‘TWOOLS II’ koketteert met besmuikt jatwerk

‘Olé’, klinkt het zachtjes uit de mond van een danseres. Het kreetje ontsnapt eerder terloops dan dat het de kracht heeft van de bekende Spaanse uitroep. Choreograaf Ed Wubbe sluit er iedere entr’acte mee af die hij choreografeerde als lijm tussen zeven korte dansstukken die samen de elfde editie vormen van de non-stop-dansvoorstelling TWOOLS.

Het timide Olé staat symbool voor al het besmuikte jatwerk in TWOOLS 11. Wubbe leende krullige flamencobewegingen en keerde die sluiks naar binnen in plaats van uitbundig en trots naar buiten. De danseressen schommelen en sjoemelen er een beetje mee, met veel dribbelende pasjes op de plaats. Een paar van de andere deelnemende choreografen speelden opvallend leentjebuur bij het klassieke ballet. Georg Reischl, normaal een moderne Forsythe-adept, laat vijf mannen als halfwassen prinsen over het podium zwieren. Het vocabulaire uit een klassieke balletles wordt er in een paar minuten doorheen gejaagd. Maar omdat de tendu’s, de jétés en de dévellopés zo weinig gericht worden uitgevoerd ogen de dansers meer als oppervlakkige poseurs dan als exquise balletdansers.

Thom Stuart maakt het nog bonter in Zilverwerk (op het muzikale thema van Altijd is Kortjakje Ziek). Een grote groep mannen (van Scapino) en jongens (van de vooropleiding Muziek en Dans) spotten met het nichterig imago van de mannelijke balletdanser. Ze dollen over het podium in een ‘balleterig’ groepsstuk dat op de lach werkt maar ook rommelig oogt. De jeugdige dansertjes lokken natuurlijk applaus uit met kortstondige grimassen uit sport- en streetdance. Maar dit onderstreept dat Zilverwerk eerder een feestelijke festivaldans is voor een stadsparade dan een interessante choreografie.

De Fransman Jerome Delbey zoekt in Skin de esoterie op met een waterig duet tussen Rupert Tookey en Bryndis Brynjolfsdottir. De eerste stoeit met de lappen waarin de tweede zich als nimf heeft gehuld. Het resultaat: een fout soort pseudospiritualiteit.

Blijft nog over de spierballentaal die de jonge Loï c Perela met zeven dansers aardig weet te vermengen met sierlijke armen die zich als vleugels naar achter uitspreiden. En het mimische trio van Marina Mascarell Martinez over een jeugdherinnering rond een zelfmoordtrauma: de geknakte nek van Nicole Kohlmann spreekt daarin boekdelen. Maar ook hier weer: alle motoriek creëert vooral gladde poses aan de oppervlakte.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden