TUSSEN KIJKEN EN ZIEN

Met het interieur van het kasteel van kunsthandelaar Robert Noortman komt volgende week een collectie trompe-l’oeils onder de hamer. De officiële kunstgeschiedenis negeerde het genre goeddeels....

I

I
Volgende week komt de privéverzameling van kunsthandelaar Robert Noortman (die het afgelopen jaar overleed) onder de hamer. Geveild wordt het plusminus volledige interieur van het kasteel ‘De Groote Mot’ in Belgisch Limburg. Ars longa, vita brevis – de kunst duurt lang, het leven kort. Die slotsom dringt zich onherroepelijk op bij wie rondloopt op een van de drie kijkdagen van het Amsterdamse veilinghuis Sotheby’s.

I
Noortman, met zijn internationaal vermaarde kunsthandel aan het Vrijthof in Maastricht, was een van de initiators van het jaarlijkse evenement The European Fine Arts Fair. Het renaissance-kasteel, door Noortman de afgelopen twintig jaar met zijn vrouw Angélique gerestaureerd, ingericht en bewoond, placht tijdens de TEFAF het bourgondische trefpunt te zijn van verzamelaars, museumdirecteuren, curatoren, restaurateurs en kunsthistorici, aldus Frits Duparc, directeur van het Haagse Mauritshuis, in een ten geleide bij de catalogus.

I
Het uiteenvallen van een verzameling, zeker zo een als deze die het schitterend decor is geweest van ontvangsten en maaltijden, heeft per definitie een vanitas-achtig karakter. Het met zoveel smaak en levenslust opgebouwde geheel wordt weer ontbonden. Het bouwwerk, dat de verzameling was, begeeft het samen met de man die deze schatten bijeen heeft gebracht. De bezoeker van de kijkdagen woont dus eigenlijk een kort intermezzo bij, van maar drie dagen, tussen twee onzichtbaarheden in. In het veilinghuis zijn de voorwerpen heel even openbaar, met geen ander doel dan opnieuw begeerd, gekocht, en eigendom te worden. Daarna zullen ze als bij toverslag weer verdwenen zijn.

II

II
In het gebouw van Sotheby’s staan de 633 veilingnummers nog één keer, zo goed en zo kwaad als dat gaat, opgesteld zoals zij dat waren in het kasteel. Meer dan menshoge foto’s laten dat zien. De schilderijen hangen in hetzelfde gelid, het zilver staat er net als op de foto. Dit hier is de entreehal, met de collectie wandelstokken en het landschap van Roelant Roghman. Daar begint de salon, met het schilderij van Melchior de Hondecoeter, de grisailles van Jacob de Wit, de vele Nautilus- en andere bekers, de kisten, de roemers.

II
Vervolgens krijgen we nog een hal, tevens toegang tot de tuin, met maar liefst een stuk of veertig trompe-l’oeils. Hierna zullen nog volgen: de tuinkamer; de eetkamer; de keuken; de kapelkamer; de wenteltrap met Afrikaanse en Oceanische kunst; en ‘boven’, tot slot, de suite en de slaapkamer. Geen muur of wand waar niets hangt, geen kast die niet gevuld of onbedekt is. En toch zijn het stuk voor stuk ruimtes waar je je graag zou ophouden. Het is weliswaar propvol maar toch niet overvol. Het is op een geheimzinnige manier smakelijk en niet zwaarwichtig. En al helemaal niet stijf of imposant.

II
Dit is dus de privé-collectie van een man in wiens kunsthandel meer dan een Rembrandt van eigenaar verwisselde. Maar om die Rembrandts was het hem thuis niet te doen. Noortman verzamelde in de marge. De verzameling, veelzijdig en divers, vormt ook een zelfportret.

II
Terwijl je rondloopt, zie je steeds meer hoe de deelverzamelingen onderlinge verbintenissen aangaan. Er zijn bijvoorbeeld nogal wat van die antieke houten ledenpoppen met behulp waarvan schilders een houding of beweging konden stilzetten. Er zijn ook houten modellen, antieke, van wenteltrapjes, torenspitsen, preekstoelen. Heel mooi van materiaal, constructie en vorm. Op zulke ledenpoppen, modellen en maquettes rijmt dan weer schitterend de meterslange slinger die het witte geraamte blijkt te zijn van een boa constrictor. Een geraamte dat geconsolideerd is in een luchtige zweefconstructie.

III

III
Noortman verzamelde in de marge, niet als belegger, maar voor zijn plezier. Zij het hoogstwaarschijnlijk vooral omdat hij het niet laten kon. Verzamelen is ook een vorm van min of meer beheerste verslaving. De boven al genoemde trompe-l’oeils vormen een opmerkelijke verzameling binnen de verzameling. Want de trompe-l’oeil, dat is een type kunst dat door de officiële kunstgeschiedenis, zo niet met de nek aangezien, dan toch heel lang stiefmoederlijk behandeld is.

III
Trompe-l’oeilkunst, dat is waar, heeft ook wel iets voortvluchtigs, iets dat zich niet aan definitie wenst te onderwerpen. Want wat is een trompe-l’oeil? Een trompe-l’oeil moet het hebben van zijn effect op degene die ernaar kijkt – en erin tuint. Het gaat bij de trompe-l’oeil om het moment tussen kijken en zien. Je moet denken dat je naar een heus ding hebt gekeken en niet naar een afbeelding of een voorstelling daarvan. Maar een kunstwerk definiëren in termen van het effect dat het heeft, of zou moeten hebben, of ooit gehad heeft, dat is vragen om moeilijkheden.

III
Het betekent in elk geval dat een trompe-l’oeil als een kameleon dient op te gaan in zijn omgeving alvorens zegevierend voor de dag te kunnen komen. Een trompe-l’oeil moet de dingen dus op ware grootte afbeelden; de schaal kan geen andere zijn dan 1:1. Bijgevolg dient de trompe-l’oeil altijd een spel te spelen met de rand van de voorstelling, of met wat gewoonlijk de lijst is. Een trompe-l’oeil die hangt (dat is wat schilderijen gewoonlijk doen) moet dus ‘echt’ ergens aan opgehangen zijn, als ‘ding’. Dat kan een geschilderd touwtje zijn, aan een geschilderde spijker, in een geschilderde gestucte muur. Of een ‘rek’, bevestigd aan een ‘vurenhouten wand’. Het gebruik van aanhalingstekens, bij het beschrijven van voorstellingen van trompe-l’oeils, behoort tot de onvermijdelijkheden. Maar één ding is zeker: een trompe-l’oeil in een museum, tussen de andere schilderijen, is per definitie verdwaald.

III
Wij 21ste-eeuwers, met onze eindeloze reproductiemogelijkheden, en alle kunst binnen handbereik in de vorm van catalogi of via het scherm van onze computers, wij die zowel thuis als in onze perfecte musea gewend zijn aan voortreffelijke en gelijkmatige belichting, zijn niet meer zo gemakkelijk te verrassen als onze voorouders. Het was behoorlijk donker in de huizen van vroeger, met overdag alleen het wisselende licht van buiten, en ’s avonds dat van kaarsen – dat alle hoeken donker liet. Dus vereist het een zekere mate van historische verbeelding om je het vroegere trompe-l’oeil-effect in te denken. Maar ook zonder dat is het heel aangenaam kijken, naar deze kunst van de geveinsde derde dimensie. Want om een redelijk goeie trompe-l’oeil te maken moet je toch echt goed kunnen schilderen.

IV

IV
Trompe-l’oeils zijn er in allerlei soorten en maten. Zo zijn er drukwerk-trompe-l’oeils en brievenrekken. Een misschien niet eens zo mooi maar wel erg grappig exemplaar dat onder de hamer gaat is nr. 153, Franse School, circa 1890, met speelkaarten, kaartjes van een of ander openbaar vervoer (de Parijse metro?), twee historisch gesproken vroege lucifers en een smeulende (naar het mij lijkt al even vroege) sigaret. Maar al deze dingen zijn liggend afgebeeld. Hoe kan dat? Misschien is het een blad geweest van een bijzettafeltje? (Voor een ‘echt’ kaarttafeltje is het ding wat klein.)

IV
Een andere beproefde vorm om het beoogde gezichtsbedrog teweeg te brengen, zijn grisailles – monochrome schilderingen, bij voorbeeld in de kleur van marmer. In grisaille werden dan bij voorbeeld bas-reliëfs geschilderd, aan te brengen in een hal of in een gang of boven een deur – net echt. Onze 18de-eeuwse landgenoot Jacob de Wit (nr. 67), naar wie zulke grisailles ook wel ‘witjes’ genoemd worden, was daarin een meester, die in Frankrijk en de rest van Europa veel navolging heeft gekregen.

IV
Een ander bekend subgenre is dat van het jachtrek, een Nederlandse uitvinding. Vooral in het 17de-eeuwse ’s-Gravenhage zijn er heel wat specialisten geweest die niets anders deden dan zulke jachtrekken produceren, voor de adel en voor degenen die graag een beetje op die adel wilden lijken. Een van die specialisten was Johannes Leemans, voor de kenner in één oogopslag te herkennen aan het kooitje-met-halfrond-deksel (voor de lokvogel) en de karakteristieke vorm en kleuren (blauw-wit) van het weitasje.

IV
Een in heel Europa gebruikelijke vorm van trompe-l’oeil was die van de jachttrofee: het dode dier, vaak een vogel, voor de snobs liefst een heel zeldzame, maar vaak gewoon een eetbare patrijs. Die bungelt dan zichtbaar ontzield aan touwtje en spijker, één vleugel gespreid, één vleugel opgevouwen. Van Jan Baptist Weenix (nr. 167) zijn slechts twee trompe-l’oeils bekend. Dit is de ene. De andere hangt in het Mauritshuis. De lijst die eromheen zit, gelieve men weg te denken. Maar ook wie daar geen zin in heeft, ziet gewoon een heel mooi schilderij.

IV
Eigenlijk geen trompe-l’oeil, hoogstens een halve, is het schilderij van nog zo’n Haagse specialist, Cornelis Biltius. Het beeldt een stukje weitas, een geweerloop, een jachthoorn en een houtsnip af (maar die hangt dan aan een spijker in de – dus meegeschilderde – lijst). Helemaal geen kwaaie schilder, die Biltius, maar wat dit schilderij (nr. 158) uitzonderlijk maakt, dat is dat het een split second afbeeldt. Namelijk die waarin één druppel bloed langs de gestucte muur valt, uit de snavel van de snip. Die druppel laat niet na, zijn schaduwtje te werpen. Dat geldt ook voor het zwevende donsveertje. Als je zo’n donsveertje ziet, weet je al bijna zeker dat je met een schilderij van Biltius te maken hebt.

IV
Heel curieus, om mee te besluiten, is het vrolijke gezicht – misschien dat van een nar – die met zijn vinger naar ons wijst. Het schilderij, nr. 139, Nederlandse School, stamt van omstreeks 1600, en is daarmee de vroegste trompe-l’oeil in de Collectie Noortman. Het gezicht bevindt zich direct achter de ruitjes van een glas-in-lood venster. Het is een evident als trompe-l’oeil bedoeld schilderij, dat deel zal hebben uitgemaakt van, waarschijnlijk, een ruimte met nog zo’n raam erin, maar dan een echt. De heer des huizes heeft zijn bezoek erin laten lopen, met dit schilderij. Met zijn nar lacht hij ons, na al die eeuwen, nog altijd even hartelijk uit. Hij is ongeschokt, in zijn overtuiging dat wij erin zijn getuind.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden