Tussen ezelsoor en badkuip

Het ‘ezelsoor’ – voor toeristen en het merendeel van de Amsterdamse burgerij is de 7 meter hoge grasheuvel op de hoek van het Museumplein niets minder dan een topattractie. ’s Winters de ideale plek om met je sleetje af te glijden, ’s zomers de perfect glooiende grasmat voor zonaanbidders. Handig ook, die ondergrondse parkeergarage en, vooral, de Albert Heijn. Autootje opgeborgen; bier en chips onder handbereik.

Maar jeetje, wat een sores heeft het ding gegeven. De groene skipiste staat in de boeken als een van de meest omstreden ingrepen in de Amsterdamse binnenstad – al sinds het prille begin in 1995, toen de Deense landschapsarchitect Sven-Ingvar Andersson zijn masterplan voor het plein bekendmaakte. Welke malloot had dit nu weer verzonnen? Hoe kwam iemand op het idee om aan de rand van hét cultuurplein van Nederland, met zijn drie musea van wereldformaat en het vermaarde Concertgebouw, een ingang te maken voor een supermarkt?

De gemeente had, zo klonk het verwijt, een knieval voor de commercie gemaakt door de bouwplannen, in het kader van private sponsorship, over te dragen aan ING Vastgoed. Want was de beslissing van de projectontwikkelaar, om naast een ondergrondse garage een supermarkt te vestigen, niet puur uit het oogpunt genomen van een meer winstgevende exploitatie en minder financieel risico?

En wat te denken van de timing? Die kon niet slechter. Het Stedelijk Museum was, na jaren van gesoebat, net van zins een pasklaar ontwerp te lanceren van de Portugese architect Alvaro Siza om het gebouw aan de pleinzijde uit te breiden. En dan zou daar nu juist die groene grasheuvel verrijzen. Hoe vielen die twee architectonische voorstellen met elkaar te rijmen?

De gesloten paviljoens van Siza, in de achtertuin van het museum, lieten zich toch niet combineren met ‘het 7 meter hoge monster’, zoals de toenmalige Stedelijk-directeur Rudi Fuchs het ontwerp van Andersson omschreef.

Het spektakel van Anderssons attractie en het introverte karakter van Siza’s ontwerp – ze sloten elkaar uit. Net als het luidruchtige, winkelende publiek en de bedachtzame culturele elite. Niemand die het hardop zei, maar toch: de twee verschillende bevolkingsgroepen dreigden door elkaar te gaan lopen. Vooral in het weekeinde zouden de bier- en chipskopers de gewijde rust van het plein verstoren.

Een filiaal van het supermarktconcern uit Zaandam, zo dicht bij het verfijnde kunstaanbod in een museum, dat betekende overlast. Het was ordinair. Platvloers. Schande! Een bezoek aan het Stedelijk behoorde nu eenmaal iets anders te zijn dan een bezoek aan ‘Albert Zwijn’. Aan supermarktpubliek had je niets, net zo min als aan zonaanbidders en sleetjerijders. Niemand die de ezelsoorbezoekers destijds als potentiële klanten voor het nieuwe Stedelijk zag. Dat Siza zijn paviljoens met de rugzijde naar het Museumplein had gesitueerd, sprak boekdelen.

Het ‘ezelsoor’ is er uiteindelijk gekomen – het Stedelijk van Siza en Fuchs niet. In plaats daarvan wordt er nu gebouwd aan de ‘badkuip’, naar een ontwerp van het Nederlandse architectenbureau Benthem Crouwel. Het inmiddels derde plan voor het museum (na Robert Venturi en Siza) voorziet in een uitbreiding aan het Museumplein van megalomane proporties: een meer dan 100 meter brede vliegende schotel van kunststof, waaronder een glazen hoofdingang komt met bookshop, museumwinkel en restaurant. Een futuristisch bouwwerk, waarbij de hellingsbaan van Andersson als een molshoop zal wegkwijnen.

Spectaculair, zeker, maar niet nieuw. Het moderne museumgebouw ziet er allang niet meer uit als het museumgebouw zoals dat twee eeuwen geleden werd ontworpen, en lang daarna niet meer is gewijzigd. Met zuilen, een brede toegangstrap en een gesloten façade, waardoor je het gevoel moest krijgen het heilige der heilige binnen te schrijden. Een tempelgebouw waarin je, afgesloten van de buitenwereld, oog in oog stond met de meesterwerken uit het klassieke verleden. Hoge cultuur, zogezegd, die in stilte moest worden aanbeden, als op een religieuze bijeenkomst. Het is inmiddels een dogma uit oude tijden.

De eerste scheur daarin ontstond toen in 1977 het Centre Pompidou werd geopend. Het Parijse publiekscentrum was ontworpen voor grote menigten bezoekers die moesten worden gevoed met een bonte mix van cultuur, kunst, boeken, nieuwe media, drank, spijzen en entertainment. Op het hellende plein ervoor zouden de bezoekers als het ware vanzelf de glazen toegangspoorten binnen rollen. Waarna ze via een immense, transparante roltrap aan de buitenzijde over de verschillende etages werden verdeeld, goed zichtbaar voor iedere potentiële geïnteresseerde die nog niet had besloten om naar binnen te gaan.

Het ontwerp van het Amerikaans/Italiaanse architectenduo Richard Rogers en Renzo Piano, en vooral het klinkende succes ervan, bracht een revolutie teweeg. Het zette de kunstwereld aan het denken – niet meteen, maar wel op termijn.

De afgelopen dertig jaar hebben vele musea het voorbeeld in Parijs gevolgd. In 1989 werd de ‘piramide van Pei’ opgeleverd, de nieuwe glazen entree van het Louvre. Onder het monumentale gevaarte bevindt zich niet alleen de verdere toegang tot de museumzalen, maar een uitgebreid onderaards netwerk van winkels, restaurants en cafés. Twee jaar eerder opende in Bilbao een filiaal van het Guggenheim Museum. Frank Gehry’s wervelwind van titanium platen was uit het oogpunt van citymarketing, toerisme en cultuur een noviteit.

Het Museum of Modern Art in New York, de Tate Modern in Londen, het Palais de Tokyo in Parijs, het Reina Sofía in Madrid – wereldwijd wordt het voorbeeld van het Pompidou gevolgd. Musea moeten toegankelijk zijn voor een breed publiek. En het museale aanbod beperkt zich niet alleen tot de hoge kunst. Theedoeken, koffiemokken, blokkendozen en puzzels behoren tegenwoordig net zo goed tot het assortiment als de schilderijen van Picasso en Neo Rauch, grafiek van Max Beckmann en de foto’s van Rineke Dijkstra.

Dat heeft te maken met hoe de kunst tegenwoordig wordt aangeboden en vooral voor wie. Musea zijn gericht op veel bezoekers – geen centra voor ingewijden en gelovigen. In de jaren vijftig en zestig was de kunst nog goed voor de persoonlijke opvoeding. Musea droegen dat denkbeeld uit in hun ideologie. Maar steeds meer ontstonden er (financieel) pragmatische redenen om een groot publiek aan te trekken. Er moest domweg geld worden verdiend om de machinerie draaiende te houden.

Gevolg: de individuele beleving van kunst, als een vorm van Bildung en scholing, is ingewisseld voor een brede kunstconsumptie voor de massa. Klantvriendelijkheid is het motto. Het tentoonstellingsbeleid wordt erop afgestemd, met blockbusters als Van Manet tot Monet en andere publiekslievelingen.

Het museum als een afgeschermde kunstenclave heeft zijn beste tijd gehad. Het gebouw kent inmiddels meer verwantschap met warenhuizen en winkelpassages, parkeergarages waar je pardoes inrijdt, casino’s waar je, eenmaal binnen, geen weg meer naar buiten vindt, vliegvelden en stations. Architectuur die grote stromen mensen naar binnen kan zuigen en verwerken.

Het mooiste voorbeeld dat ik daarvan ken, is Shinjuku Station in Tokio, dat met twee miljoen reizigers per dag bekendstaat als het drukste trein- en busknooppunt ter wereld. Het station laat zich ervaren als een chaotische verzameling verdiepingen, trappen, liften, gangen, hallen, winkels, kraampjes en, o ja, sporen en perrons over meerdere niveaus, haast onzichtbaar voor wie niet goed op de borden kijkt.

Een ondefinieerbaar labyrint van interieurs die in elkaar overgaan. Meer een open structuur of levend organisme dan een statisch bouwwerk. De vorm is ongrijpbaar, fluïde, net als de stromen mensenmassa’s die zich als mieren door de ruimtes persen. Het gebouw bestaat eigenlijk niet. Voor je het weet, sta je er met duizenden anderen in.

Het lijkt alsof het station zich als een losse overkapping om de reizigers heeft gevormd, aangepast op hoe de mobiele mens zich beweegt. Zijn gedrag dicteert hoe de gangen moeten lopen, waar de perrons zijn, de winkels en eetgelegenheden.

Vergelijkbaar zal de entree van het nieuwe Stedelijk zijn. Zonder dat ze het merken zullen drommen mensen de glazen pui zijn gepasseerd. Aangetrokken door de intrigerende architectuur en, daarachter, het aanbod van boeken, koffie, taarten en broodjes. Geen idee dat daarachter en daarboven de zalen vol hangen met kunstwerken, waarvoor ze misschien niet zijn gekomen, maar waar ze naartoe worden geleid via roltrappen en zacht zoevende liften.

Hoewel het tegen de haren van iedere rechtgeaarde kunstliefhebber in zal strijken, is het een welkome ontwikkeling. Het Stedelijk als dichtgetimmerd huis voor de kunst wordt een open onderkomen voor bezoekers. Die krijgen het voor het zeggen.

Wat in 1997 nog werd beschouwd als een tegenstrijdigheid – wat doet die winkel in mijn achtertuin? – is niet dat niet langer. Sterker: het Stedelijk mag blij zijn dat de nieuwbouw aan hetzelfde pleintje grenst als de ingang van de Albert Heijn. Het museum zal er baat bij hebben, wat ook al eerder bleek. Eind vorig jaar wist het museum Ahold voor drie jaar aan zich te binden als sponsor van de heropening van het Stedelijk en enkele toekomstige tentoonstellingen. Opbrengst voor het museum: 350 duizend euro. Het moederbedrijf van de Albert Heijn zei op zijn beurt dat het contract ‘past in ons beleid om de gemeenschappen waarin we actief zijn, te ondersteunen’.

De gemeenschappen waarin de kruidenier actief is, zijn blijkbaar dezelfde als die bij het Stedelijk naar binnen zullen lopen. ‘Ezelsoor’ en ‘badkuip’ bedienen een overeenkomstig publiek. Wie de supermarkt onder het Museumplein verlaat, kan bij het museum een espresso drinken; wie de kunst heeft gezien, kan 20 meter verderop bij het filiaal van de Zaanse grootgrutter zijn inkopen doen. Het zal na de geplande heropening van het Stedelijk in 2011 nog druk worden aan de Van Baerlestraat.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden