BoekrecensieDavid Mitchell: Utopia Avenue

Utopia Avenue zit bomvol cameo’s en is weer ouderwets mitchelliaans genieten ★★★★★

Utopia Avenue, over een vierkoppige band in de jaren zestig, is voor David Mitchell-begrippen een tamelijk conventioneel boek. Toch is het met zijn achtste roman – ­alleen al door de verrassende cameo’s – weer genieten.

Beeld Martyn Overweel

Tot de vele aantrekkelijke kanten van het schrijverschap van David Mitchell behoort het feit dat al zijn boeken bruisen van het schrijfplezier. Plezier in het componeren van elegante of juist rauwe zinnen, plezier in het spelen met tropen en conventies uit de meest uiteenlopende genres, plezier in het scheppen van krachtige personages die vervolgens in meerdere boeken blijken terug te komen. 

Plezier ook in het scheppen van een oeuvre van onderling aan elkaar verbonden maar toch uitstekend los van elkaar te lezen boeken. En in het nemen van literaire risico’s, want er lijkt geen experiment te zijn dat hij niet aandurft. David Mitchell is een gretige en avontuurlijke schepper die de lezer alle hoeken van het literaire universum laat zien. En de lezer ziet dat het goed is.

Utopia Avenue, zijn achtste roman, is naar Mitchell-begrippen een tamelijk conventioneel boek. Het speelt zich af tussen januari 1967 en oktober 1968, en vertelt in chronologische volgorde – onderbroken door flashbacks, dat wel – het verhaal van de opkomst en ondergang van de Britse popgroep uit de titel. 

De structuur van de roman is echter weer typisch mitchelliaans. Het boek bestaat uit drie delen, elk vernoemd naar een album van de groep, terwijl de hoofdstukken zijn vernoemd naar de songs op die albums. Telkens is de schrijver van de song de hoofdpersoon van het betreffende hoofdstuk, namelijk een van de bandleden van Utopia Avenue.

Hoogste tijd om het viertal voor te stellen. Zangeres en toetsenist is de in folkkringen al tamelijk bekende Elf Holloway. De rossige, tegelijkertijd welbespraakte en zwijgzame Jasper de Zoet (Nederlandse vader, Britse moeder) is de gitaarvirtuoos van de groep. Op bas treffen we de woest aantrekkelijke working class hero Dean Moss. De ritmesectie wordt gecompleteerd door drummer Griff Griffin, afkomstig uit het ruige Yorkshire en eveneens een jongen van de gestampte pot. Griff is de enige van de vier die geen songs schrijft en dus niet zijn ‘eigen’ hoofdstukken heeft. Hij figureert in die van de anderen en blijft het minst uitgewerkte personage van de band.

Kort nadat manager Levon Frankland, een naam die we ons herinneren uit The Bone Clocks (Tijdmeters) het viertal bij elkaar heeft gebracht, krijgen ze een gig in The Marquee in Soho, waar ze optreden met andere opkomende bands, luisterend naar namen als Traffic, Pink Floyd en Cream. Daarmee zijn de eerste van de vele pop- en culthelden uit de jaren zestig (en later) genoemd die de pagina’s van deze roman bevolken. We zijn dan al de hoopvolle jonge ‘artist at large’ David Bowie tegengekomen, die de nacht daarvoor van de Berlijnse muur heeft gedroomd en het hoopt te gaan maken met zijn ‘vaudeville psychedelica’ The Laughing Gnome.

Het is een van de speelse genoegens van deze roman: de opzichtige cameo’s van vrijwel iedereen die ertoe deed of zou gaan doen in de popscene van die dagen. Zelfs Shocking Blue maakt zijn opwachting. Mitchell schrijft erover alsof hij er zelf bij was. Dat hij pas in 1969 werd geboren is uiteraard geen enkel bezwaar: deze auteur schrijft ook overtuigend over Nagasaki anno 1799 of Ierland anno 2043.

