezoeken de centrale markt in Benidorm, maken dagtrips naar Alicante en de bergen, ‘eten elke avond lekker én goedkoop’ en genieten vanaf hun balkon van het uitzicht. ‘In Almere kijken we uit op het IJmeer, ook heel mooi, maar hier kan niets tegenop.’

Kortom, zegt zij met zelfspot, ‘we leiden hier een heel enerverend leven.’ We proosten. Volgend jaar gaan Ad en Katinka van Doren weer op vakantie naar Benidorm.

De droom van Zaragoza

Benidorm is de verwezenlijking van een droom van Pedro Zaragoza Orts, een visserszoon die begin jaren vijftig aan de Costa Blanca niets minder dan een wonder verrichtte. Zaragoza had een verleden als mijnwerker en als kruier in Madrid toen hij zich in 1950 omhoog werkte tot burgemeester.

In de zwartste jaren van het Franco-regime, met armoede en werkloosheid en sombere toekomstperspectieven, zag Zaragoza voor zijn straatarme stadje met drieduizend inwoners maar één uitweg: het toerisme. De omstandigheden waren gunstig, met drieduizend zonuren per jaar en twee fraaie stranden, Poniente en Levante, met een totale lengte van 5 kilometer.

In 1954 werd begonnen met de uitvoering van het Plan General de Ordenación voor een verticale stad. Mede door de beperkte ruimte, vanwege de bergen in het achterland, viel de keuze op hoogbouw, losstaande appartementengebouwen met zeezicht. Het lokken van de toeristen nam burgemeester Zaragoza zelf voor zijn rekening, met een agressieve reclamecampagne. Zon en strand, was de heldere strijdkreet.

Zaragoza stuurde flessen wijn, ‘gebotteld in de zon van Benidorm’, naar honderden bekende Europeanen, onder wie de Engelse koningin Elizabeth. In 1959 nam hij het initiatief voor een groot internationaal songfestival (in 1968 won Julio Iglesias) en in Duitsland werden posters verspreid waarop de afstand tot Benidorm stond aangegeven. Een sterk staaltje was ook de pr-reis die hij een familie uit Lapland, in klederdracht, vanuit het noorden naar Benidorm liet ondernemen.

Eén nijpend probleem moest worden opgelost. In het streng katholieke Spanje was het voor vrouwen verboden om bikini’s te dragen: te bloot. Zaragoza loste het probleem zelf op. Op een dag in 1959 stapte hij op zijn scooter, een Vespa, en reed hij naar het koninklijk paleis El Pardo in Madrid, waar hij generaal Franco ervan wist te overtuigen dat het bikiniverbod de ontwikkeling van Spanje als toeristenmagneet danig in de weg stond. De katholieke kerk reageerde snel. Als Zaragoza zijn strijd niet zou staken, zou hij worden geëxcommuniceerd.

Verhalen in internationale kranten en tijdschriften over Benidorm komen bijna niet voor zonder de heerlijke anekdotes over de barre tocht – met kranten onder zijn kleding had hij zich tegen de bittere koude beschermd – en de dreigende excommunicatie van de burgemeester. In de documentaire El hombre que embotelló el sol (De man die de zon bottelde) van Óscar Bernácer uit 2016 werd het waarheidsgehalte van de anekdotes ernstig in twijfel werd getrokken, helaas.

Zaragoza heeft zijn scootertocht naar generaal Franco en zijn geschil met de kerk waarschijnlijk verzonnen. Geschiedenis schreef hij wel degelijk. De man die de zon bottelde liet een wonderlijk toeristenoord na, een bruisende stad met 300 wolkenkrabbers en 70 duizend inwoners die jaarlijks meer dan twee miljoen vakantiegangers trekt en na Barcelona en Madrid de meeste hotelbedden heeft.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden