boeken twee keer joodse familiegeschiedenis

Twee indringende oorlogsverhalen als familiegeschiedenis (vier en vijf sterren)

Philo Bregstein reconstrueert hoe zijn Joodse familieleden op uiteenlopende wijze de confrontatie met de vernietigingsdrang van de nazi’s ondergingen. Nog indringender is het oorlogsdagboek uit Amsterdam en Jutphaas van de Duits-Joodse Paula Bermann.

De gestolen tijd Beeld Typex

In een café in de Litouwse stad Kaunas leerde Philo Bregstein, bekend Nederlands filmmaker en publicist, van zijn neef Grisja Bregstein hoe je naar behoren wodka drinkt. Het volle glaasje in één teug leegdrinken en meteen weer vullen. De ontmoeting vond plaats in het kader van de zoektocht die Philo Bregstein was begonnen naar de roots van de Joodse familie van zijn vader Marcel. 

De familie kwam oorspronkelijk uit het Litouwse sjtetl Panemune, een dorpje aan de rand van Kaunas. Sommige familieleden, onder wie Philo’s grootvader Shepsel – deze Jiddisje voornaam zou hij in Amsterdam officieel laten veranderen in het chiquere Etienne – hadden Panemune al begin twintigste eeuw verlaten en waren uitgewaaierd naar Europa en Amerika. Anderen waren gebleven en leidden er een simpel maar geen slecht leven tot de geschiedenis zich vanaf 1940 op een overweldigende wijze op hen stortte.

Bregsteins boek, De gestolen tijd, is zowel een oorlogsverhaal als een familiegeschiedenis. Philo Bregstein heeft kosten noch moeite gespaard om zoveel mogelijk familieleden, in Litouwen, waar nog maar een enkeling over is, New York, Los Angeles, Buenos Aires, Montevideo en diverse plaatsen in Israël op te zoeken en te spreken. Dat geeft een bont, caleidoscopisch beeld van een over vier continenten verspreide familie. 

De eerlijkheid gebiedt evenwel te zeggen dat de indruk die je als lezer van al die Bregsteins, Breakstones en Bregsteinas krijgt nogal aan de oppervlakte blijft. Met als uitzonderingen Bregsteins vader Marcel, zijn moeder Rie Bregstein-Bakker en opa Shepsel/Etienne. Hun door oorlog en Holocaust bepaalde tragiek wordt helder en pijnlijk belicht. Grootvader Etienne werd voorjaar 1940 in Marseille, waar hij op bezoek was bij zijn zuster, verrast door Hitlers aanval op Nederland, België en Frankrijk. In wanhoop sprong hij uit zijn zusters raam, raakte zwaargewond, werd met zijn vrouw Betty per ambulance naar het neutrale Lissabon gebracht en overleed daar in oktober 1940. Betty wist een visum voor de VS te bemachtigen en stierf een half jaar na aankomst in New York. Vader Marcel overleefde de Duitse bezetting dankzij zijn huwelijk met de niet-Joodse Marie. Zij sleepte, schrijft zoon Philo, man en kinderen ‘als een leeuwin’ de oorlog door en zorgde bovendien voor onderduikadressen voor Philo’s schoolvriendje Benno en andere Joodse bekenden. 

Het was veel, allemaal, te veel, en na 1945 kreeg Rie last van zware psychosomatische kwalen. Daardoor raakte haar huwelijk met Marcel, de eminente jurist, hoogleraar burgerlijk recht, ontwricht. Op 57-jarige leeftijd viel ook Marcel uit het raam, in zijn hotel in Palermo. Anders dan bij Etienne was die val een ongeluk. Maar, meent Philo: ‘Mijn vader was, ondanks zijn intellectuele almacht, aan zijn onmacht om te leven te pletter gevallen.’

Philo Bregstein: De gestolen tijd – Op zoek naar mijn Joodse familie

Boom; 376 pagina’s; € 29,90. Vier sterren.

In het hart van De gestolen tijd staat het land van herkomst van de Bregsteins, Litouwen, en het gruwelijke lot van de daar achtergebleven Joden. Neef Grisja en zijn vader Moisje hadden, cynisch gesproken, nog geluk. Als anticommunist werd Moisje door de Russen met zijn familie in 1940 naar Siberië gedeporteerd. Moisje Bregsteinas kwam in de Goelag terecht, maar overleefde. Van de 240 duizend Joden die na het vertrek van de Sovjet-troepen op 22 juni 1941 in Litouwen bleven, viel 95 procent ten prooi aan de moordzucht van de nazi’s, helaas in vele gevallen bijgestaan door Litouwse ‘patriotten’.

Een veelomvattend boek, De gestolen tijd. En een interessante reconstructie van talrijke, uiteenlopende manieren waarop Joodse Europeanen de confrontatie met de vernietigingsdrang van de nazi’s ondergingen. 

Maar hoe waardevol ook, de emotionele impact blijft – ook al omdat er over de Holocaust zeer veel is geschreven – minder dan het geval is wanneer je als lezer rechtstreeks getuige wordt van de politieke en emotionele ontwikkelingen in die donkere oorlogsdagen. Zoals in de dagboeken van Anne Frank, Etty Hillesum en Hanny Michaelis, om er slechts enkele te noemen. 

En nu is er het oorlogsdagboek van de Duits-Joodse Paula Bermann. Jarenlang stonden de vier in ouderwets Duits handschrift volgekriebelde schriftjes in de boekenkast van haar dochter Sonja. Zij, haar broer Hans en zus Inge besloten in 1984 de schriftjes ter inzage te geven aan Johan Winkelman, hoofddocent Duits aan de Universiteit van Amsterdam. Hij deed er drie jaar over om het geheel te ontcijferen en te vertalen, maar bij nader inzien wilden Paula’s kinderen er toch liever niets mee doen. Pas in 2017 gaf kleindochter Linda toestemming voor publicatie en nu ligt Deze ontspoorde wereld er, met een inleiding van Arnon Grunberg en onder redactie van Elma Drayer, die vooral uitvoerige recensies van in de oorlogsjaren door Paula gelezen boeken heeft ingekort. De gevoelige, maar niet sentimentele dagboekaantekeningen laten van week tot week, maand tot maand zien hoe een al haast niet te hanteren toestand zich steeds verder ten kwade ontwikkelt en het dagboek liet althans deze lezer diep ontroerd achter.

Deze ontspoorde wereld – Het oorlogsdagboek van Paula Bermann – Amsterdam 1940 – Jutphaas 1944.

Uit het Duits vertaald door Johan H. Winkelman. Woord vooraf Arnon Grunberg. Samenstelling Elma Drayer.

Balans; 317 pagina’s; € 22,50. Vijf sterren.

Paula Bermann, geboren op 9 maart 1895 in Keulen, trouwde op 22 augustus 1918 met de Amsterdammer Coen van Es. Tijdens de Eerste Wereldoorlog was ze verpleegster aan het Franse front en kreeg daarvoor het Duitse Verdienstkreuz. Met Coen kreeg ze drie kinderen, de oudste, Hans, studeerde in 1940 medicijnen, de artistiek begaafde Inge hoopte na haar eindexamen naar de Rietveldacademie te gaan en Sonja, de jongste, zat in de eerste klas van de middelbare school. Het gezin woonde in Amsterdam Zuid aan het Valeriusplein.

Het eerste schriftje begint op 15 juni 1940, een maand na de Nederlandse capitulatie. ‘Aan het feit dat we Joden zijn, valt niets te veranderen’, noteert ze, fatalistisch. Coen vraagt zich af of ze niet kunnen emigreren, maar Paula voelt daar niets voor. ‘(…) dan ga ik liever hier te gronde. (…) Alleen de plicht tegenover man en kinderen houdt me staande.’ Ze lijdt onder de oorlog, maar nog is het de oorlog als zodanig, niet een specifieke vervolging. Zo noteert Paula op 23 juli 1940 verrassenderwijs: ‘Het spijt mij dat Hitler en Engeland het niet eens konden worden. Nu breekt de hel opnieuw los.’ Ook maakt ze zich zorgen die een tijdje later waarschijnlijk als luxe zouden overkomen. Over de 17-jarige Inge; zij zou zich ‘als jong meisje wat netter kunnen kleden, meer op haar uiterlijk moeten letten, haar nagels verzorgen. Ik was als jong meisje anders, meer een dametje.’ Op 20 september: ‘Hans heeft vandaag zijn kandidaatsexamen met succes afgelegd. (…) Nog vier jaar (wie weet of het ooit zover komt) en dan is hij huisarts.’

Eind februari 1941, de maand van de Amsterdamse Februaristaking, voelt Paula in zichzelf ‘een jubelstem’, omdat in Nederland, anders dan in Duitsland, de christenen de Joden willen helpen. Desondanks gaat het al snel verder de verkeerde kant op. 5 september 1941: ‘Gisteren is Sonja’s oude school weer begonnen. Al haar vriendinnetjes mochten beginnen, alleen zij en haar Joodse lotgenootjes waren buitengesloten. (…) De directrice schreef ons dat ze hoopt dat Sonja een fijne herinnering aan de school bewaart. Met de schrijfmachine geschreven (...)’, een ‘standaardbrief (…) die door zijn koele zakelijkheid zwaar op het hart drukt.’ 17 september 1941: ‘Eergisteravond is er voor ons Joden een verordening uitgegaan die het bezoek aan parken, theaters, cabarets, bibliotheken, musea, Artis, enzovoorts verbiedt. Nu nog de tram en de trein en het gele herkenningsteken.’ De gele ster als merkteken werd in mei 1942 ingevoerd. In juli van dat jaar kwamen de eerste oproepen om zich te melden voor vertrek naar Polen en de eerste razzia’s.

In haar tweede dagboekschrift blikt Paula op deze episode terug. Half juli doken Hans en Inge onder, Paula leek dat aanvankelijk juist veel te gevaarlijk, maar ze veranderde al snel van mening. ‘Ik, die nooit zonder ster de straat op wilde, trok de sterren van onze jassen en kleding en verliet op een hete middag mijn huis, liep met man en kind en met drie koffers door onze straat (…).’ Ze vonden een veilig adres in Jutphaas en konden contact houden met alle drie kinderen. Toch was de onderduik een angstig, onplezierig avontuur. Paula voelde zich vastzitten in een kooi. ‘Ik schrijf, ach, wat stelt het voor, ontboezemingen van een dakloze, ontheemde, ondergedoken vrouw.’ (4 januari 1943). En later nog eens: ‘Dit isolement is zo erg. Het eerste jaar ging het nog, maar nu we hier overmorgen al zestien maanden zijn, denk ik dat ik het niet lang meer uithoud.’ Toch bleef het een kwestie van volhouden. 25 januari 1943: ‘Dat de kinderen niet in handen van de vijand vallen – het is mijn gebed van de vroege morgen tot de late avond.’

De laatste aantekening in het vierde schriftje dateert van 19 maart 1944. Een paar dagen later bleken Paula en Coen te zijn verraden en werden ze opgepakt. Ook Inge werd gepakt bij de ouders van haar vriend, die zelf kon ontsnappen. Sonja en Hans ontkwamen. Paula, Coen en Inge kwamen via Westerbork in het concentratiekamp Bergen-Belsen terecht. Coen bezweek daar op 21 januari 1945 aan tyfus, zes dagen daarna werd Paula met doorgesneden polsen in de sneeuw gevonden. Inge werd door de Amerikanen bevrijd. Paula’s innigste smeekbede kwam uit: haar drie kinderen hebben deze hel overleefd.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden