Uren verwonderd turen naar miniatuurbeeldhouwkunst in het Rijks

De objecten van de expositie Small Wonders trekken je naar binnen, hoe klein ze ook zijn. Je vraagt je voortdurend af hoe men het in godsnaam heeft kunnen maken. Fascinerende houtsnijkunst uit de 16de eeuw.

sdsdBeeld sdsd

Brillenmannetje, waer bestu bleven? Turend naar Adam Dircksz' gebedsnoot waarop een mini-Christus wordt gepresenteerd aan een mini-Pilatus omringd door tientallen mini-Romeinen alsook een mini-aapje, zoek ik naar zijn bebrilde mini-gestalte. Schriftgeleerde, priester met tulband, stukje gotische architectuur, ah daar is-ie. Met zijn kijkglas en turende blik belichaamt hij de staat van dorveille, oftewel verhoogde kijkervaring. Dat hij in Small Wonders, een expositie van veertig gebedsnoten in het Rijksmuseum, opduikt in het eerste werk, kan geen toeval zijn.

Small Wonders

Expositie

Small Wonders, miniatuurbeeldhouwkunst uit de 16de eeuw, Rijksmuseum Amsterdam, 17/6 t/m 17/9.

Zulke gebedsnoten zijn devotionele sierobjecten uit de 15de en 16de eeuw. Stelt u zich voor: buxushouten balletjes, in formaat variërend van walnoot tot mandarijn, hun schil gedecoreerd met complexe ornamenten en Latijnse inscripties en de twee helften bijeengehouden door een sluiting die men kan openen als een vesthorloge of een Nintendo Game & Watch. En daarbinnen zit dan het werkelijk bijzondere: zowel hun onderste als bovenste helft bevat een haarfijn, handgesneden Bijbels tafereel. Piepklein, maar met de complexiteit van een altaarstuk.

Scènes uit het leven van Maria Magdalena, een kruisiging compleet met steigerende paarden en ruiters met speren en zo meer. Er bestaan ook gebedsnoten in de vormen van madonna's schedels, peulen en initialen. Kleine wonderen zijn het. Zie je er een, dan druk je je neus tegen de vitrine.

Het tinnen soldaatje, het poppenhuis, de dinky toy en het modeltreinlandschap: waarom vinden we zulke kleinoden toch zo leuk, zo schattig? Het zal te maken hebben met onze drang tot spelen, tot het creëren van een alternatieve realiteit, en, in het verlengde daarvan, een behoefte aan controle. Het kleine maakt ons groot, en het héél kleine maakt ons héél groot, groot als Godzilla, met een oog loerend door de ruit van een flatgebouw op Manhattan, groot als God die vanuit de hemel tandenknarsend toekijkt hoe zijn schepping het ervan afbrengt.

Adam Dircksz, gebedsnoot met kruisiging, buxus, 50 mm diameter, 1500-1530.Beeld Coll. New York, Metropolitan Museum of Art

In de Middeleeuwen had men voor zo'n perspectief een speciaal woord: turmblick, ofwel: torenblik. Vogelvluchtperspectief zouden we nu zeggen. Turmblick is wat Albrecht Dürer (1471-1528) toonde toen hij in zijn gravure Nemesis het plaatsje Klausen in de Eisackvallei liet zien als door de ogen van een adelaar. Turmblick: daarvan getuigen, met enige dichterlijke vrijheid gezien, ook de gebedsnoten in deze tentoonstelling.

Hun ontstaansgeschiedenis is wat schimmig, maar er is wel wát bekend. Zij werden niet geproduceerd in Vlaanderen, zoals lang is aangenomen, maar enkele honderden kilometers noordelijker, in Delft. Daar zou een atelier hebben gestaan dat qua werkwijze en omvang gelijkenissen vertoonde met een zilversmederij of horlogerie, en dat vermoedelijk werd geleid door ene Adam Dircksz.

Vermoedelijk. De bewijzen zijn niet waterdicht. Er is een inscriptie ('Adam theodrici me fecit') van Dircksz' naam op een gebedsnoot in Kopenhagen; er is het gegeven dat de naam Dircksz indertijd bovengemiddeld vaak voorkwam in Delft; er is een zekere mate van standaardisatie waarvan de afzonderlijke noten getuigen - dat is het wel zo'n beetje.

Met een loep maken en bekijken

Dat er in de Middeleeuwen al brillen bestonden is zeker (zie het mannetje in de gebedsnoot hiernaast). Dat men bij de vervaardiging van de gebedsnoten zicht versterkende hulpmiddelen gebruikte lijkt ook vast te staan; hoe anders kon men immers werken op de vierkante micrometer? Logisch dus dat in het Rijksmuseum bij enkele kunstwerken loepen liggen, robuust en zonder handvat. Loep bezet? Geen man overboord. Dan kunt u de zoomfunctie van uw smartphone gebruiken.

Wat met grotere zekerheid te zeggen valt: dat de maker, Dircksz of iemand anders, noch in splendid isolation werkte, noch uit het niets kwam. Zijn gebedsnoten en andere miniaturen (waaronder geweldige poppenhuisaltaarstukken met leeuwenpootjes en grafkistjes compleet met geraamten) zijn stevig verankerd in de houtsnijkunst van de late Middeleeuwen en kennen dwingende stilistische gelijkenissen met objecten uit dezelfde tijd als tabernakels, monstransen, preekstoelen en muziekinstrumenten. Ook zijn er gelijkenissen met grotere privé-altaarstukken. Leerde Dircksz het vak wellicht in een traditionele beeldsnijwerkplaats? Het kan niet worden uitgesloten.

Hoe het ook zij, zijn wonderen zijn niet onverklaarbaar. Zoals bij elk kunstenaar is zijn werk een optelsom van artistieke trucs. De belangrijkste is dat hij elke noot opbouwde uit losse onderdelen: buitenschil, binnenschil: voorgrond, achtergrond, et cetera. Details als engelen en speren konden via een vernuftig, aan het zicht onttrokken, luikje worden toegevoegd. Aan de productie kwamen vergrootglazen te pas, evenals houtbewerkingsgereedschap dat vagelijk doet denken aan het instrumentarium van een tandarts. Wie zulke methoden doorziet, voelt zijn bewondering voor Dircksz en zijn gebedsnoten niet afnemen. Integendeel. Die groeit er juist door.

Gebedsnoot in de vorm van een doodshoofd uit Duitsland. Hier buitenaanzicht, 51 mm diameter, 1515.Beeld Art Gallery Ontario

De functie indertijd kon wel eens minder ondubbelzinnig devotioneel zijn geweest dan lang werd aangenomen. Ze waren óók een sierproduct. Zeker, ze dienden als slotakkoord in een onbekend liturgisch ritueel, maar evenzeer om mee te pronken. De Rolex van de middeleeuwen? Dat misschien niet, maar het kwam er wel in de buurt. Rolex-waardig was in elk geval hun prijs, die opliep tot duizend middeleeuwse guldens, alsook hun beoogde cliëntèle, die werd gevormd door hovelingen als Maria van Bourgondië en rijke kooplui.

Zij bewaarden de noten in ijzeren bolletjes en in fluwelen knikkerzakken en soms ook wel in een speciaal voor het doel gemaakt sierdoosje, en namen de objecten mee op reis, om ze in gezelschap voor de dag te halen. Slechts weinigen was dat genoegen gegund; gebedsnoten zijn zeldzaam. Het totaalaantal bekende exemplaren dat is bewaard gebleven, komt niet uit boven de 65. Een kleine veertig daarvan zijn nu samengebracht op de tentoonstelling in het Rijksmuseum, een samenwerking met het Metropolitan Museum in New York en de Art Gallery of Ontario in Ontario; voorwaar een must.

Binnenkant van de schedel. Taferelen uit het lijdensverhaal van Christus. Anoniem, uit Duitsland, mogelijk Neurenberg, circa 1515. Gemaakt uit perenhout.

Het zijn heel verschillende exposities. De Amsterdamse editie is in termen van cultuurgeschiedenis de breedste van de drie. Naast gebedsnoten toont zij ook gerelateerde devotionele objecten, waaronder een beeldje van Golgotha met kruizen én met een gemeen kwelduiveltje. Ook is een schitterend bewerkt stammetje tentoongesteld, afkomstig uit het Victoria & Albert Museum in Londen. Het verbeeldt de legende van Sint Joris en de draak, een houtsnijwerk zo onnavolgbaar in zijn zwenkingen en verdraaiingen dat er computeranimaties en 3D-printers aan te pas lijken te zijn gekomen. Deze stukken zijn meer dan vrijblijvende decoratie of aantrekkelijke zaalvulling. Ze evoceren de hoogwaardige visuele cultuur waarvan de gebedsnoten deel uitmaakten. Ze maken de tentoonstelling compleet.

Het ontwerp van deze tentoonstelling is van de hand van vormgever Aldo Bakker (zijn eerste gastproject van deze omvang), en behoort tot de intelligentste die ik dit jaar zag. Van de barachtige, tot leunen uitnodigende verhogingen voor de grotere beeldjes (ze anticiperen op de behoefte de werken vanuit elke hoek te bekijken en op potentiële drukte op zaal) tot de velums en kubusvormige vitrines die de zaal met gebedsnoten terugbrengen naar een meer intieme schaal: alles is geraffineerd.

Ook geslaagd: de rangschikking van de gebedsnoten. Per vitrine worden zij getoond in een andere vorm of hoedanigheid: gesloten, open, naast elkaar, gedemonteerd, met blauw beschilderde achtergrond, aan een rozenketting, in de vorm van een grafkistje - verspringingen die de tentoonstelling een ontspannen, voortstuwend ritme geven. Het hoeveel-moet-ik-er-in-vredesnaam-nog?-gevoel blijft uit. Wie eenmaal kijkt, wil blijven kijken.

Mijn favoriet blijft de gebedsnoot die de tentoonstelling opent, uit de collectie van het Metropolitan Museum, die met het brillenmannetje, gemaakt ergens begin 15de eeuw. Binnenin zien we de kruisiging en Christus die voor Pilatus wordt gebracht, met op de zijluikjes... wacht, vergeet de zijluikjes, en nu we toch bezig zijn: vergeet ook de bovenkant; het is de Pilatusvoorstelling waarom het me te doen is. Die is tjokvol en dus duurt het even voordat je je weg erin hebt gevonden; voordat je gezien hebt dat dat mannetje dat zijn handen onder die kruik houdt wel Pilatus zal zijn; voordat je ziet ook dat rechts van het brillenmannetje een kerel met een doornenkroon door twee andere kereltjes wordt vastgehouden: Jezus, zo moet je aannemen.

Als je het al ziet. Voor elk figuurtje dat je aandacht krijgt, zijn er tien die genegeerd worden of die juist afleiden. Een standvastige blik is geboden, maar dan valt ook echt veel te genieten. Hoe rijk is deze wereld met zijn beulen en heiligen, met zijn holle en bolle vormen, die je ogen zo fijn kunnen aftasten, met zijn schier oneindige doorkijkjes waarin altijd wel een engel voorbijvliegt of een pak slaag wordt uitgedeeld; hoe doeltreffend in haar escapisme. Ik dacht dat ik een halfuurtje had staan kijken. Het bleek ruim twee uur. Zo lijkt kijken naar gebedsnoten een beetje op heel geconcentreerd (na)tekenen of gamen: ze maken dat je je directe omgeving vergeet. Geef hun je aandacht, en je krijgt er vakantie van jezelf voor terug.


Andere wonderen van verkleining

La boîte-en-valise
Marcel Duchamp, 1936, Stedelijk Museum

Het ziet er uit als de koffer van een huis-aan-huisverkoper, maar dat is het niet. Marcel Duchamps La boîte-en-valise (klinkt beter dan Doos in een koffer) bevat 69 miniatuurreplica's en reproducties uit het oeuvre van de kunstenaarwaaronder Het Urinoir en Het Grote Glas. Het Stedelijk Museum in Amsterdam bezit zo'n koffer, een uit de twintig exemplaren tellende eerste editie. Deze oplage is extra bijzonder omdat aan de koffers een originele tekening werd toegevoegd. Het werk werd op voorspraak van Duchamp zelf aan het Stedelijk geschonken door een vriendin van hem, de prominente Amerikaanse verzamelaar Katherine Dreier.

La boîte-en-valiseBeeld Stedelijk Museum Amsterdam

They're not pets, Susan, Slinkachu
(slinkachu.com)

Het Little People-project van de Britse kunstenaar Slinkachu behoort tot het soort kunst waarvan je je kunt voorstellen dat je het zelf ook gaat maken. Het bestaat uit treinlandschappoppetjes neergezet op straat, en wel in een zodanige context dat grappige verhaaltjes ontstaan. Op Slinkachu's Instagrampagina zijn er een heleboel te zien. Op één verkent een gezin de binnenkant van een zak chips als was het een grot. Op een andere heeft een man onder toeziend oog van zijn dochtertje een reusachtige (dus: normale) bij neergeschoten. Geinig.

Een onderdeel van het Little People-projectBeeld Slinkachu

Poppenhuis van Petronella Oortman
anoniem, 1686-1710, Rijksmuseum

Wie kleine wonderen zegt, zegt poppenhuizen. Ze zijn het eerste wat in je opkomt; het eerste waar je aan denkt. Wij associëren zulke huizen met kinderspeelgoed, maar in de 17de eeuw behoorde hun inrichting tot de vrijetijdsbesteding van volwassen vrouwen, ongeveer zoals de inrichting van een wunderkammer behoorde tot de vrijetijdsbesteding van volwassen mannen. Het Rijksmuseum bezit drie van zulke huizen; die van Petronella Oortman is waarschijnlijk de bekendste. Alle objecten zijn waarheidsgetrouw qua schaal en materiaal: glas, porselein, glaswerk, alles. Het poppenhuis had de waarde van een echt grachtenpand en vervulde Oortman terecht met trots. Toen het voltooid was, liet ze het portretteren door de schilder Jacob Appel.

Het poppenhuis van Petronella Oortman.Beeld Rijksmuseum
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden