Undercover als orthodoxe moslim in Transvaal: 'Ik wilde weten wie mijn landgenoten zijn'

Maarten Zeegers leefde drie jaar als orthodoxe moslim in de Haagse wijk Transvaal. Zo zag hij wat normaal verborgen blijft voor buitenstaanders.

Toen ik Transvaal verliet kende ik tien procent van de Koran uit mijn hoofd. Dat leverde veel respect op. Beeld Jiri Buller

Vanuit zijn nieuwe huis heeft Maarten Zeegers uitzicht op een grote moskee. Het gebouw is zowat het enige in de buurt dat hem herinnert aan zijn verblijf in het Transvaalkwartier, de Haagse probleemwijk waar hij zich drie jaar lang onderdompelde in de multiculturele samenleving en zich voordeed als bekeerde moslim.

Zijn nieuwe woning is het tegenovergestelde van zijn appartementje in Den Haag: hij ging van een vervallen arbeiderswijk met Bulgaarse, Marokkaanse en Roemeense onderhuurders als buren naar een strak, schoon en ruim koophuis met een tuin in een middenklasse-buurt. Nu heeft hij geen last meer van drugshandel, deurwaarders of inbraken.

Waar hij precies woont moet geheim blijven - voor het geval iemand uit Transvaal wraak wil nemen op hem. Zeegers (1982) maakt zich zorgen over de gevolgen van de publicatie van zijn boek Ik was een van hen. Daarin beschrijft hij hoe hij zich mengde in de islamitische wereld en andere gesloten gemeenschappen in de wijk. Meestal maakte hij zich niet kenbaar als journalist.

Na een paar maanden in Transvaal ging Zeegers een dubbelleven leiden. Hij liet zijn baard staan en gedroeg zich als een vrome moslim. Als zijn Syrische vrouw Sarah, die hij in 2011 leerde kennen tijdens een studie islamitisch recht in Damascus, wijn wilde drinken, kocht hij dat niet voor haar in de supermarkt. En als ze een jurkje aan had, wilde hij niet met haar over straat. Hij ging zo op in zijn onderneming dat hij op een gegeven moment zichzelf de Koran hoorde reciteren onder de douche.

Zo zag hij wat normaal verborgen blijft voor buitenstaanders: hij was bij een duiveluitdrijving, trok op met een teruggekeerde Syriëganger en maakte een rituele geseling mee, waar het bloed in het rond spoot, zo erg dat hij ervan flauwviel. Onderwijl werd Zeegers benaderd door de AIVD: of hij namen wilde doorgeven van jongeren die aan het radicaliseren waren.

In de Volkskrant, meestal in Vonk, publiceerde Zeegers stukken over zijn ervaringen in Transvaal. Bijvoorbeeld over zijn buurman die diep in de schulden zat. Zo iemand lichtte hij dan wel in over zijn werk als journalist. En om rond te komen werkte hij ook twee dagen in de week als vertaler van Arabische teksten.

Na de rellen in de Schilderswijk - naar aanleiding van de dood van Arubaan Mitch Henriquez, die afgelopen zomer door hardhandig optreden van de politie is gestikt - vond Zeegers dat zijn missie voorbij was. Hij vertrok als 'een dief in de nacht', zegt hij, zonder iemand gedag te zeggen.

Ik was een van hen

Maarten Zeegers, Podium; 288 pagina's; €19,90.

Was je al lang naar dat punt aan het toewerken?

'Ik zei nog tegen mijn vrouw Sarah: er zou eigenlijk iets spannends moeten gebeuren om het project groots af te ronden. Toen braken er rellen uit, dus in feite werd ik op mijn wenken bediend. Het is best heftig hoor, als er auto's in de fik staan, er met stenen wordt gegooid, winkels worden geplunderd en jongens achternagezeten door de ME. Ik stond midden op dat slagveld.'

Heb je het idee dat je die grens op moest zoeken?

'Ik vond het wel spannend, ja. Toen ik zag wat er gebeurde, wilde ik er meteen bij zijn. Ik ga risico's niet uit de weg. In Syrië ging ik ook naar de demonstraties toe. Iemand zei tegen me: altijd als jij ergens zit dan gebeurt er van alles.'

Wat was vooraf het plan?

'Ik kwam terug uit Syrië en ik moest ergens gaan wonen met mijn vrouw. Uit financiële noodzaak zijn we in Transvaal terechtgekomen. Daar vonden we een goedkope woning. Er was geen vooropgezet plan voor dit boek.'

Hoe kwam je dan op het idee?

'Ik kom uit een blanke middenklassewijk in Tilburg. Op de middelbare school en de universiteit zaten vooral veel van dezelfde mensen. Daarna verhuisde ik naar het Statenkwartier in Den Haag, daar is het helemaal 'ons soort mensen', allemaal bekakt, welvarend en hoogopgeleid. Nadat ik Syrië was uitgezet omdat ik als journalist stukken over de revolutie schreef, kwam ik in Den Haag in een straat te wonen waar ik de enige autochtone Nederlander was. Ik was daar de vreemde eend in de bijt. Ik wil daar meer over weten, dacht ik. Ik ging wat vragen stellen als journalist, maar ik liep al snel tegen een muur op. Ik werd gewantrouwd of weggekeken. Op een gegeven moment heb ik de keuze gemaakt om er dan maar helemaal in te gaan, undercover.'

Was dat een moeilijke keuze?

'Niet echt. Ik heb het er wel met Sarah over gehad natuurlijk. En ik weet nog steeds niet of het een goed idee is geweest. Ik ben er niet trots op.'

Voel je je een verrader?

'Ik heb een aantal mensen voorgelogen. Of in ieder geval niet mijn ware intenties getoond. Ik kan me voorstellen dat mensen dat vervelend vinden of zich verraden voelen, ja.'

Zijn dat mensen die je sympathiek vond?

'Zeker. Een aantal van hen waren gewoon mijn vrienden. Tenminste, ik ging zo veel met ze om dat je ze normaal gesproken vrienden zou noemen. Maar voor mij waren het natuurlijk ook altijd onderzoeksobjecten. Ik ging elke week met die jongens cheeseburgers eten. Ik vind het echt wel vervelend dat ik ze heb voorgelogen, ik loop er niet mee te koketteren. Maar ik heb er geen spijt van. Anders had ik dit boek niet moeten publiceren. Als het niet had gehoeven, had ik het niet gedaan.'

Waarom moest je dit boek dan schrijven?

'Ik denk dat het vooral persoonlijke interesse was. Ik ben benieuwd naar wie mijn landgenoten zijn. Je kunt wel stellen dat Transvaal en de Schilderswijk volledig gesegregeerde getto's zijn. Ik sprak een jongen die zei dat hij tot zijn 14de nog nooit een autochtone Nederlander had gesproken. Zo zijn er ook veel witte Nederlanders die nog nooit contact hebben gehad met Marokkanen of Turken. Daar wilde ik meer over weten.'

Wist je meteen dat je je normale leven grotendeels moest opgeven?

'Aanvankelijk niet. Ik ben er ingegroeid. Kijk, je kunt dit niet zomaar doen. Je moet kennis hebben van de islam, je moet weten hoe je moet bidden, hoe je de rituele wassing doet, je moet de Koran hebben gelezen en Arabisch spreken. Anders val je meteen door de mand. Toen ik Transvaal verliet kende ik 10 procent van de Koran uit mijn hoofd. Dat leverde veel respect op. 'O, u bent in Syrië geweest!', zeiden jongens op straat. 'Heeft u ook gevochten daar?' Op een islamitische conferentie werd aan mij gevraagd of ik het gebed wilde leiden, omdat ik het best Arabisch sprak. Dat wilde ik niet, omdat ik dat een stap te ver vond gaan.'

Je vond het dubbelleven geen groot offer?

'Voor mezelf niet, nee. Ik ben altijd een einzelgänger geweest. Voor Sarah, die atheïstisch is, was het wel lastig. Zij kwam net uit Syrië en hoopte in een vrij westers land te wonen. Vervolgens sleepte ik haar mee in een strenge islamitische wereld. Ik vond het niet zo moeilijk geen varkensvlees te eten of niet te drinken. En de Ramadan speelt zich vooral binnenshuis af, dus mensen konden toch niet controleren of ik wel vastte. Ik heb ook het ochtendgebed in de moskee gedaan. Als de wekker elke ochtend om vijf uur gaat, trekt dat wel een wissel op je.'

Raakte je het contact met vrienden en familie kwijt?

'Mijn ouders vonden het raar wat ik deed. Mijn moeder dacht dat ik echt moslim geworden was, want ik had het alleen maar over de islam. Ik heb wel minder vrienden gezien in die tijd. En als ik ze zag, spraken we buiten Den Haag af, voor de zekerheid. Er zijn momenten genoeg geweest dat ik dacht: shit, nu is het klaar, nu word ik ontmaskerd. Je bent constant bang om ontdekt te worden. Een keer bestelde ik een broodje gezond met ham, niet bepaald halal dus, bij een Turk die me herkende uit de moskee. Maar ik heb er niets meer over gehoord.'

Beeld Jiri Buller

Heb je nooit vragen gekregen over je stukken in de Volkskrant?

'Ik heb nog nooit gemerkt dat ze daar de Nederlandse kranten lezen. Kijk, mensen wisten ook wel dat ik eerder een boek over Syrië had geschreven. Ik gebruikte ook gewoon mijn eigen naam. Je kunt me zo vinden op internet. Ik heb geen andere persoonlijkheid aangenomen. Alleen over mijn bekering heb ik gelogen.'

Je vraagt een groot vertrouwen van de lezer: het is nauwelijks te controleren of wat jij opschrijft waar is.

'Ik heb expres Perdiep Ramesar, de voormalig journalist van Trouw, niet genoemd in mijn boek. Ik was zo boos dat hij met verzonnen bronnen een onzinnig verhaal schreef over de wijk waarin ik woonde. Hij heeft de journalistiek en mij persoonlijk schade berokkend. Alles wat ik schrijf is nu per definitie verdacht, omdat iemand anders fraudeert. Daarom moest ik voor mijn stukken in de Volkskrant de personalia opgeven van mijn geanonimiseerde bronnen, zodat ze te traceren zijn. Dat is ook goed, maar ik krijg nu al reacties: o, dat boek zal ook wel allemaal verzonnen zijn. Daar doe je niks aan, vrees ik.'

Je werd gepolst door de AIVD. Wat zegt dat over die dienst?

'In de eerste plaats dat hun informatiepositie niet goed is. Ze weten niet wat er speelt. Toen mijn achterbuurman naar Syrië vertrok wisten ze daar niets van. Terwijl hij altijd overal aanwezig was als er iets beleven was in het jihadistische circuit. Of ze lieten hem expres vertrekken, onder het mom: dan zijn we er vanaf.

'Ik vind het eigenlijk niet oké dat de AIVD journalisten benadert om hun vuile werk op te knappen. Bovendien is het gewoon gevaarlijk voor mij. En de belangrijkste reden om niet mee te werken is dat het mijn onafhankelijkheid als journalist aantast. Ik heb die man van de AIVD alleen een paar keer ontmoet, omdat ik wel wilde weten hoe zo'n dienst te werk gaat.'

Je vraagt jezelf af in het boek of je Aboe Yassien, je achterbuurman die naar Syrië ging en overleed, had moeten aangeven. Of dat je dan een ordinaire verklikker was geweest. Wat denk je?

'Op het moment dat je naar de politie gaat dan verraad je wel echt iemand. Het is een heel zielig verhaal. Hij nam zijn Nederlandse vrouw, een bekeerlinge, en jonge kinderen ook mee. Hij maakte zijn eigen keuze en vond de dood. Maar hij is ook verantwoordelijk voor zijn kinderen. Dat vind ik wel erg. Dat had ik misschien kunnen voorkomen.'

Op basis van de rellen vorige zomer concludeer je dat het nooit meer goed gaat komen tussen de politie en de bewoners in de Schilderswijk en Transvaal.

'Ja, maar het probleem zit dieper dan de haat tussen politie en de bewoners. Het echte probleem is de structuur van etnische segregatie. Er is een kloof tussen allochtonen en overheid, allochtonen en autochtonen. En er is sprake van vervreemding van de derde generatie ten opzichte van de westerse waarden. Dat baart me zorgen. De jongens die naar Syrië gaan om te vechten, dat is een symptoom van het probleem. Die jongens voelen zich hier niet thuis.'

Je schrijft dat jij eigenlijk heel goed kunt begrijpen waarom die jongens gaan.

'Je kunt je afzetten tegen de maatschappij die jou uitsluit. Het is een avontuur. Je kunt een held zijn, een martelaar in het paradijs. En al je zonden worden uitgewist. De meesten hebben genoeg op hun kerfstok, dus dat is een aantrekkelijk idee. Ze hebben eigenlijk geen redenen om niet te gaan. Het is maar hoe je de teksten interpreteert, maar ik lees ze zoals Syriëgangers ze ook lezen: dat de jihad een religieuze plicht is. Als ik zelf moslim was geweest, was ik misschien ook wel gegaan.'

Fragment: Maarten, jij heet vanaf nu Moestafa

'Dit is broeder Maarten,' introduceert Hamza me aan de mannen op de kussens. Hij biedt me een zandkoekje aan. Sommigen vinden me een vreemde vogel, anderen knikken instemmend als ze horen dat ik bekeerd ben.

'Maarten?', zegt de hoja fronsend. 'Als jij moslim bent, dan moet je een islamitische naam hebben. Jij heet vanaf nu Moestafa.'

Moestafa, Yaqoeb, Ibrahiem. De afgelopen tijd heeft mijn omgeving verschillende suggesties gedaan voor een nieuwe naam, de ene keer wat dwingender dan de ander.

'Maarten is geen goede naam', weet ook hadji Noeri. 'Is alcoholnaam.'

Waarschijnlijk doelt hij op de cognac Rémy Martin.

[...]

'Ga jij maar met hem sparren,' zegt de trainer, terwijl hij naar een Marokkaans jochie van een jaar of veertien wijst. Het kereltje is een kop kleiner dan ik en heeft nog echt een kindergezichtje. De trainer denkt vast: met nieuwelingen moet je voorzichtig zijn. Zeker met tere blanke Nederlanders.

Het ventje blijkt al jaren op taekwondo te zitten en geeft me binnen de minuut een paar vliegende karatetrappen in mijn zij. Zijn vriendelijke kindergezicht krijgt een verbeten blik wanneer hij zijn vuist vol in mijn gezicht plant. Het duizelt me voor mijn ogen.

'Wissel', roept de trainer na twee minuten. Ik hap nog steeds naar adem.

Voor mij staat nu een Marokkaanse knul van zestien, die eruitziet als vierentwintig en met armen als kolenschoppen. Daarmee pompt hij zo hard in mijn onderbuik dat ik het idee heb dat hij mijn darmen verpulvert. Ik wankel en val op de grond. Het voelt alsof ik ben overreden door een vrachtwagen. Ik probeer op te staan, maar zak weer in elkaar.

[...]

Ik hoop dat het ergste nu achter de rug is, maar dan klinkt het geluid van metaal op metaal. Uit plastic zakken komen ijzeren kettingen tevoorschijn met aan het uiteinde vlijmscherpe messen. Hiermee beginnen de mannen zich te geselen. Zo hard mogelijk. Een van hen schat ik hoogstens dertien jaar.

'Ya Husayn! Ya Husayn! Ya Husayn!'

De slagen laten diepe wonden achter op de ruggen. Stukken vlees vliegen door de moskee en bloed gutst op de vloerbedekking. Speciale toezichthouders houden de wonden van de mannen in de gaten. Wie te veel bloed op zijn rug heeft, wordt naar de keuken gestuurd voor behandeling. Er ontstaat een opstootje als de man met sportschoolarmen (die een uur geleden nog zat te snikken) weigert de zaal te verlaten. Het bloed druipt van zijn rug, maar hij vindt dat er niets aan de hand is.

'Ya Husayn! Ya Husayn! Ya Husayn!'

In de keuken proberen mannen met steriele handschoenen het bloeden te stelpen met hulp van tissues en speciale spuitbussen. Is dat gelukt, dan wordt de betrokkene weer de gebedsruimte ingestuurd. De mannen met opengereten ruggen lopen steeds pal voor mijn neus langs en raken me soms even aan. Ik voel dat ik opnieuw niet goed word.

[...]

In Frankie is het vanavond zoals altijd gezellig druk. Op de lantaarnpaal voor de snackbar is een sticker met de islamitische vlag over die van de Haagse Stadspartij heen geplakt. Een broeder met een krullende bos haar roept in onze richting: 'Weten jullie wat de oplossing is voor de crisis?'

Ik kijk naar de man in afwachting van een geniale economische analyse.

'ISIS!'

In het kielzog van Idriss en de hizbi's stap ik de snackbar binnen. Idriss schudt de hand van een jongen die patat aan het bestellen is en vraagt of de AIVD nog steeds achter hem aan zit. Ik herken hem van filmpjes van Shariah4Holland. Verder zitten enkele bestuursleden van de Soennah-moskee aan de kapsalons en een groepje jihadi's is bezig patatjes oorlog te verorberen. Als de AIVD ergens een microfoontje zou willen plaatsen, dan weet ik bij dezen nog wel een adresje.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.