Mitchells grote stilistische vaardigheden komen onder meer tot uiting door de manier waarop hij elk hoofdstuk de hartenklop geeft van het personage dat erin centraal staat. In de hoofdstukken gewijd aan de met relaties worstelende Elf is de toon ingetogen (‘Mona Lisa Sings The Blues’). Als de met psychische problemen kampende Jasper het hoofdpersonages is, is de sfeer duister (‘Jasper heeft zich teruggetrokken in Jasper’). Volgen we Dean, dan zijn branie, onbezonnenheid, woede en humor de sleutelwoorden (als Elf over een van zijn songteksten opmerkt dat hij het ritme van de ‘trocheïsche tetrameter’ heeft gebruikt, antwoordt hij: ‘Ik heb daar een middeltje voor, maar je kunt, nadat de symptomen zijn verdwenen, een week geen seks hebben’).

Van de vier bandleden is de ongrijpbare Jasper de Zoet (die in een platenzaak op The Cloud Atlas Sextet stuit en de muziek uiteraard hoogst inspirerend vindt) de meest fascinerende. Hij stamt uit een schatrijke familie van scheepsbouwers uit Domburg en heeft in zijn jeugd de nodige tijd doorgebracht in een Nederlandse psychiatrische inrichting. Natuurlijk zal hij een nazaat blijken van de hoofdpersoon uit The Thousand Autumns of Jacob de Zoet en uiteraard is dat niet de enige knipoog naar andere Mitchell-romans. Zo is er aan het slot een fraaie rol weggelegd voor de niet-versagende verslaggever Luisa Rey (Ghostwritten, Cloud Atlas, Slade House) en zal de oplettende lezer de namen herkennen van ‘oude bekenden’ als Robert Frobisher, Anthony Hershey, Aphra Booth, Jerry Nussbaum, Felix Finch, Dwight Silverwind, Izzy Penhaligon en Heinz Formaggio.

Verreweg de belangrijkste oude bekende is dr. Marinus (Thousand Summers, Bone Clocks). Via hem en Jasper belanden we opnieuw in de eeuwige strijd tussen de Chronometristen (mensen die telkens reïncarneren) en de Anachoreten (die sterfelijken vermoorden om zelf eeuwig te kunnen leven). De passages die hieraan zijn gewijd vormen de enige fantasy-elementen in deze verder realistisch opgezette roman.

Voor Nederlandse lezers biedt Utopia Avenue de bonus van een reeks Nederlandse elementen. De band treedt op in het Avro-programma Fenklup en in Paradiso, en snuift de ‘heerlijke geur’ van ‘bitternbollen’ op (er moet ook een foutje in staan natuurlijk). Ze wandelen langs het Rijksmuseum en het Anne Frank Huis, door het Vondelpark, over de Dam en langs de grachten, waaronder de ‘Grafgraversgracht’. En Jasper voelt zich thuis: ‘De Engelsen wantrouwen dualiteit. Ze zien het als potentieel verraad. In Nederland is het geen enkel probleem om een Duitse, Franse, Belgische of Deense ouder te hebben.’ Vertalers Damsma en Miedema zien zichzelf terug als auteurs van een wetenschappelijk werk en ook de Volkskrant blijft niet onopgemerkt.

Utopia Avenue is een nieuw onderdeel van de veelkleurige überroman waaraan David Mitchell, aanvankelijk onbewust maar gaandeweg steeds bewuster, al sinds zijn debuut Ghostwritten (1999) werkt. Wanneer we aan het eind van de roman afscheid moeten nemen van de musici die ons na honderden pagina’s dierbaar zijn geworden, is er één troost. Goede kans dat we één of meerderen van hen, in een andere roman, een ander tijdperk en een andere incarnatie, nog eens zullen tegenkomen.

Beeld Sceptre

David Mitchell: Utopia Avenue. Sceptre. Import Van Ditmar; 570 pagina’s; € 19,95. Op 29 september verschijnt bij uitgeverij Meulenhoff de Nederlandse vertaling door Harm Damsma en Niek Miedema.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden