UYT DEN GHEEST

Nicolaes Berchem (1621/22–1683) was de meest veelzijdige Hollandse Italianisant. Toch werd hij vergeten. Het Frans Hals Museum wijdt een solo-tentoonstelling aan de schilder die Hollandse luchten combineerde met een Italiaanse gloed en sensuele boerenvrouwen....

Het gaat goed met de Italianisanten van de Gouden Eeuw, de Noord-Europese schilders die zich lieten inspireren door Italië. Ze zijn geregeld in tentoonstellingen te zien en ze hebben een vaste plek in de zalen van de belangrijkste musea voor oude kunst. Maar een schilder bleef in de luwte. Nicolaes Berchem (1621/22–1683).

Slechts een of twee kleine monografische tentoonstellingen kreeg hij, en niet in Nederland. Zijn naam is nauwelijks nog bekend. Toch werd hij tijdens zijn leven vele malen beter gewaardeerd en betaald dan zijn tijdgenoot Rembrandt. Zijn oeuvre is drie keer zo groot. Maar zijn faam overleefde de tijd niet.

Tot aan het begin van de 19de eeuw werden de Italianisanten, met Berchem als belangrijkste Hollandse aanvoerder, bedolven onder roem. Hun werk verkocht als broodjes in de 17de en 18de eeuw. Maar in de 19de eeuw zwol de roep om realistische schilderkunst aan. Hoe rauwer en ruwer hoe beter, het bestaan van armelui en arbeiders werd in vorstelijke proporties uitgebeeld, en de geïdealiseerde landschappen van de Italiëschilders raakten vergeten.

Niet dat er geen tentoonstellingen zijn. Al in 1965 maakte kunsthistoricus Albert Blankert in het Utrechtse Centraal Museum de tentoonstelling Nederlandse 17de-eeuwse Italianiserende landschapschilders, de eerste tentoonstelling die deze schilders uit het slop haalde. Het had een kanteling kunnen betekenen in de algemene waardering, maar die bleef uit. Tot het collectieve geheugen van de Nederlanders lijken de schilders nog steeds niet te zijn doorgedrongen. Musea blijven proberen. Vorig jaar nog presenteerde Henk van Os in Den Haag de conceptuele tentoonstelling Dromen van Italië, waarin hij met kunst uit vier eeuwen liet zien hoe de Europese beeldvorming over dat land zich heeft ontwikkeld, en gaandeweg steeds explicieter, op het druiperige af nostalgisch, werd.

Het Frans Hals Museum in Haarlem geeft nu de beurt aan Berchem met een omvangrijke solotentoonstelling. Nicolaes Berchem was de zoon van de stillevenschilder Pieter Claesz. die twee jaar geleden door hetzelfde museum werd geëerd. Niet geboren in Berchem maar in Haarlem waar zijn carrière van start ging, en doorgebroken in het welvarende Amsterdam.

Weinig is zo moeilijk als een overzichtstentoonstelling maken van iemand uit wiens oeuvre liefst ruim achthonderd schilderijen bewaard zijn gebleven. Berchem was een veelschilder, een meester van de groeiende kunstmarkt. Hij werd geloofd om zijn ‘Italiaanse licht’, de schilderijen die direct op het warme zuiden geïnspireerd zijn. Maar hij was ook consistent in zijn experimenteerzucht en bracht zo een enorme diversiteit in zijn werk aan.

Het Frans Hals Museum heeft voor die diversiteit gekozen, niet voor het verwachte. Al heet de ondertitel Het licht van Italië, op de tentoonstelling zijn ook prachtige, echt Hollandse winterlandschappen te zien, net als havengezichten en een enkele nocturne. Schilderijen van verschillende genres, en van verschillend niveau zijn bij elkaar geplaatst en helder gegroepeerd.

Het is te prijzen dat het museum niet heeft besloten de bestaande reputatie van de schilder – bij de kunstliefhebbers die zijn werk kenden – te bevestigen, maar een indeling te presenteren waarin juist een zoektocht zichtbaar wordt.

Berchem begaf zich niet op het terrein van de stillevens van zijn vader, die waarschijnlijk zijn eerste leermeester was. In de tentoonstelling is althans niet één stilleven te zien. Hij trainde zich in landschappen. Al is op een vroeg, nogal uit de toon vallend figuurstuk, De opvoeding van Zeus (1648), te zien dat hij al vanaf het begin de breedte zocht. Tegen 1650 brengt hij het warme licht van het zuiden aan in zijn stukken.

Italië was al een eeuw eerder ontdekt door Berchems collega’s Hendrick Goltzius, Maarten van Heemskerck en Jan van Scorel. Zij tekenden de klassieke opgravingen en verwerkten die later in schilderijen. Maar van het Italianiserend landschap als zelfstandig genre was pas sprake een paar jaar voordat Berchem actief was. Het is een apart genre, dat met interesse voor opgegraven beelden weinig te maken heeft.

Paul Bril en Pieter Brueghel de Oude zetten rond 1600 de standaard voor het nieuwe landschapsmodel: lage horizon, rustige bomen (niet zo grillig en knokkelig als de Hollandse), warm licht en een ‘dikke lucht’ – het atmosferisch perspectief dat Leonardo da Vinci beroemd had gemaakt, en dat nog steeds te zien is als je in de lente op een heuvel in Umbrië staat.

De belangrijkste bron voor de zijige, nostalgische landschappen zijn de klassieke teksten van de Italiaanse en Griekse dichters Vergilius en Theocritus. Van hen zijn de verhalen over het heerlijke rustige leven van herders en herderinnetjes in de schoonheid van het fantasielandschap Arcadië, gemodelleerd naar de landstreken in Zuid-Italië. Renaissanceschrijvers namen deze dichters als voorbeeld. Vooral door het in gewoon Italiaans geschreven werk Arcadia (1504) van de Napolitaanse Jacopo Sannazaro werd het genre nieuw leven ingeblazen. Het drong, een eeuw later, in Nederland door. Dichters P.C. Hooft en Jacob Cats beschreven verliefde herders in een landschap vol poëtische vergezichten, en kunstenaarsbiograaf Karel van Mander bezong het Italiaanse landschapsgenre in de kunst. Het viel samen met de opkomst van de ‘buitens’ van de rijke burgers, langs de Vecht en in het Kennemerland, én met de trend van ouders om hun jonge afgestudeerde kinderen op reis naar Italië te sturen, bij wijze van ontwikkeling.

In deze mode van het klassieke en het ideale, zorgeloze en zomerse buitenleven vielen de schilderijen van Berchem op zijn plaats – de zuidelijke landschappen leverden ruim twee keer zoveel op als de noordelijke landschappen van Jacob van Ruisdael.

Berchem gaf het genre een impuls door zijn spontaniteit. De compositie lijkt niet op een stel toneelcoulissen van bergen en bomen, maar is echt open, zoals vooral in de landschappen uit de jaren 1650 te zien is. En door de vele momenten van interactie die gaande zijn, verscholen in het schijnbaar stille landschap. Dieren snuffelen aan elkaar of vechten, in de verte zijn meestal nog meer figuren te zien, die hun eigen bezigheden hebben. De stilte ligt in de lucht, niet in het gebrek aan activiteit.

Maar wat het meest opmerkelijk is aan Berchems Italiaanse landschappen, of eigenlijk zelfs schokkend, is dat hij nooit zelf in Italië is geweest. De bekendste en meest veelzijdige Hollandse Italianisant is de verpersoonlijking van het ‘uyt den gheest’ schilderen, zoals in eigentijdse kunsttheorieën werd geprezen. Hij gebruikte de prenten van zijn collega’s die er wel waren geweest, zoals Pieter van Laer, Jan Both, Jan Asselijn en oudere collega’s als Paul Bril en Cornelis Vroom. En de rest deed hij uit zijn hoofd.

Juist in dat schilderen uit het hoofd is de meest originele vorm van zijn landschappen ontstaan. Het zijn mengsels, van Hollandse luchten en wolken, Hollandse ruïnes en vee, hier en daar een Haarlemse windmolen, en dat wat de schilder dacht dat typisch Italiaans was. Voor wie goed kijkt, is namelijk de echt Hollandse en zelfs Haarlemse invloed van bijvoorbeeld Jacob van Ruisdael en Adam Pynacker ook te zien. Met Ruisdael bezocht Berchem het kasteel van Bentheim, bij de Duitse grens. Van Pynacker nam hij de woeste, typisch Hollandse bomen over. En zo belandden die midden tussen de Italiaanse oranje gloed en sensuele boerenvrouwen.

Berchem creëerde zo een heel nieuwe variant van het genre. De zoektocht in het Frans Hals Museum laat de ontdekking daarvan duidelijk zien. De publieksinformatie zorgt ervoor dat er verband tussen Berchem en collegaschilders gelegd kan worden.

Het is de vraag of de tijd nu rijp is voor een stevige herwaardering van het Italianiserende landschap. Het niveau van de huidige Rembrandtwaardering zullen de schilders niet halen. De toeschouwer van vandaag wil daarvoor te graag quasi-onaffe, rauw geschilderde voorstellingen. Rafelrandjes en gruizeligheden, realisme in plaats van geïdealiseerde, niet-bestaande landschappen. Maar wie goed naar het werk van Berchem kijkt, ontdekt veel meer dan alleen een kopie van het literaire, klassieke Arcadische landschap dat zo modern was in de Gouden Eeuw.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden