TSCHAA!'

Schwitters' Merzbau omvatte alles wat dada - of Merz - te bieden had. Ernstig en humoristisch tegelijk, een voortwoekerende constructie met kindergieter en blauwe kiezelstenen....

OP Cylinders zelf woont niemand meer. Het botanische bos is verwilderd, de gebouwen in verval. Maar de buurvrouw is thuis en gaat voor. Ze ontgrendelt een groot hek en wijst: 'Volg het muurtje omhoog de berg op. Laat je niet van de wijs brengen door omgevallen bomen en wild woekerende rododendrons. Houd de muur aan je rechterhand, dan kom je vanzelf bij Kurts schuurtje uit.'

Tussen kreupelhout verstopt is het laatste levenswerk van Kurt Schwitters te vinden. De schuur - Schwitters' Merzbarn - ziet er anders uit dan op de foto's die ervan zijn gemaakt in 1966, nadat een complete muur met sculpturen was verwijderd en naar Newcastle gebracht ter conservering. De ramen zijn gebroken en bruidssluier en bospest tieren welig naar binnen. Overal staat rommel: oud gereedschap, roestige tonnen voor veevoer, wikkels van chocoladerepen.

De wand waarop eens Schwitters' Merzbau groeide is vernieuwd en voorzien van ramen. Eén sculptuur is nog aanwezig: een organische vorm van gips die tegen de oostmuur kleeft. Die vorm is een restant van wat nu in de Hatton Gallery in Newcastle te zien is, ontdaan van haar natuurlijke omgeving, het gefluit van vogels, het geruis van bomen en gedruppel van water. Schwitters' laatste Merzbau, gemaakt op Cylinders in het Engelse Lake District, voordat hij in 1948 stierf.

De Duitse kunstenaar, geboren in 1887, zag z'n Merzbau als de belangrijkste en grootste constructie van zijn leven. Ze comprimeerde alles wat dada, of Merz, zoals Schwitters' eigen variant van het dadaïsme heette, te bieden had. Ze ontstond bij toeval en door associatie, door wat hij op straat of in het gras vond of van vrienden kreeg. Het 'merzen' was een ode aan de abstracte kunst - 'alleen vorm en kleur!', jubelde Schwitters in 1947. Ze was ernstig en humoristisch tegelijk en de ultieme verbeelding van zijn lijfspreuk: 'Wir spielen bis uns der Tod abholt.'

Zijn eerste 'Kathedraal van erotische ellende', zoals Schwitters zijn Merzbau in Hannover noemde, groeide en stulpte als een vrolijk gezwel door de ruimte. Ze begon als beeld ín een kamer in zijn huis, ze wérd kamer, woekerde de kamer uit de gang op, het plafond door naar boven, en het balkon op naar buiten. Als het aan de kunstenaar zelf had gelegen was aan dat woekeren nooit een einde gekomen. Maar in 1943 werd het huis kapotgebombardeerd.

In Lysaker probeerde Schwitters het opnieuw: daar was hij naartoe gevlucht voor de nazi's, die zijn werk in Duitsland entartet verklaarden. Maar de Duitse inval in Noorwegen in 1940 noopte hem tot een nieuwe vlucht. In Engeland uiteindelijk begon hij na de oorlog aan een derde Merzbau, de Merzbarn op Cylinders bij Elterwater.

Schwitters' werk en leven gaat veel mensen in het Lake District aan het hart. Reginald Harper, de gepensioneerde die als vrijwilliger in het Armitt Museum in Ambleside werkt, spreekt fluisterend zijn afschuw uit over het 'bureaucratisch gedoe' van de plaatselijke kerkelijke autoriteiten in 1970. Schwitters werd na zijn dood in 1948 in Ambleside begraven, onder een sobere steen. Maar toen z'n nabestaanden zijn laatste wens wilden vervullen en het merzbeeld Die Herbstzeitlose op het graf wilden plaatsen, stuitte dat op bezwaren van de autoriteiten.

In het Lake District mogen alleen grafstenen worden gebruikt die uit de omgeving zelf komen. En het lettertype van de inscriptie mag je evenmin zelf kiezen. Dus besloot Schwitters' zoon Ernst in 1970 de stoffelijke resten van zijn vader te laten opgraven en over te brengen naar Hannover. In Ambleside wordt ondertussen het graf onderhouden alsof de 'schepper van Merz' nog in de grond ligt.

Harvey Wilkinson, de jonge conservator die in het verderop gelegen stadje Kendal een aantal fraaie dadaïstische collages van Schwitters bewaart, zou graag zien dat de Merzbarn vanuit het universiteitsstadje Newcastle weer terugkeert naar Elterwater. Want hoe schizofreen kan een kunstwerk zijn?

Het ene deel van de Merzbarn, waar Schwitters het verst mee gevorderd was, werd in 1965 uit de schuur gelicht, via een rails de berg afgetakeld en 120 mijl verderop, in het keurig provinciaalse universiteitsstadje Newcastle weer opgebouwd. Het andere deel staat daar maar op die berg, verweesd en ontzield en ten prooi aan regen, wind en sneeuw, aan bosdieren en onbekenden. 'Maar hoe autoriteiten als de National Trust en het museum in Newcastle te overreden?' zegt Wilkingson. 'En hoe fondsen te verwerven?'

Ook Ian Rollins - schilder, bakker, museummedewerker én bewoner van het benauwde huisje waar Schwitters zijn laatste levensjaren in Ambleside sleet - betreurt het dat Schwitters' resten in het dorp en op de berg bij Elterwater zo schamel zijn. Op zijn huis aan Millan's Park zou hij het liefst een plaquette zien. Maar zolang daar geen geld voor is, volstaat een vierkant stuk karton met goudpapier afgeplakt, dat hij in de linker bovenhoek van zijn voordeur heeft gezet. Op zijn brieven en achterop z'n eigen schilderijen noteert hij sinds kort behalve het officële adres ook de naam 'Merzhouse' - 'als eerbetoon aan Kurt', zegt hij.

Vanuit zijn piepkleine huisje in Ambleside in het Lake District, waar hij vanaf 1945 woont, schrijft Schwitters aan zijn beste vriend, de dadaïst Raoul Hausmann: 'In mijn ziel leven zoveel harten als ik jaren geleefd heb.' Het is december 1946. Schwitters is 59 jaar, dus 59 harten in één ziel.

De kunstenaar 'merzt' in Ambleside. Dat wil zeggen, hij maakt abstracte collages van papiersnippers, stukjes hout, stenen en allerhande rommel die hij vindt op straat en in de bergen. Hij schrijft dadaïstische klankgedichten en zo nu en dan treedt hij op in pubs met een nieuw succesnummer: een nasale extravaganza. Iedereen barst in lachen uit als hij De woede van het niezen voordraagt. Dat gaat zo:

'Tesch, Haisch, Tschiiaa

Haisch, Tschiiaa

Haisch

Happaisch

Happapeppaaisch

Happapeppaaisch

Happapeppaaisch

Happapepp

TSCHAA!'

Maar Schwitters schildert ook naar de natuur: traditionele portretten en ruwe berglandschappen in volvette penseelstreken. Geen avant-garde is dat, zegt hij. Maar wat dan nog. Hij is impressionist, ook al is hij Merz. En het betaalt de huur en het eten.

Ian Rollins parkeert zijn auto op een leeg opslagterrein aan de rand van Ambleside. Hij is opgetogen, want hij heeft kortgeleden het aller- állereerste atelier in Ambleside ontdekt waar Schwitters heeft gewerkt. Dat is niet de cottage op Gale Crescent, het is een kippenhok er vlakbij.

'Als u me alstublieft wilt excuseren, dan ga ik voor', zegt hij, en hij loopt over een nauw bospaadje tussen de lelietjes-van-dalen de berg op. Aan het eind, tegen de bosrand aan, staat een scharminkelig varkenskot van sloophout en golfplaten. Heeft in dit tochtige, lekkende hok met kapotte voerbakken en ingestorte stoelen een beroemde kunstenaar gewerkt? Rollins knikt zelfverzekerd. 'Iedere dag liep hij op en neer van de Gale naar hier, en onderweg ontmoette hij de eigenares van het huisje vlakbij dat hij schilderde.'

Het uitzicht op het meer en op de andere kant van de vallei, waar Schwitters later de Merzbarn zou maken, is adembenemend. En wie vertrouwd is met het zachte groen, blauw en rood waarmee Schwitters zijn gevonden stukjes ijzer, kiezelstenen en vreemdvormige boomstronkjes beschilderde, ontdekt plotseling schoonheid in het net niet verveloze beestenhok. Het kan zelfs een bron van inspiratie zijn. Ja, Schwitters zou hier 'gemerzt' kunnen hebben. Blijmoedig en laconiek. Ook van een gebroken stoelpoot valt kunst te maken.

Toen Schwitters in 1945, vlak na het beëindigen van de oorlog, met zijn vriendin/verpleegster Edith Thomas (Schwitters verbasterde haar naam tot Wantee - van 'Do you want tea?') in Ambleside arriveerde, was zijn vrouw Helma overleden en zijn Merzbau in Hannover vernietigd. Of hij nog lachen kan, vraagt een vriendin. 'Dat hangt niet van gebeurtenissen om mij heen af', antwoordt Schwitters. 'De mens voelt zoveel geluk als hij in zich heeft.'

Voorlopig is dat veel. De oorlog is voorbij. Schwitters is dolblij dat hij weer kan corresponderen met zijn oude vrienden in Europa: Hausmann, Nelly van Doesburg, Cesar Domela en vele anderen. In periodes dat hij zich gezond voelt, schrijft hij soms wel drie brieven per dag. Ook verheugt hij zich over het mooie landschap in het Lake District. De hoge bergen, diepe meren en zoete zomerlucht herinneren hem aan Noorwegen, waar hij voor het uitbreken van de oorlog zoveel gelukkige uren met Helma doorbracht.

Maar het leven in Ambleside is bitter armoedig. Als hij een inktpot omgooit op bed, moet hij een paar dagen met balpen schrijven, zegt hij, 'om inkt uit te sparen'. 'Hier in Engeland kijkt men naar abstracte kunst met een vraagteken, in Amerika met een uitroepteken', schrijft hij. Eén keer krijgt hij de opdracht voor een duur portret van een society lady uit Grasmere. Zij vindt halverwege de poseersessies haar portret zo lelijk dat ze weigert zelfs een deel van het afgesproken bedrag te betalen. Het is de enige keer, herinnert Wantee zich later, dat ze Schwitters heeft zien huilen. 'Kunstenaars moeten toch ook eten', zegt hij.

In Newcastle staat de Merzmuur achter in een steriel witte zaal onder kunstlicht. Links begint het met geometrische abstracte vormen die de muur uitstulpen. Zij herinneren aan de eerste collages die Schwitters vanaf 1918 maakte, toen hij nog sterk onder invloed van het constructivisme stond. Iets verder naar rechts stuit je op een collage, gevat in een metalen frame en opgebouwd uit een stukje kindergieter, een beschilderde steen, een blokje hout en een ver naar voren stekend oranje stuk metaal.

Die collage verbindt vroeger met later, 1918 met 1947. Het rechterstuk van de muur wordt gedomineerd door slakkenhuisachtige constructies, door de organische vormen die Schwitters in de latere jaren van zijn leven zo in het landschap en het leven om zich heen bewonderde.

Louhgrigg Tarn, een bergmeertje een half uur klimmen vanaf de Merzbarn, was favoriet, en dus vind je bijvoorbeeld haar vorm terug in de muur. Of die van botten. 'Ik maak veel bottenplastieken', schrijft Schwitters in de zomer van 1946. 'Ik koop een bot bij de slager, laat een hond daarvan afknagen wat hij knagenswaardig vindt en bouw met gips de restanten weer op volgens de regels van de beweging in de kunst.' En ook die afgeknotte, kromme gipssculpturen tref je aan in de muur in Newcastle, én in die op Cylinders.

De Hatton Gallery in Newcastle bewaart ook een zonnige foto van zijn verjaardag op 20 juni 1947. De opname toont Wantee, die kersen voert aan een jongeman. Naast hen zit een gelukkige Schwitters: uit zijn zak steekt een brief van het Museum of Modern Art in New York. Het museum laat weten de kunstenaar een beurs van duizend dollar te schenken voor een nieuwe Merzbau.

De foto is waarschijnlijk genomen door Harry Pierce, de eigenaar van het huis op de achtergrond en het land, Cylinders, eromheen. Harry Pierce wilde in de jaren veertig van Cylinders - een lap grond tegen de flanken van een berg - een soort van klein Kew Gardens in Londen maken. Hij bestelde zeldzame planten en bomen, plantte rododendrons, bamboe, eucalyptus en bloemen door het hele bos. In dat bos stond aan het eind van een modderig pad een kleine stenen schuur. Die schuur kreeg Schwitters om zijn Merzbarn in te maken.

In oktober van 1947 schat Schwitters dat hij nog drie jaar nodig heeft voordat de Merzbarn klaar is - als hij werkt in het tempo dat hij nu doet: drie uur per dag, z'n maximum. Dan is hij uitgeput. Een zware longbloeding heeft het hem onmogelijk gemaakt om ladders te beklimmen of stenen te sjouwen over het steile pad naar de vochtige Merzbarn. Iedere dag gaat hij met de bus van Ambleside naar Elterwater, ook als het sneeuwt, ook als de regen in bakken naar beneden komt. Zijn beurs van het MoMa is bijna uitgeput. 'Maar ik houd goede moed', schrijft hij. 'De Merzbarn wordt sprookjesachtig.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.