Vader en zoon, liefde en haat

Op 10 februari 1983, ruim vier jaar voor de dood van Geert van Oorschot, schrijft Gerard Reve vanuit zijn Geheime Landgoed aan zijn ‘vader’, die na lange tijd weer de uitgever is van enkele van zijn brievenboeken: ‘We hebben alles wat in portefeuille is opnieuw uitgekamd, maar er is niets bij, dat tijdens mijn leven zoude kunnen worden uitgegeven. Er is nog één geschrift, dat waarlijk een bom in Nederland zoude werpen, en dat is mijn Brieven aan Geert van O. De ergste dingen moeten eruit, maar Matroos is daar erg goed in: die klaart dat in één Zondagmiddag aan jouw keukentafel. Welk een leed, welk een worsteling! Dat boek verheft zich boven de tijd. Heb je alles bewaard, of soms uit woede sommige brieven verscheurd of opgegeten? Geen nood: als jij je de inhoud globaal nog herinnert, herschrijf ik ze. Dat is mijn vak.

‘Die brieven zijn zo goed als een komplete rekenschap van mijn literaire carrière. Mijn volk heeft het recht, van de inhoud van die brieven kennis te nemen.’ En voort kwebbelt Reve, over een hinderlijke kwaal aan zijn onderlichaam en een ‘operaatsie (. . .) die van alles voorgoed een sukkelende puinhoop’ zal maken. Over Van Oorschots brieven aan hem, toch ook belangwekkend, heeft hij het niet eens.

Van Oorschot verzuimt in zijn antwoordbrief in te gaan op Reves verkapte voorstel om die ‘bom’ dan maar eens in de literaire goegemeente neer te leggen. Zijn eerstvolgende brief is afgemeten. Koeltjes bedankt hij voor Reves toezegging een portret van Gerard den Brabander te schrijven in een uitgave van diens gedichten. De gebruikelijke aanhef ‘Lieve Gerard’ is ineens ‘Beste Gerard’ geworden, het vele liefs en de innige omhelzingen zijn vervangen door ‘hartelijke groeten’.

Die verkoeling had, niet voor de eerste keer, te maken met Johan Polak. Van Oorschot kon zijn bloed wel drinken. Het was deze concurrerende uitgever, door de briefschrijvers ‘Paardenkop’ genoemd, die Reve bij hem had weggelokt. Reve was, na vele jaren van schrale verkoop van boeken als Tien vrolijke verhalen (1961) en Vier wintervertellingen (1963) bij Van Oorschot eindelijk doorgebroken met zijn geruchtmakende brievenboeken Op weg naar het einde (1963) en Nader tot U (1966). Toen het geloof van de uitgever in zijn auteur eindelijk werd beloond, stapte deze maar eens op. In 1972 verscheen De taal der liefde bij Athenaeum, Polak & Van Gennep. Een misselijke streek.

Reve had gelijk: deze brieven vormden explosief materiaal. Het boek zou een regelrechte bestseller zijn geworden. Zoals elke bundeling van oud Reve-materiaal als warme broodjes verkocht. De Volksschrijver was in 1983 al volop bezig, met hulp van zijn liefdesvriend Joop Schafthuizen, zijn ‘winkel’ flink uit te baten. Daarbij speelde hij zonodig zijn uitgevers – De Bezige Bij, Polak & Van Gennep, Elsevier, Veen, Thomas Rap – listig tegen elkaar uit.

Van Oorschot had ook groot gelijk om de brieven niet bij leven te willen publiceren. Ze geven blijk van een tumultueuze verhouding, die bij tijden warm en hartelijk was, maar evenzovaak giftig, rancuneus en agressief. De gedachte uitgever te zijn van een groot deel, wellicht het belangrijkste deel van Reves werk, maar toch niet dé uitgever aan wie het volledige werk zou toevallen, moet bij Van Oorschot veel wrok hebben veroorzaakt. Daarbij kan hij – terecht – niet gewild hebben dat de correspondentie, die hem vermoedelijk dierbaar was, een van de vele ‘brievenboeken’ werd. In die periode werd iedere briefsnipper van Reve, hoe onbetekenend ook, onbedaarlijk grappig gevonden.

Want Reve mocht dan in 1983 op zijn rommelzolder verder niets van belang hebben gevonden, toch zouden in de jaren erna, naast kleine uitgaven, nog de Brieven aan Wim B., Brieven aan Frans P., Brieven aan geschoolde arbeiders, Brieven aan mijn lijfarts, Brieven van een aardappeleter, Brieven aan Matroos Vosch uitkomen, alle bij Veen. De schitterende brieven die hij schreef aan zijn oude vriendin en astrologe Josine Meyer en de brieven aan weldoener Ludo P. verschenen wél bij Van Oorschot. Dat was een ruim gebaar van Reve om het herstel, het zoveelste herstel, van de band tussen vader en pleegzoon te bezegelen. Maar ook een ruimhartige daad van de uitgever, die veel achteloze beledigingen van hem had moeten slikken.

Nu, 22 jaar later, mag het volk eindelijk kennisnemen van 36 jaar correspondentie tussen Gerard Reve en Geert van Oorschot. De uitgeverij met die naam, nu bestierd door Van Oorschots zoon Wouter, geeft het uit; Reves ‘uiteindelijke’ biograaf, Nop Maas, droeg zorg voor een nauwkeurige en leesbare annotatie van de brieven. Maar een ‘bom’ is het niet meer, dit vuistdikke boek, ook al is ‘het ergste’ allerminst weggelaten. Zeker, ‘het verheft zich boven de tijd’. Naast vele zakelijke kattebelletjes zitten er meesterlijke, en aangrijpende brieven bij, van beiden. Maar het patina van de tijd verzacht de felheid van de emoties; oude wonden schrijnen niet meer.

Wat rest is een zekere treurigheid. Twee mannen, twee kolossale ego’s die botsten dat de vonken in het rond sprongen, al die hooglopende ruzies, al die dreigementen en de wraaknemingen – wat blijft ervan over? Nu is de een al achttien jaar dood en zit de ander in het verzorgingstehuis en laat zich het geserveerde voedsel, naar verluidt, goed smaken. Wat bleef is het beste van het werk dat de één uitgaf – Hermans, Vasalis, Nescio, Reve – en de ander schreef.

Dat laatste zouden best eens juist de boeken kunnen zijn die bij déze uitgever verschenen. Van Oorschot komt de eer toe in Gerard (Kornelis van het) Reve geloofd te hebben toen hij de licht krankzinnige schrijver was van één enkel boek, De avonden, dat een eenmalig succes leek. Hij bleef hem uitgeven toen Reve, nadat hem een reisbeurs was geweigerd door minister Cals, aankondigde dat hij alleen nog in het Engels zou publiceren, wat een jammerlijke mislukking werd.

Ook als de malligheid van schrijven in het Engels voorbij is, zit Reve nog lange tijd in een impasse. Voor een doorbraak zorgen zijn bijdragen aan Van Oorschots tijdschrift Tirade, begin jaren zestig. Hij begint zijn eerste, en beste gedichten te schrijven. Op reis door Spanje en Portugal schrijft hij brieven voor Tirade, onthutsend smartelijke en grappige brieven, zoals nog nooit iemand geschreven heeft.

Van Oorschot blijft zijn auteur steunen als de reisbrieven heibel veroorzaken en leiden tot de beruchte ‘ezelsprocessen’. Reve was aangeklaagd op grond van een passage waarin hij God in de gedaante van ‘een éénjarige, muisgrijze ezel’ liet bezitten door de ik-figuur. Hij wint de zaak, en Op weg naar het einde en Nader tot U zijn grote verkoopsuccessen. Tegen iedere verwachting in krijgt Reve in 1968 de P.C. Hooftprijs. Waarom verliet hij juist toen zijn uitgever?

Eind jaren zestig zijn er al stekeligheden over Tirade. Reve ergert zich aan de linkse ‘intelluelen’ in de redactie – onder anderen Aad Nuis en Joke Kool-Smit –, ‘onkreatieve’ lieden die religie verachten en bovendien de stukken van de door Reve en Van Oorschot bewonderde Jacques de Kadt niet lusten. Hij stapt enkele malen uit de redactie – ‘nooit heb ik een redaksievergadering meegemaakt waarop we plezier hadden, hartstocht voelden – altijd was het badinerend skepticisme’ – maar laat zich steeds weer teruglokken. En dan is er onmin over de advocaat die Van Oorschot hem aanraadt bij het eerste ezelsproces, ene Eyl, die er niets van bakt maar hem duizenden guldens kost. In wanhoop neemt Reve maar zelf de verdediging in hoger beroep ter hand.

Intussen kampt hij met depressies en belandt hij in het ziekenhuis met een delirium. Hij wil niks meer met die Amsterdamse ‘Vietcong-aanhangers’ en uitvretende kunstenaars te maken hebben, leest wrokkig alleen nog Elsevier en kijkt op de Verrekijk naar De fabeltjeskrant. Intussen is hij katholiek geworden – vol twijfel, want hij vindt het een infantiele godsdienst. Maar ja, het is niettemin het Ware Geloof; de irrationaliteit en de symboliek ervan sluiten naadloos aan op zijn verbeeldingswereld.

Van Oorschot kan in grote lijnen instemmen met Reves wereldbeeld. Ook hij moet weinig meer hebben van het socialisme, komt er rond voor uit veel geld te willen verdienen – later zou hij zelfs overwegen om katholiek te worden, wat Reve hem afraadt. Eind jaren zestig bloeit de vriendschap. Reve en zijn vriend Tijger komen geregeld bij Van Oorschot en zijn vrouw Hillie op bezoek in de Franse Drôme, waar deze een huis hebben. Het bevalt er zo goed, dat Reve en Tijger besluiten een lapje grond te kopen van de buurman. De Van Oorschots zijn dolenthousiast, maar net als Gerard, Tijger en de Nieuwe Jongen Woelrat daar op het Geheime Landgoed aan het bouwen zijn, bekoelt de vriendschap. Nu zijn ze buren, maar niet langer vrienden. De drie minnaars houden het trouwens ook niet lang meer met elkaar uit.

In 1970 verzekeren de briefschrijvers elkaar niet meer boos te zijn. Maar als Reve in 1973 juichend opschept dat er van zijn meesterwerk Betaalde liefde – zoals hij De taal der liefde graag noemt – 108 duizend exemplaren zijn verkocht en erop aandringt de omslagen van herdrukken net zo mooi te maken als Polak deed, knapt er iets bij de goedmoedige bullebak. In zijn volgende brief, met als aanhef ‘Mijnheer’, verzoekt hij ‘mij te verschonen van enigerlei verdere correspondentie’. Prompt schrijft Reve een woedende brief naar de redactie van Tirade: ene ‘drs. J.W.H. Veenstra’ had in dat blad beweerd ‘dat ik in een achterbuurt huis’. Dat hoeft hij niet te pikken. Het is weer voor een lange tijd mis. In 1977 besluit Reve dat hij over de rechten van zijn oude titels wenst te beschikken. In 1978 wordt de ruzie min of meer bijgelegd.

Beiden waren, lees je uit deze brieven, even temperamentvol als hypergevoelig, en zakelijk behoorlijk gis – een brandbare combinatie. Maar beiden konden er slecht tegen door de ander genegeerd te worden.

Reve is het meest vilein, Van Oorschot het snelst gekwetst. Het kost Reve grote moeite om niet eindeloos te emmeren over zichzelf, zijn succes, zijn depressies, zijn Verlosser en de Heilige Maagd, en niet telkens zijn in lood geklonken wereldbeeld te ontvouwen. In de ander lijkt hij nauwelijks geïnteresseerd. Herhaaldelijk moet Van Oorschot vragen wat Reve vindt van zíjn werk, dat hij schreef onder het pseudoniem R.J. Peskens. Nou, het kan ermee door: ‘Het zijn geen Reves, jouw boeken, maar een mens kan nu eenmaal niet alles hebben.’

Aardig is Reve als de uitgever bezocht wordt door ziekte en dood: als zijn zoon Guido in 1963 zelfmoord pleegt, zijn vrouw Hillie in 1979 overlijdt, en als hij zelf in 1985, met longkanker en een haperend hart, in het ziekenhuis ligt. De laatste jaren van Van Oorschots leven is het contact warm, op het sentimentele af. De uitgever is eenzaam, en hunkert naar ‘een paar lieve armen’. Over en weer worden tranenrijke omhelzingen gezonden en cadeaus geschonken. Nog één keer dreigt Reve Van Oorschot ‘met benzine te komen overgieten en in brand te steken’, maar het onweer waait snel over. ‘Je hebt jezelf tot mijn pleegzoon veroordeeld; nou, ik hou van je, en ik blijf altijd van je houden’, schrijft van Oorschot in 1985.

Er zullen niet veel mensen geweest zijn die dat zonder valse bijklank tegen Reve konden zeggen. Waren deze twee mannen maar wat aardiger voor elkaar geweest. Het had veel verdriet gescheeld, en het had de eenheid van Reves oeuvre geen kwaad gedaan als hij was gebleven bij deze uitgever die, zoals hij later toegaf, zijn boeken bijzonder mooi vormgaf. En, nog belangrijker: die als een van de weinigen begreep wat hem bezielde.

Gerard Reve/Geert van Oorschot: Briefwisseling 1951-1987. Bezorgd door Nop Maas. G.A. van Oorschot; 734 pagina’s; ¿ 32,50 (gebonden ¿ 45,-). ISBN 90 2825 050 0 (paperback) en 90 2824 049 7 (gebonden).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden