Twee nieuwe woonwijken in de Amsterdamse Staatsliedenbuurt Een stadsbuurt maken zonder straten is belachelijk

Twee nieuwe woonwijken in de Amsterdamse Staatsliedenbuurt...

HILDE DE HAAN; IDS HAAGSMA

600 woningen op het voormalig GWL-terrein, stedenbouw: Kees Christiaanse, architecten: Christiaanse, Neutelings, DKV, Zeinstra Van der Pol, Meyer & Van Schooten, ontwerp: 1990/94, in gebruik: zomer 1997 e.v.

208 woningen op het Witteneiland, stedenbouw en architectuur: Lafour en Wijk (projectarchitect: L. Borst), ontwerp: 1993/95, gereed: zomer 1997.

Niet bekend

De gouden jaren van de volkshuisvesting, begin deze eeuw, zijn niet helemaal aan de buurt voorbij gegaan en bijvoorbeeld K.P.C. de Bazel heeft in de Van Beuningenstraat een prachtig woonblok rond een gemeenschappelijke binnentuin gemaakt. Toen wist men even hoe belangrijk het is om het collectieve en individuele belang van bewoners in een goed evenwicht te brengen. In de jaren zeventig sloeg het verval in alle hevigheid toe, de buurt werd een bolwerk van de kraakbeweging.

Die tijd is voorbij. De krakers werden ouder, kregen kinderen en wilden dat alles anders en beter zou worden. Toen ongeveer ontstonden de plannen voor twee grootse projecten die, als oases, aan de stenen jungle van de Staatsliedenbuurt zijn toegevoegd. De een is gebouwd op het voormalig bedrijventerrein het Witteneiland, de andere op het vroegere gebied van de Gemeentelijke Waterleiding (GWL). Zij vormen een onderdeel van een aanpak die de hele Staatsliedenbuurt ten goede moet komen.

Zowel het GWL-terrein als het Witteneiland zijn opgezet als speerpunten die moesten helpen de hele buurt aantrekkelijker te maken, al werd natuurlijk ook veel oude bebouwing gesloopt, vervangen of opgeknapt. Daarom ook moesten het allebei echt stedelijke buurten worden, met een dichtheid van honderd woningen per hectare (ter vergelijking: Berlage- Zuid heeft 120 woningen per hectare, Nieuw Sloten circa 45). In beide plannen sluiten de nieuwe woonblokken min of meer aan op het stratenpatroon van de oude omgeving, en kregen markante oude bedrijfsgebouwen een ereplaats tussen de nieuwbouw in.

Het zijn werelden van verschil geworden. Het GWL-terrein ontpopt zich als een aanslag op de stad, een introvert gebied dat nauwelijks een verrijking is voor de wijdere omgeving. Het Witteneiland is daarbij vergeleken een bescheiden project, maar wel een hoopvolle handreiking om de hele buurt nieuw leven in te blazen.

Toch gingen vooral de plannen voor het GWL-terrein gepaard met hooggestemde idealen: dit moest een heuse milieuwijk worden, waar zuinig met water en energie wordt omgegaan en zorgvuldig wordt omgesprongen met bouwmaterialen. Ook kregen zoveel mogelijk woningen een eigen tuin en werd de auto in de ban gedaan. Om niettemin te ontkomen aan het wat knusse imago dat groene architectuur omgeeft, werd een keur van vooruitstrevende ontwerpers aangetrokken. Het stedenbouwkundig ontwerp werd gemaakt door Kees Christiaanse, het terrein werd ingericht door Adriaan Geuze.

Ook de situatie was uniek. Oorspronkelijk had de gemeente het plan om hier 600 woningen te bouwen volgens een conventioneel stratenplan maar toen de Staatsliedenbuurters daar lucht van kregen, werden de plannen ijlings geconfisceerd. Zij zorgden dat niet de gemeente maar de onafhankelijke stichting Eco-plan de woonwijk ontwikkelde.

De bundeling van ambities heeft jammer genoeg niet geleid tot een stedelijke visie. Oppervlakkig gezien lijkt het wel of aansluiting is gezocht met de Staatsliedenbuurt, maar in wezen zet het GWL-terrein zich daar juist tegen af. Stedelijk van maat zijn eigenlijk alleen de twee reusachtige, langgestrekte hoogbouwblokken aan de rand van het terrein; een kunstgreep om de lagere blokken wat ruimer in het groen te kunnen zetten.

Maar dat betekent wel dat 57 procent van de woningen als voornaamste functie heeft de geluids- en windoverlast voor de rest te beperken. Om dat leed te verzachten kregen veel bewoners van deze hoogbouw zogenaamde nutstuintjes op de begane grond, wat het onstedelijke, anti-openbare en vooral kneuterige karakter van dat terrein nog versterkt.

Daar komt bij dat de jonge bouwmeesters er niet van te weerhouden waren hun eigen experimenteerlust belangrijker te vinden dan het woonplezier van de bewoners. Er is een overdaad aan trappen en binnenstraten, veel kamers zijn onpraktisch en de plafonds zijn meestal laag.

Mooie straatgevels ontbreken aan bijna alle blokken. Ofwel je kijkt, als wandelaar, tegen zoiets intiems als achtertuintjes aan, of tegen gevels zonder deuren. De rode baksteen die voor alle architecten verplicht was, en die de band met de oude buurt zou moeten versterken, blijkt in de praktijk een hard, afwerend materiaal, waarin de eentonige reeksen ramen de ongenaakbaarheid ervan nog onderstrepen.

Zo dreigt het GWL-terrein, naast de stenen jungle vlak ernaast, een nieuwe, nog bekrompener jungle van meidoornhagen te worden. Hier blijkt weer eens hoe belachelijk het is om een stadsbuurt te maken zonder straten; een stad is er immers niet alleen voor de bewoners maar ook voor de wandelaars. Hadden die architecten maar even gekeken bij dat blok van De Bazel, pal naast het GWL-terrein. Dan hadden ze kunnen zien hoe juist zorgvuldig vormgegeven woonblokken kunnen bijdragen aan de kwaliteit van het publieke gebied.

Hoe anders is dat op het Witteneiland dat met veel minder poeha werd opgezet: hier was gewoon sprake van een woningbouwvereniging (Rochdale) en een architectenbureau dat tevens zorgde voor het stedenbouwkundig plan.

Lafour en Wijk kozen ervoor om in het noordelijk deel van het eiland het stratenpatroon van de omgeving voort te zetten, maar aan de zuidkant zetten zij drie waaiervormige hoge torens die niet alleen een markant en sierlijk herkenningspunt vormen, maar tegelijkertijd een herkenbare stapeling van individuele woningen zijn; met vriendelijke voordeuren, ramen en balkons.

Het openbare gebied is hier niet volgeplempt met tuintjes, maar keurig bestraat. Toch is ook hier de auto op bijna het hele terrein geweerd, maar dan zonder dat dit een aanslag betekent op de omliggende straten, er is gewoon een parkeergarage. En tegelijkertijd is er wel degelijk groen, in de vorm van goed verzorgde gemeenschappelijke tuinen.

Tenminste: dat geldt voor de kop van het eiland. Want ook dit project is niet helemaal geslaagd. In het half gesloten bouwblok op de noordkant werd het binnenterrein half-openbaar: wel zichtbaar vanaf de straat, maar hermetisch afgesloten door afstotelijke hekken. Het neemt niet weg dat je tenminste op de helft van het eiland even het idee hebt dat de Staatsliedenbuurt ooit een riante, stedelijke wijk kan worden.

Hilde de Haan

Ids Haagsma

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden