Utopisch Yab Yum dat gierend uit de hand loopt

De operakunst kent een redelijk betrouwbare wetmatigheid: hoe onmogelijker de liefde, hoe intenser de muziek. Iets dergelijks moet Franz Schreker hebben geobsedeerd toen hij in 1918 zijn operatragedie Die Gezeichneten voltooide....

Het stuk beleefde vijftien jaar geleden een Nederlandse première in concertvorm, en is nu bij de Nederlandse Opera ook voor het eerst te zien, in een pakkende enscenering met alles erop en eraan.

Dit laatste in letterlijke zin. Zelden was boven de hoofden van het Concertgebouworkest zo’n intelligente rol weggelegd voor het mannelijk lid. Een toeristencollectief – een uitblinkend Nederlands Operakoor – nam bezit van het Muziektheater als was het een pas geopende Disney-attractie. Het werd er niet opgewacht door Mickey Mouse, maar door gemaskerde dames en Mister Dick in veelvoud.

Het bacchanaal dat erop volgde, een van de neteligste scènes uit de operaliteratuur, bleek in de aangrijpende regie van Martin Kusej de nachtmerrie van een tenor met talent voor masturbatie. Het is de Roemeense tenor Gabriel Sadé. Niet moeders mooiste maar ook beslist geen lelijkerd, en daarom te prijzen in zijn geloofwaardige vertolking van de hoofdrol.

In Die Gezeichneten is dat Alviano Salvago, een ‘getekende’, in wiens broeierige wereld de wijsheid dat op ieder potje wel een dekseltje past, niet opgaat. Hij is mismaakt, een kansloze op de liefdesmarkt. Compensatie zoekt hij in een utopie, een eiland dat hij voor anderen inricht als een ‘liefdesparadijs’.

Met zijn rijkdom en zijn vrienden die hem er aan alle kanten bijlappen, is Salvago ontsproten aan Franz Schrekers eigen fantasie. Schreker (1878-1934), een post-Wagneriaan die zijn eigen libretti schreef, stak er ooit Richard Strauss mee naar de kroon als Duitslands meest succesvolle operacomponist. Tot hij door de nazi’s werd weggezet in de rijen der ‘ontaarden’.

Dat laatste is een wrede paradox, want juist de ontaarding was Schrekers onderwerp. In zijn Freudiaans geïnspireerde, overbevolkte en semi-symbolistisch gestileerde Die Gezeichneten zit zowel naïviteit als visionaire kracht. Het is een profetie van de algehele ontsporing. Elysium, het Yab Yum waar de olifantman zijn bezoekers ontvangt, is een utopie die gierend uit de hand loopt.

Voorop in deze opera staat Carlotta, een ‘tekenares’, die belangstelling voor Salvago denkt op te vatten wanneer ze hem uitnodigt voor een portretsessie. Ze heeft er genoeg van wanneer het portret van de mismaakte klaar is, en levert zich vervolgens uit aan een van Salvago’s eilandvrienden, een hooghartige beau, genaamd Tamare.

Het speelt zich af temidden van iriserende, golvende, soms wat futloos wegebbende muziekmengsels, waarin de mooiste cantilenen voor de sopraanzingende tekenares zijn weggelegd. Haar zelfbegoocheling, in de gemankeerde liefdesscène, is van grote muzikale glorie, zij het van herkenbare komaf. Het is Wagner zonder verlossing (en zonder Leitmotive), Schönberg zonder hoop (en zonder twaalftoonsreeksen); Debussy zonder vluchtweg naar pure esthetiek.

Het bloedbad waar de vergissingen van Schrekers ‘getekenden’ in uitmonden, is intussen maar de afspiegeling van een grotere massacre. De meisjes in Salvago’s paradijsje blijken buiten diens medeweten slachtoffers van verkrachting en moord, een moreel abattoir waarin slachtoffers en daders gezamenlijk te gronde gaan. Droom- en flardsgewijs blijkt Schreker zijn voorspelling te hebben gedaan over seksslavernij en de snuff movie.

Ga daar als Ingo Metzmacher (dirigent), Martin Zehetgruber (decorontwerper) en Martin Kusej maar eens aan staan.

De productie in Amsterdam ging eerder in première in Stuttgart. Het paradijsje dat Zehetgruber ontwierp, is een spiegelpaleis. Voorzien van baden waarin water verandert in bloed, en uitgerust met een ‘atelier’ waarin Carlotta niet tekent, maar fotografeert met flits en filmt met stroboscoop. Het is een omgeving waarmee Kusej (die in Amsterdam vorig jaar een even harde als surrealistische Lady Macbeth van Mtsensk regisseerde) niet alleen collectieve zinsbegoocheling profileert, maar ook de toeschouwer in de begoocheling tracht mee te nemen.

Dat blijkt niet aldoor vanzelf te gaan. Een hinderpaal is Schreker zelf, als librettist. Zijn dramatische wendingen hebben zwakke motivering. De verandering van de koele mooie dame (de ook vocaal niet buitengewoon ravissante Kristine Ciesinski) in een hunkerend beest is weinig overtuigend. De ommezwaai van een braaf (naar dochters zoekend) burgercollectief naar een rampetampende sekte: je moet het maar aannemen.

Des te knapper is Kusejs gedetailleerde koorregie in de grote, door Metzmacher met zuigende orkestklank onderstreepte bacchanaalscène, waarin niet alleen met bijl, kettingzaag en Jan zonder Handen wordt gezwaaid, maar waarin ieder individu gevangen is in een eigen verhaal. Het applaus werd gehaald in blauwe badjassen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden