Vader is naar boven gedaan

Boven is het stil speelt zich af op een boerderij in Noord-Holland. Helmer, een keuterboer van halverwege de vijftig die nog in het ouderlijk huis woont, heeft ‘vader naar boven gedaan’. Moeder is al jaren dood. Helmer heeft een leven geleid dat je amper het zijne kunt noemen, maar nu is hij zelf aan de beurt. Schoon schip. Hij richt de ouderlijke slaapkamer en woonkamer opnieuw in. Vader wordt met wat schaarse persoonlijke bezittingen naar de slaapkamer boven verbannen. Ooit was hij een man die vloekte, tierde en schold, nu is hij een ziek vogeltje en is het zijn zoon die bepaalt of hij te eten krijgt en of hij naar de wc mag. ‘Wanneer je een gezin hebt, kun je je vader met een gerust geweten wegdoen’, denkt Helmer, terwijl hij zijn vader met een mengeling van wrok, weerbarstigheid en plichtsbesef verzorgt.

Bakker schrijft op een buitengewoon subtiele manier over de moeizame relatie tussen Helmer en zijn vader. Het zijn de feiten die spreken. De dialogen zijn eenvoudig, en er wordt alleen het hoogstnoodzakelijke gezegd. (“‘Haal de dokter”, zei vader. “Nee”, antwoordde ik. Ik draaide me om en liep de slaapkamer uit. Vlak voor de deur dichtviel, riep hij: “Schapen”.’) De lezer wordt niet onderschat, Bakker vertrouwt erop dat die ook zonder veel bijvoeglijke naamwoorden of andersoortige toelichting de onderliggende emoties wel zal voelen. En dat klopt.

Helmer heeft het leven geleid dat voor zijn tweelingbroer Henk bestemd was. Maar die is op zijn negentiende verdronken bij een door zijn aanstaande vrouw Riet veroorzaakt ongeluk. Ook verdriet kent een hiërarchie: ‘Ik voelde dat ik vergeten zou worden, vader en moeder waren de ouders, Riet de bijna-vrouw, en ik was slechts de broer.’

Hij geeft zijn studie Nederlands op en doet wat van hem verwacht wordt, tot hij ruim dertig jaar later concludeert: ‘Ik heb mijn halve leven lang nergens aan gedacht. Ik heb mijn kop onder de koeien gestoken, elke dag weer. Ergens vervloek ik ze, die koeien, maar warm en bedaard zijn ze ook, als je met je voorhoofd steunend tegen hun flanken het melkstelsel onderhangt.’

Zijn leven is pure routine; hij doet het jongvee en voedert zijn twee ezels die altijd samen zijn, net als hij en Henk vroeger. Hij trekt op met de buurjongetjes, drinkt koffie met hun moeder en maakt een praatje met de melkrijder en de veehandelaar (‘Voor hij in de cabine stapt, zegt hij: “Goeie kerst”. Hij is spraakzaam vandaag’). Bakker roept op een schitterende en ingetogen manier de sfeer op van het leven op het Nederlandse platteland, van de mensen die er geboren en getogen zijn, en van de dieren die opgaan in het landschap. Of Helmer nu de wilgen knot, de schapen telt of rondjes schaatst over het Groote Meer, nergens kun je Bakker betrappen op vals sentiment.

Op een dag komt Riet, inmiddels weduwe van een Brabantse varkensboer en moeder van drie volwassen kinderen, langs. Ook zij had een ander leven willen leiden. Nergens wordt uitgesproken wat ze eigenlijk wil (met Helmer trouwen?). Ze vraagt of haar zoon Henk een poosje op de boerderij kan werken. De jongen is lusteloos en labiel. Helmer stemt toe, en de aanwezigheid van deze jonge Henk roept allerlei herinneringen en onderdrukte gevoelens in hem op. De onderhuidse spanning neemt gaandeweg toe. Wat wil de jongen, ziet hij in Helmer een vader, een broer, een mogelijke minnaar?

Helmer raakt ondertussen gefascineerd door Denemarken, daar zijn veel Nederlandse boeren de afgelopen jaren naartoe geëmigreerd. Bakker gebuikt dit land bijna als metafoor voor vrijheid en een nieuw leven. Het is een van de elementen die hij telkens laat terugkeren. Zo heeft hij ook een bonte kraai in het verhaal verweven, die als aanzegger van de dood in de es voor het slaapkamerraam van de vader zit. Hij doet het bijna ongemerkt, maar het zijn juist deze kleine motieven die de roman tot zo’n harmonieus geheel maken.

Na het overlijden van vader en het vertrek van Henk duikt een oude bekende op, de vroegere knecht. Helmer lijkt eindelijk gehoor te geven aan zijn verlangens. Niet dat hij ineens groots en meeslepend gaat leven, gelukkig niet, maar hij stapt aarzelend uit de rol die hem door het lot was toebedeeld.

De grote kracht van deze roman ligt in de taal, en dan vooral in wat er niet of nauwelijks wordt gezegd. In dat opzicht roept het boek associaties op met Normale dagen van Esther Gerritsen, waarin ook de taal (én het ontbreken daarvan) een belangrijk gegeven is.

Onopgesmukt en liefdevol is de toon van Bakker, die met Boven is het stil een ontroerend verhaal heeft geschreven.

Gerbrand Bakker: Boven is het stil. Cossee; 264 pagina’s; € 18,90. ISBN 90 5936 106 7.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden