INTERVIEW

Tussen de lijntjes

Sinds 1966 verschijnen de tekeningen van Stefan Verwey in de Volkskrant. Nu is er de bundel Hoe open ik een boek en een expositie in het Persmuseum. Aan de hand van vier favoriete cartoons verklaart Verwey zijn werk.

Een schets van een cartoon die deze zomer in Sir Edmund stond. Beeld Stefan Verwey

Toen hij er in 1994 mee begon, dacht Stefan Verwey dat hij een jaar of drie, hooguit vier, cartoons zou kunnen maken over de literaire wereld. Tot zijn eigen verbazing heeft hij twintig jaar later nog steeds genoeg inspiratie om wekelijks een tekening te maken voor de boekensectie van de Volkskrant. De literaire wereld, zegt hij, daar zit zo veel in. 'Wat zeg je als je een nieuwe vriendin hebt om aan haar je achtergrond te schetsen? 'Mijn familie, daar zou je een boek over kunnen schrijven'. Dat soort zinnen vind ik zo mooi, daarmee kan ik aan het werk.' Verwey somt verder op: 'Een miljoen mensen wil schrijver worden, niet veel mensen lukt dat en slechts een handjevol kan er uitstekend van leven. Je schrijft in eenzaamheid, je hebt de beruchte eerste zin, er is het manuscript waarmee je langs uitgevers moet zeulen. Of ze vinden het goed, en het is halleluja, of ze wijzen je af en het is diepe ellende. Als je boek uitkomt, krijg je ervan langs van de recensenten, je moet naar praatprogramma's, je moet signeren in lege boekhandels en voorlezen bij leesclubjes en bibliotheken.' Zie daar Verweys werkterrein.


Hij begint zijn werk met het maken van een schets met een 2b-potlood op gerecycled papier ('een soort krantenpapier'), hij gebruikt kneedgum om te corrigeren. Vervolgens trekt hij de schets over op een lichtbak. Vroeger deed hij dat met een kroontjespen, totdat iemand hem wees op heel goede dunne zwarte pennetjes van Staedtler, waarmee hij zo'n honderd tekeningen kan maken voordat de inkt op is. Op de lichtbak kan hij nog schuiven met het kader. Niet alle details zijn al uitgewerkt op de schets. Verweys zwart-witcartoons zijn vrij gestileerd. Zoals hij het zelf uitdrukt: 'Hoe minder lijnen, hoe meer kleur.'

Carrière

Stefan Verwey (1946) begon zijn carrière bij de Volkskrant in 1973 in de rubriek Dag In Dag Uit. Vanaf 1994 tekent hij wekelijks een literaire cartoon voor de krant. Zijn tekeningen verschenen ook in Vrij Nederland, Intermediair, Haagse Post, de Standaard, Der Tagesspiegel en The Spectator.
In 1987 ontving Verwey de Ton Smitspenning voor zijn gehele oeuvre en hij won in 1999 en 2000 de Inktspotprijs voor de beste politieke tekening.

De opening van de tentoonstelling Hoe open ik een boek vindt plaats op 5/9 in het Persmuseum in Amsterdam. Hier wordt door hoofdredacteur van de Volkskrant Philippe Remarque het eerste exemplaar van Verweys boek overhandigd. Tot 28/9 is de expositie te zien. Meer info: persmuseum.nl

Beeld Stefan Verwey

1. Mijn volgende gedicht gaat ook over eenzaamheid

'Dichters vind ik altijd een beetje zieligerds, ze treden op voor een handjevol mensen. Ze gaan daarom trouwens vriendschappelijker met elkaar om dan schrijvers, ze hebben zo veel meegemaakt; signeersessies in lege boekhandels bijvoorbeeld, dat ze weten dat je niet naast je schoenen moet gaan lopen. Met deze tekening probeer ik een Remco Campert-achtige sfeer op te roepen. Dat zit hier, denk ik, vooral in de tekst, en dan in het woordje 'ook' - een belangrijk woord. Al de gedichten van deze man gaan over eenzaamheid, dat is zielig en heeft tegelijkertijd iets tragikomisch. Ik voer altijd een heel gevecht met de dialogen bij mijn tekeningen. De tekeningen verander ik bijna nooit, maar taal is niet statisch, daar kun je aan blijven sleutelen.


'Hoe de tragiek in deze tekening komt, kan ik bijna niet verklaren. Het zit 'm waarschijnlijk in de suggestie van de grote, lege zaal; als deze man in een bibliotheek had voorgelezen, of bij een leesclubje, dan was het effect niet hetzelfde geweest. De tekening is grafisch heel gestileerd. Doordat de dichter hoog staat en door de gordijnen weet je dat het een grote zaal is. Ik heb ook geen echte stoelen getekend, het is meer de suggestie van een hele zaal vol lege stoelen. De dichter heeft eigenlijk geen uitdrukking op zijn gezicht, je ziet niet hoe hij zich voelt. Daardoor wordt veel aan de verbeelding van de toeschouwer over gelaten.


'Ik gebruik vaak arcering met horizontale lijntjes in mijn tekeningen. Dat is een toonwaarde, ik gebruik het om diepte in de tekening te krijgen. Het houdt de tekening strak, en legt tegelijkertijd het accent daar waar de aandacht op moet vallen. Bij tekeningen over vakantie gebruik ik de horizontale arcering vaak voor de gebruinde lichamen. Maar ik suggereer ook een vakantiestemming door patroontjes te maken op de kleding: mensen kleden zich altijd raar als ze vrij zijn. Daar heb ik dan plezier in. In de lucht teken ik standaard drie krabbeltjes; meeuwen. Dat kan ik niet laten.'

Beeld Stefan Verwey

2. Mooie eerste zin en nu moet je doorpakken.

'Ook hier is de taal belangrijker dan de tekening. Er zijn veel stopwoorden die bij een tijdsbeeld horen als 'zeg maar', of 'gaaf'. Ze komen en ze ebben weg, als ze hier in Beek Ubbergen zijn aangekomen, dan weet ik: dat duurt niet lang meer. Maar 'gaaf' zou ik nooit gebruiken in een tekening, daar zit geen humor in. 'Doorpakken' wel, dat is managerstaal, je hoorde het op een gegeven moment veel in televisieprogramma's. Het past echt bij deze hoofdpersoon, het is zo oneerbiedig naar de vrouw die een fantastische eerste zin heeft opgeschreven. Je ziet aan haar staartje dat ze ijverig heeft zitten schrijven. En hij zegt, met zijn handen in zijn zakken: nou doorpakken, meid. Ik spring wel in de lucht hoor, als ik zoiets bedenk.


'Het is tegelijkertijd vertederend, want hij probeert haar ook echt aan te moedigen. Maar je kunt je niet voorstellen dat hij zelf een lezer is, toch? Hij zal wel blaadjes lezen. Dat zit hem in zijn verkeerde kleding, de handen in zijn zakken. En de mond, natuurlijk, echt een smoelwerk.


'Waarom je hem meteen herkent als botterik, dat is voor mij ook nog steeds magie.


'Ik ben geen echte tekenaar. Dat is het grote verschil tussen mij en bijvoorbeeld Peter van Straaten, die tekent echte wezens. Daarom krijgt hij ook zo veel boze reacties, mensen voelen zich erg aangesproken. In mijn tekeningen blijven het cartoonfiguren, je kunt je met ze identificeren, maar je herkent niemand. Peter van Straaten zei wel eens: Stefan kan de gruwelijkste tekeningen maken, maar mensen worden nooit boos.'

Beeld Stefan Verwey

3. Ze lullen over boeken! Kan ik ergens mee helpen, mam?

'Dit vind ik goed, dat je meteen ziet: zo'n jongen zou zijn moeder nooit uit zichzelf gaan helpen. Maar meehelpen is blijkbaar beter dan meepraten met die erudiete mensen op de achtergrond waar hij voor Piet Snot bij zit. Je ziet ze doorpraten aan die tafel, ze hebben niet eens gemerkt dat hij weg is. Die ene zit met zijn vingertje omhoog: 'En wat Reve daar zei...' Met zo'n lullig lampje erboven, dat teken ik ook vooral voor mijn eigen plezier.


'Mijn oog valt nu trouwens wel ineens op een slordigheid, de lijnen van de broek van de jongen en de muur raken elkaar, dat vind ik niet zo mooi. Dat zou ik nu anders doen. Ik zorg ook dat lijnen niet precies in de hoek van de tekening terechtkomen, want dan dwaalt je oog daarnaar af.


'Ik stuur de manier waarop iemand naar mijn tekeningen kijkt. Als de schets af is, maak ik vaak ook een tekening in spiegelbeeld. Werkt dat beter? Is de juiste persoon het middelpunt? Bij deze tekening is de eerste blik voor de jongen, dat komt ook door het pijltje van de dialoog: hij vertelt duidelijk het verhaal. Dan kijk je waar hij vandaag komt en naar wie hij toe sloft. Naar zijn moeder. Dat hij jong is, zie je aan zijn gympjes, en de letters op zijn trui. Pleeborstel-haar vind ik altijd leuk om te tekenen. Als ik een gezicht teken, dan trek ik zelf vaak de grimassen die ik aan het schetsen ben. Van de moeder is eigenlijk alleen een oogje zichtbaar en tóch zie je dat ze verbaasd is. Ik los het tegenwoordig met heel weinig op, ik durf meer. Ik ben geen goed tekenaar, maar ik ben wel een goede cartoonist.'

Beeld Stefan Verwey

4. Van het volgende gedicht 'writer's block' heb ik alleen de eerste regel.

'Deze tekening heeft een totaal andere sfeer dan de eerste dichterstekening. We zijn wel opnieuw in een grote zaal, dat zie je aan het gordijn en het publiek dat je nog zeker moet verdubbelen in je hoofd: het is een fors gezelschap. Je ziet duidelijk dat deze persoon er plezier in heeft. Overigens, ik ontdek hier de eerste fout in het boek; er ontbreekt een punt achter de zin. Maar goed, deze man heeft er dus zin in. Hij geneert zich nergens voor. Hij heeft het ook over zijn 'volgende' gedicht, dus hij heeft er duidelijk al meer voorgelezen. Hij is zeer tevreden met zichzelf en zijn werk en het publiek luistert braaf. Dat zie je niet echt, want alleen de voorsten hebben een soort gezicht, en hier en daar een brilletje. Hoe verder naar achteren, hoe minder ik het heb ingevuld, en hoe gestileerder de tekening dus is. Te veel gezichten zouden maar afleiden. Ook hier mag de toeschouwer het zelf invullen.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden