Review

Uitstekende (en onthullende) biografie van Lucebert waarin toch ook de bewondering overeind blijft

De beroemde schilder en dichter Lucebert als overtuigde edelgermaan; het is moeilijk te geloven, maar de voortreffelijke biografie van Wim Hazeu, die donderdag verscheen, laat er geen twijfel over bestaan.

Het is behoorlijk schrikken. Een jeugdheld dondert van zijn sokkel. Lucebert (1924-1994), de dichter van de 'kleine, mooie, ritselende revolutie', van schoonheid die 'in deze tijd haar gezicht [heeft] verbrand', de dichter die luidkeels 'de ruimte van het volledig leven' opeiste, de 'Keizer der Vijftigers', was fout in de Tweede Wereldoorlog. En niet zo'n beetje ook. Volgens zijn biograaf Wim Hazeu meldde hij zich in 1943 om als vrijwilliger te gaan werken in Duitsland. Niet per ongeluk, of uit onbenul. De toen 18-jarige Bertus Swaanswijk uit de Amsterdamse Jordaan was ronduit pro-Duits.

Lucebert, uitgerekend hij. In mijn puberteit was hij al een oude man van bijna 50, maar toch bleef hij een rebel. Hij was een 'geëngageerde' dichter, die luid lachte om het gezag en de burger choqueerde. Een hofnar. We begrepen wel niet helemaal, als verblufte scholieren, wat hij bedoelde met een 'vloeibare engel' en 'een broodkruimel op de rok van het universum', maar groots en kosmisch klonk het wel.

Sommige regels waren wél begrijpelijk, zoals: 'marsmuziek is net zo bedorven/ als besmet voedsel' en de 'minnebrief aan onze gemartelde bruid Indonesia', zijn aanklacht uit 1948 tegen de afschuwelijke politionele acties. Zijn zangerige stem op het bandje dat de leraar Nederlands afdraaide klonk mysterieus, zacht maar dwingend. Ineens dacht ik die wonderlijke gedichten beter te begrijpen.

Wim Hazeu, Lucebert - Biografie (****), non-fictie.
De Bezige Bij; 928 pagina's; euro 39,99.

Duister verleden

Wim Hazeu (1940) was een puber toen Lucebert, in de jaren vijftig, steeds beroemder werd. Hij werd de biograaf van Achterberg, Slauerhoff, Vestdijk, Toonder en Escher, maar hij wist altijd, schrijft hij in zijn inleiding, dat hij ooit de biografie zou schrijven van Lucebert, de dichter die hem als jongen imponeerde, dé dichter van zijn generatie. Hij was, een jaar geleden, net klaar met zijn werk toen hij een pak brieven in handen kreeg, van Bertus aan zijn jeugdvriendin Tiny Koppijn. Bertus had haar leren kennen in de fotozaak waar ze beiden hadden gewerkt. Hij deed haar verslag van zijn wederwaardigheden in Duitsland. Hazeu moest zijn biografie over de bewonderde dichter daarna drastisch herschrijven.

Het begon gemoedelijk, het verhaal over drie vrienden, Bertus Swaanswijk, Hans van der Zant (de latere dichter Hans Andreus) en Wim Kraaijkamp (de broer van Johnny). Hazeu beschrijft ze als 'Titaantjes', aardige jongens die maar wat aanrommelden in het leven en grote maar vage plannen koesterden. De Jodenvervolging leek hun te ontgaan, net zoals de Februaristaking, het grootste protest daartegen van de communisten, dat door de SS keihard werd afgestraft. Het waren de communisten die een grote rol in het verzet zouden spelen.

Een paar jaar eerder hadden de drie jongens nog communistische partijvergaderingen bezocht. Bertus was boeken over Rosa Luxemburg gaan lezen - in de jaren tachtig zou Lucebert haar schilderen als een heldin. Maar tijdens de bezetting dreven de vrienden een andere richting op. In 1942 bezochten ze een bijeenkomst van het Nationaal Socialistisch Studentenfront, een antisemitische organisatie die hoge idealen bezong van een Nieuw Europa zonder Joden en bolsjewisten.

Joden kregen een persoonsbewijs met een J erop en moesten een ster dragen. Ontaarde 'negroïde' muziek, zoals jazz - waarvan Lucebert zijn leven lang zou houden - werd verboden. Maar Bertus en zijn vrienden gingen naar Duitse propagandafilms. Vader Swaanswijk, huisschilder, haalde een grote klus binnen: het overschilderen van Joodse straatnamen, en de zoon werkte mee.

Beeld silvia celiberti

In maart 1943 spreken Hans en Bertus - Wim was al eerder vertrokken - af zich te melden bij het Vrijwilligerslegioen, een onderdeel van de Waffen-SS. Hans meldt zich, Bertus deinst terug - hierover werd eerder geschreven door Adriaan Venema en door Jan van de Vegt in zijn biografie over Hans Andreus. Maar korte tijd later meldt de 18-jarige Bertus zich vrijwillig voor werk in Duitsland.

Hij krijgt een licht kantoorbaantje, en lekker eten in overvloed. Hij noemt Duitsland, het land van zijn geliefde Goethe en Rilke, in zijn brieven aan Tiny zijn 'Wahlheimat'. Hij gelooft in de superioriteit van het Germaanse ras. Van Gogh noemt hij 'den Germaansche zonneschilder', maar Nederland is een 'verdorven' land: 'Eerst wanneer alle Germaansche stammen verenigd zijn zal de Jood geen gelegenheid hebben bloed tegen gelijk bloed op te zetten'. En: 'De Joodse sjacherige zwetsaard heeft ons Nederduitsers erg, erg besmet.' Intussen worden de Nederlandse Joden systematisch vermoord en gaan de 'Anglo-Amerikaanse terreurbombardementen' gestaag door. Zelf wordt Bertus zich steeds meer bewust van zijn 'uitzonderlijke positie en adel'.

Het is nauwelijks te geloven, Lucebert als overtuigde edelgermaan en fel antisemiet. Een zendeling, een gezondene. Om heel verdrietig van de worden. Het moet zeer pijnlijk zijn geweest voor biograaf Hazeu toen hij dit ontdekte. Zijn teleurstelling is voelbaar, maar wordt niet breed uitgemeten. De citaten zeggen genoeg.

Het is een uitstekende biografie geworden, in mijn ogen Hazeu's beste. Ik ken de eerdere versie natuurlijk niet, maar de eerste helft van de biografie staat onder hoogspanning. Strak en afgemeten citeert Hazeu uit de brieven. Later in de biografie stipt hij op cruciale punten - waar Lucebert het fel opneemt voor Joden, communisten en buitenbeentjes bijvoorbeeld - het verleden even aan. Toch is ook zijn bewondering voor de dichter en mens Lucebert overeind gebleven.

'Stralend Licht'

Na 1945 heette Bertus, de uitzonderlijk getalenteerde tekenaar, schilder en dichter, ineens Lucebert, 'Stralend Licht'. Dat ietwat hysterische pseudoniem verdrong zijn echte naam. Voor vrouw en kinderen werd hij 'Loet'. De Bertus van voor en tijdens de oorlog moest kennelijk worden begraven.

Lucebert werd een kunstenaar die bood waar de naoorlogse jongeren naar snakten: bevrijdende, zinnelijke kunst. Wég met het brave burgerlijke gerijmel en de huiselijke kneuterpoëzie, met de brave landschapjes met molens en koeien. Dat kon niet meer nu het ware, wrede gezicht van de mens was geopenbaard. Dit was kunst zoals kunst bedoeld was: expressieve, rauwe, associatieve uitingen van woede en levensdrift, tekenen van een nieuwe tijd.

De jaren vijftig van de vorige eeuw zijn in de kunst- en literatuurgeschiedenis uitvoerig geboekstaafd: Cobra, de Vijftigers, de Grote Drie, wat valt er nog voor nieuws over te vertellen? Interessanter in deze biografie zijn de passages over Luceberts privéleven. De man die de show stal tijdens happenings, op foto's in de krant stond en die de 'voorman' was van de vriendengroep waartoe ook Remco Campert, Jan Elburg, Gerrit Kouwenaar, Simon Vinkenoog, Rudy Kousbroek en Bert Schierbeek behoorden, was met geen stok zijn atelier uit te krijgen. Hij woonde in Bergen, met zijn vrouw Tony en hun vijf kinderen, en vaak zaten ze maandenlang in hun huis in Spanje. Lucebert werkte onafgebroken. Hij begroef zich in werk, huis en haard. Met zijn demonen. Achteraf is dat te begrijpen.

Dat een adolescent die opgroeit zonder moeder en weinig opvoeding en opleiding heeft gehad, zich laat meeslepen door Germaanse retoriek is één ding. Maar wat zo tegenvalt: dat Lucebert later nooit voor deze dwaling is uitgekomen. Hij zou 'te werk zijn gesteld'. Generatiegenoot Günter Grass maakte in 2006 bekende lid te zijn geweest van de Waffen-SS. Hugo Claus schreef over zijn tijd bij een fascistische jeugdorganisatie. Lucebert, die man die genadeloos afrekende met hypocrisie, kleingeestigheid en machtswellust, hield zijn mond.

Kunst overleeft haar maker

Moeten we nu die poëzie en de schilderijen van Lucebert wegzetten als uitingen van een poseur? 'Mag' je dat werk nog wel goed vinden? Het is een vraag die dezer dagen opklinkt, en dan gaat het om mensen die zich schuldig zouden hebben gemaakt aan seksueel misbruik, zoals Kevin Spacey en Woody Allen. Al veel ouder is de vraag of je de romans van de antisemiet Céline wel mag lezen. En of je gebouwen van Le Corbusier, die dweepte met fascisme, wel mooi mag vinden. Of Gerard Reve met zijn grappen over het 'takki-takki oerwoud' niet toch een racist is die je moet doodzwijgen.

Lees en bekijk het allemaal wel, zou ik zeggen. Kunst overleeft haar maker en wordt telkens met nieuwe ogen gezien en gelezen. Als we alleen nog boeken, films, gebouwen en schilderijen mogen bewonderen van mensen die volgens huidige maatstaven moreel en politiek zuiver op de graat zijn, houden we bitter weinig over.

Kunst is nu eenmaal ook het product van conflict, schaamte en twijfel. Zij put ook uit het ongeoorloofde, het smerige, het weggestopte; zij schraapt over de bodem van de ziel. Dát is nu juist zo goed voelbaar in de gedichten en schilderijen van Lucebert. Hij moest zich een nieuw leven scheppen. Misschien hadden ze zonder zijn grote geheim nooit die enorme spanning gehad. Misschien is dat onzin.

De mens achter dat lichtgevende pseudoniem is voor mij, door deze onthullende en inzicht biedende biografie, wel iemand anders geworden. Dat is onvermijdelijk.


Lees hier een interview met biograaf Wim Hazeu

'Alles van waarde is weerloos', luidt de beroemde dichtregel van Lucebert. Zelf viel hij als een blok voor de ideologie van de nazi's, inclusief Jodenhaat. Dat onthulde Wim Hazeu in een biografie die donderdag verscheen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden