tussen strijd en samenwerking

Veertig duo’s, trio’s en zelfs een zevental: in Brussel zijn broers en zusters in de kunst uit twaalf eeuwen bijeengebracht....

Je zal maar de broer van kunstenaar Erik van Lieshout zijn. In zijn recente video Up! (2005) laat hij zichzelf filmen terwijl hij langs therapeutische weg aan de invloed van zijn moeder probeert te ontsnappen. Dat levert niet alleen een helder inkijkje in therapie-land op (‘Kijk Erik, de man ontvangt via zijn hoofd en geeft via de penis, terwijl de vrouw . . .’) maar toont ook het bijna radioactief stralende ego van stuiterbal Erik. Die huilt, graaft, schmiert en psychologiseert met zoveel overgave, humor en lawaai dat het niet voor te stellen is dat daar een moeder invloed op heeft kúnnen uitoefenen. Laat staan dat er nog ruimte was voor andere ego’s, hoe klein ook, binnen dat gezin.

Toch is dat zo. Erik (1968) heeft nog twee broers in de kunst, de tweeling Dirk en Bart (1973). Dirk heeft een eigen loopbaan als maker van ruimtelijke installaties. Bart is initiator van educatieve kunstprojecten en werkt af en toe met Erik samen: zo trad hij op in films van Erik (waarin Erik zich als een bemoeizuchtige moeder over Bart ontfermt) en ontwikkelde samen met hem een ‘snoezelbus’ voor verstandelijk gehandicapten.

Het is jammer dat de video’s en tekeningen van Erik, de ruimtes van Dirk en de projecten van Bart niet opgenomen zijn in de tentoonstelling Family Affairs – Broers en zusters in de kunst in het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel. Ze hadden namelijk prachtig het onderzoek geïllustreerd dat voor deze tentoonstelling gedaan is naar verhoudingen tussen kunstenaars-broers en zussen.

De Van Lieshouts zijn klassieke kunstenaars-broers. Afgaand op hun werk vormen Erik en Bart (met tussenpozen) een zogenaamde dyade: een twee-eenheid waarbij de één zich aan de ander spiegelt. Maar verder hebben Erik, Dirk en Bart binnen de kunsten een heel andere niche gekozen; volgens gezinspsycholoog Frank Sulloway een onontbeerlijke strategie waarmee kinderen binnen een gezin zich een eigen plaats verwerven waar ze zich in alle rust kunnen ontwikkelen.

Of die theorie de broers Van Lieshout iets zegt, is maar de vraag. Maar het onderzoeken van bloedbanden is wel een interessante manier om door de kunstgeschiedenis heen te wandelen – welke broers/zussen kennen we in de kunsten, hoe verhielden ze zich tot elkaar? Het Paleis voor Schone Kunsten heeft daarmee een zomertentoonstelling in huis waarmee het zich geen buil kan vallen, want ‘familie’ is een onderwerp dat bijna iedereen wel bezighoudt: ‘Blood’s thicker than mud’, zong Sly Stone in 1971 in het nummer Family Affair.

Het is geen bijster originele invalshoek; kunstenaarskinderen uit een gezin worden vaker onderzocht. Zo diepte het Rembrandthuis eind vorig jaar tachtig werken op van de familie Ter Borch, waaruit bleek dat niet de bekende Gerard, maar zijn jong gestorven halfbroer Moses misschien wel de talentvolste uit het gezin van vier kunstenaarskinderen was.

Zo grondig en ambitieus echter als het Brusselse museum, in samenwerking met het Haus der Kunst uit München, het onderwerp heeft aangepakt is nog niet eerder vertoond. De tentoonstelling omspant twaalf eeuwen en stoelt op een onderzoek waaruit vijftienhonderd broers en zussen-kunstenaars naar voren kwamen. In de expositie zijn daar uiteindelijk veertig duo’s, trio’ s en zelfs een zevental van te zien. De vroegste zijn de 8ste-eeuwse zusters Harlinde en Relinde, die in een klooster in Valenciennes uitblonken in muziek, kunst en handvaardigheid. De meest recente zijn Bénoît en Frédéric Platus, hippe Belgen die vanuit de hiphop, skate- en graffitiscene beelden en collages maken. En juist die zeer brede historische opzet maakt dat, onbedoeld of niet, een interessante ontwikkeling duidelijk wordt – één die bloedbanden overstijgt.

De catalogustekst van Rainer Zuch, hoogleraar aan de universiteit van Marburg, zorgt ervoor dat je verder komt dan het vergelijken van stijlen en formele kenmerken. Zuch voert je in de gezinssociologie in, bespreekt familieverhoudingen door de eeuwen heen, relativeert de invloed van de genen ten opzichte van de omgeving (nature versus nurture) en neemt een aantal families, waaronder de kinderen Duchamp, onder de loep.

De kunstenaarstweeling Liesbeth en Annelies Raeven (L.A.Raeven) doen woorden tekort schieten met de grote videoprojectie Love Knows Many Faces (2005) die de start vormt van de tentoonstelling. Hierin zwemmen de twee vrijwel identieke, graatmagere zussen in een modderig poeltje tussen de weilanden, de camera draait om hen heen en kijkt af en toe onder water. De één probeert de ander omlaag te duwen, er klinken benauwend echte, rauwe kreten. Dan klampen ze zich beiden vast aan een paal in het water en liefkozen elkaar – waarna het hele helse ritueel van voren af aan begint. Niet met jou, niet zonder jou.

Het is een adagium dat wij, in de 20ste eeuw opgevoed met het mantra ‘jezelf zijn’, heel goed kunnen begrijpen. Een kunstenaar geldt bovendien als een individu bij uitstek, een solist die zijn geheel eigen zienswijze te berde brengt. Opgevoed met het idee van kunst als ‘allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie’, zoals dichter Willem Kloos de doelstelling van de dichtersstroming De Tachtigers aan het einde van de 19de eeuw omschreef, is het heel goed voor te stellen dat het voor een kunstenaar uiterst moeilijk is een andere kunstenaar zo dicht in zijn vaarwater te dulden.

En dichter dan een broer of zus kun je eigenlijk niet komen. Dat moet wel tot knetterende ruzies leiden. Of, zoals in het geval van L.A. Raeven, tot een destructieve neiging om zich met de ander te identificeren. Waren de twee geen identieke tweeling of zelfs maar geen zussen geweest, dan was betovering, waardoor je naar het beeld kijkt als naar aapjes in een kooi, er niet of veel minder geweest.

Maar Family Affairs gaat voor een groot deel over eeuwenoude kunst. Dat idee over die ‘allerindividueelste expressie’ is maar heel recent – en heeft dat, zo vraag je je gaandeweg af, zijn langste tijd eigenlijk niet alweer gehad?

Van strijd of concurrentie is bij het overgrote deel van de in Brussel getoonde kunstenaars in ieder geval helemaal geen sprake, zeker niet bij de kunst van voor de 18de, 19de eeuw. Voor hedendaagse ogen zijn vooral de grote gezinnen fascinerend, waarbinnen in dezelfde stijl, aan dezelfde onderwerpen en genres werd gewerkt. Zoals de zeven kinderen Dietzsch uit Neurenberg, een van de vele 18de-eeuwse kunstenaarsfamilies waarvan de leden nauw samenwerkten. Slechts één van hen koos voor kleine landschappen, de andere zes specialiseerden zich in een romantisch-wetenschappelijke weergave van bloemen, planten en schelpen. De gezinsleden bleven tot hun dood in hetzelfde huis wonen en leiden van daar uit een goedverkopend atelier.

De 17de-eeuwse gebroeders Wouwerman deden in paarden, de Unterbergers in engelen op altaarstukken, de 19de-eeuwse broers Koekkoek in landschappen – naar een eigen niche zoeken gebeurt pas vanaf het einde van de 19de eeuw. Het is mooi om te zien hoe bijvoorbeeld de schilder Balthus (Balthasar Klossowski), die vooral bekend werd met zijn erotische schilderijen van pre-puberale meisjes, late concurrentie kreeg van zijn iets oudere broer Pierre Klossowski. Die was al bijna vijftig toen hij vele malen explicietere, sadomasochistische potloodtekeningen ging maken.

Het kiezen van een pseudoniem is ook pas vanaf die tijd gangbaar. Giorgio de Chirico en Alberto Savinio waren broers, Antoine Pevsner en Naum Gabo ook. Van de kinderen Duchamp die kunstenaar werden pasten er drie hun achternaam aan: Jacques Villon, Raymond Duchamp-Villon (naar de door hen bewonderde dichter François Villon) en Suzanne Duchamp-Crotti of gewoonweg Crotti, zoals haar man. Marcel, die het beroemdst werd, hield zijn eigen naam.

Een krappe eeuw later is die neiging om de verscheidenheid tot in de naam door te voeren, al weer vrijwel verdwenen. Het streven om zich heel erg van de broer of zus-kunstenaar te onderscheiden, is ook veel minder. Het wegvallen van die pseudoniemen van kunstenaars-Geschwester is misschien wel het meest duidelijke teken dat broers en zussen zich niet meer per se van elkaar willen onderscheiden, maar het beste uit de samenwerking willen halen. Ook als dat op zo’n heftige manier gaat als de zussen Raeven, die zelfs hun namen aaneensmolten.

Er wordt samengewerkt, men wordt soms gewoon één kunstenaar, zoals de zusters Hohenbüchler, die in elkaars tekeningen werken en het liefst met grote groepen mensen collectieve kunstwerken haken en knopen. Of de ‘Wilson twins’ , helaas niet in Brussel te zien. Welk aandeel Jane en welk aandeel Louise heeft, is in hun videowerken niet te zien en ook niet van belang. De vraag naar ‘auteurschap’ lijkt ineens iets van de jaren tachtig en negentig, een gepasseerd station.

Weg is die ‘allerindividueelste expressie’; die blijken kunstenaars de laatste jaren net zo goed met zijn tweeën, drieën of meer uit te kunnen dragen. Wat in de architectuur, het ontwerp, mode en film al veel langer gangbaar was, heeft nu ook dat bolwerk van individuen, de beeldende kunst, bereikt. Nog niet zo lang geleden was het iets voor de underground, maar nu is het collectief in. Het stikt ervan, en ze bereiken de grote podia: Fischli & Weiss, De Rijke/De Rooij, de projecten van Pierre Huyghe, Philippe Parreno en Dominique Gonzales-Foerster, het kunstkwartet Gelitin . . . de lijst is moeiteloos aan te vullen, en wordt vooral heel snel langer als de broers en zussen mee gaan tellen. Die kunnen een collectief van nature zijn, als ze hun familie-ergernissen aan de kant zetten en profiteren van hun nestgeur. Dan wordt één en één meer dan twee, veel meer zelfs.

Kijk maar naar de serie Insult to Injury (2001) van Jake en Dinos Chapman. Family Affairs besteedt een ruime zaal aan de tachtig overschilderingen van reproducties van de beroemde etsen van Francisco Goya, Los Desastros de la Guerra. De kleine afbeeldingen zijn stuk voor stuk voorzien van koppen die half monster, half buitenaards wezen zijn. Daders en slachtoffers op de gruwelijke plaatjes valt dezelfde behandeling toe, tot ze allemaal deel uitmaken van een Star Wars-achtige beulenkamp.

Het is typisch ‘Chapman’: een morbide wereld die zij samen hebben opgetrokken. Dat die wereld, hier met éénharige penseeltjes op de vierkante centimeter geschilderd, ontspruit uit meer dan één hoofd, is bijna niet voor te stellen. Dat moet wel familie zijn.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden