Trust-regisseur Theu Boermans maakt Gustav Ernst rijp voor Wenen 'Faust moet keihard zijn, zonder sarcasme en ironie'

Wordt Wenen langzaam maar zeker 'Hinterwäldlerisch', zo achterlijk als de boeren in de bergen? In progressieve theaterkringen vreest men met grote vrezen, sinds de Oostenrijkse kanselier cultuur tot 'Chefsache' heeft gebombardeerd....

Van onze correspondent

Michel Maas

WENEN

Zeven paar billen bewegen ritmisch mee als zes stemmen scanderen: 'Ficken, blasen, schlecken' (neuken, pijpen, beffen). De Groene Longen? Ficken, blasen, schlecken. De bondskanselier? Ficken, blasen, schlecken! De misbruikte kinderen uit eerste huwelijk? Uit tweede huwelijk? De kunst? De schoonheid van bloedbaden? Ficken, ficken, ficken!

Het Schauspielhaus in Wenen is tijdens de première van Gustav Ernsts Faust in regie van de Nederlander Theu Boermans tot de laatste plaats uitverkocht, zoals trouwens elke première in elk theater in Wenen altijd tot de laatste plaats is uitverkocht. Men wil het gezien hebben, want Boermans' Faust is bij voorbaat een 'Theater-Ereignis' - de allerhoogste soort van gebeurtenissen die zich in de Oostenrijkse hoofdstad überhaupt kan voordoen.

Als de fascistoïde leraar zijn vrouw verkracht, als de Groene-politika zonder onderbroek op het gezicht van haar vriend gaat zitten, als videobeelden het afhakken van geslachtsdelen en executies projecteren op het gezicht van de ook al naakte Faust, als Faust kotst, als Faust zijn kind verkracht, en als Faust het vervolgens in bloederige stukken bijt, op dat soort momenten wordt er veelal weggekeken.

Twee jaar geleden had de directeur van schouwburg De Harmonie in Leeuwarden alle toeschouwers vooraf per brief gewaarschuwd dat deze Faust, toen gespeeld door De Trust, 'nogal choquerende scènes' bevatte. In Wenen is niemand gewaarschuwd. Bij het Schauspielhaus houden ze zich groot: 'Mensen weten dat ze hier zoiets kunnen verwachten. Ze zijn op zoiets voorbereid. . .', aldus een medewerkster, 'maar misschien gaat het toch een béétje verder dan wat hier anders wordt gespeeld.' Tussen duim en wijsvinger duidt ze het beetje aan: een centimeter of vijf, niet veel.

De schokeffecten, het 'Koitieren und Scheissen', worden in de recensies schouderophalend afgedaan als 'Aktionismus auf Amsterdamer Art' (Der Kurier), de recensent van Der Standard bekijkt al dat bloot weer eens en 'droomt als toeschouwer van een zalige tijd waarin nooit meer gekreund hoeft te worden, waarin men radicaal kuis geworden is.'

De recensenten hebben het wel gezien, dat actietheater. Of het nou geschreven is door jaren-zestigauteurs als Elfriede Jelinek of Peter Handke, of zoals Faust door Gustav Ernst, juist tégen de hele jaren-zestigmentaliteit. Dat is lood om oud ijzer.

'Super, weergaloos', zegt een dame na afloop van de première. Ze drukt auteur Gustav Ernst de hand. Ernst staat op en neemt de lof glunderend in ontvangst. 'Weet je wie dat was?', zegt hij als hij weer zit. 'Die vrouw was ooit minister van Cultuur.'

Ooit. De vrouw (dat moet Hilde Hawlicek zijn) is geen minister van Cultuur meer. Oostenrijk hééft geen minister van Cultuur meer sinds de nieuwe bondskanselier Viktor Klima is aangetreden. Klima heeft cultuur tot 'Chefsache' gebombardeerd: voortaan gaat de chef, de kanselier zelf, over dit belangrijke onderdeel van het Oostenrijkse politieke leven. 'Net als in de monarchie', schampert Barbara Petsch, recensente van Die Presse. 'Die kunnen we maar niet vergeten.'

Klima's eerste culturele daad was de benoeming van Klaus Bachler, nu nog directeur van de Volksoper (Zauberflöte, My Fair Lady, Carmen), tot opvolger van Klaus Peymann als directeur van het Burgtheater (Thomas Bernhard, Peter Handke, Elfriede Jelinek): het theater-Walhalla van Wenen. De benoeming van Bachler is in progressieve theaterkringen met huiver ontvangen. Faust-auteur Gustav Ernst zegt voorzichtigjes: 'Laten we zeggen dat het zeker geen stap in een ongemakkelijke richting is.'

Andere, meer uitgesproken critici zoals André Heller, met Elfriede Jelinek een van de boegbeelden van de 'generatie van '68', zien in de benoeming van Bachler de bevestiging dat de rechtse populist Jörg Haider nu definitief de 'huisfilosoof van Oostenrijk' is geworden. Bachler voldoet namelijk vooral aan de belangrijkste eisen die Haider aan theater stelt: de directeur is op de eerste plaats een Oostenrijker, en op de tweede plaats brengt hij een repertoire dat iedereen begrijpt en dat bovendien volle zalen trekt. Bovendien is hij voorstander van een groot eigen (Oostenrijks) ensemble voor 'de Burg' en tegen het inhuren van (Duitse) sterren voor de mooiste rollen.

De 'lijn-Klima' betekent volgens de tegenstanders van Bachler kortom dat het Weense theater zal afglijden naar het door Haider zo gewenste 'herkenbaar aangenaam, Oostenrijks theater'.

Klaus Peymann (een Duitser) zelf, die in 'zijn' Burgtheater de Oostenrijkers met stukken van Thomas Bernhard, Elfriede Jelinek, Peter Turrini en Peter Handke jarenlang van hun vaste portie ongemak heeft voorzien, voorspelt dat na zijn vertrek (in 1999) en het aantreden van Bachler een 'reactionair scenario' in werking treedt: 'Dan is het gedaan met experimenteren, dan keren de grote retorische klassieken terug in de Burg, wordt er weer ''mooi gesproken'' en zullen hoogstens nog de gevestigde modernen worden gekoesterd.' Dan zal Wenen kortom definitief 'Hinterwäldlerisch' worden: net zo achterlijk als de boeren in de bergen.

De 'woeste' Gustav Ernst komt inderdaad als theaterschrijver in Oostenrijk vrijwel niet aan bod, zegt hij zelf. 'Zonder Theu Boermans had ik misschien allang niet meer voor theater geschreven. Dit is ook karakteristiek voor Wenen: dat een interessant stuk pas hier gespeeld kan worden nadat het een omweg heeft gemaakt langs Nederland of Duitsland. De Weners hebben die tijd nodig om alvast aan het stuk te wennen. Als het dan komt is het niet zo vreemd meer, en pas dan is het consumeerbaar geworden.

'Wenen kent een toneelspelerstheater: een theater van publiekslievelingen. Die acteurs spelen allemaal zichzelf, ze spelen om het even welk stuk alleen maar om zichzelf te kunnen spelen. Ze maken van het theater een groot theater van de herkenning. Ook de nieuwe theatervormen zijn intussen oud geworden en bieden het publiek tegenwoordig een nieuwe gemoedelijkheid. Het Burgtheater zelf is al gemoedelijk geworden, vriendelijk, om niet te zeggen ''kuschelweich'', knuffelzacht.'

Theu Boermans is desondanks jaloers op een stad die al die theaters heeft - het Akademietheater, het Burgtheater, het Josefstadttheater - die allemaal vol zitten, en allemaal hun eigen repertoire hebben. 'In Nederland heb je alleen nog maar kleine zalen en alleen nog maar modern toneel. Moet je je voorstellen dat je in Amsterdam een theater hebt waar ze alleen maar naturalisten spelen, van Heijermans tot Ibsen! Daar is natuurlijk geen publiek voor, maar hier kennelijk wel.'

Hij is jaloers op de vele ensembles en hij ziet grote voordelen in het hebben van een eigen huis: 'Dan moet je de tering naar de nering zetten, en dat is helemaal niet zo slecht.' Boermans is kortom jaloers op de traditie, die in Nederland met één rigoureuze Actie Tomaat voorgoed is doorgeknipt. Een traditie die nog uiterst serieus genomen wordt ook.

'En toch geniet ik', zegt Faust. Ineens is het stil. Eenzaam en naakt zit hij tegen een zwarte stalen klimwand waaruit hij zojuist met boksbeugels een hels kabaal tevoorschijn ramde. Ook de video is uit, die onder dat kabaal op Fausts bleke lijf de infernale beelden projecteerde van executies en het afhakken van geslachtsdelen. Faust is een kunstenaar. Een geslaagd man voor wie alle toppen van genot binnen handbereik liggen en nagejaagd worden - wat hard werken is: hij is een 'Genuss-Schwerstarbeiter' -, maar die méér wil: 'Willst du den totalen Genuss?', vraagt Mefisto hem. Hij wil. En geweld. Vooral geweld, want het geweld in de mens is wat de jaren zestig zo schromelijk hebben genegeerd waardoor er zulke verknipte types zijn ontstaan als linkse opvoeders, Groene politici en linkse media-tycoons - tegenspraken in zichzelf.

Gustav Ernst jaagt ze in zijn stuk naar de duivel. De auteur heeft niet ver hoeven zoeken om ze te vinden: Oostenrijk zit er vol mee. Het land waar 600 duizend mensen een referendum tegen genetische manipulatie met graan ondertekenen, waar huisvuil gescheiden wordt in vijf verschillende bakken, en waar de Groenen juist nu al weken heftig discussiëren of in het partijprogramma onder het hoofdstuk defensie de nadruk moet liggen op 'vrede' of op 'geweldloosheid' - dezelfde mensen die naar het Burgtheater gaan, waar ze zich met een zeker masochisme door schrijfster Elfriede Jelinek laten voorhouden dat Oostenrijk een verfoeilijk land is van volgevreten (neo)nazi's, antisemieten, racisten en cultuurbarbaren.

Boermans: 'De auteurs van de jaren zestig en zeventig, zoals Handke en Müller, hebben geprobeerd een nieuwe ethiek en nieuwe levensdoelen te formuleren. Die zie je nu allemaal verdwijnen in de New Age-beweging of zo. Handke, die is niet meer te dóen. Botho Strauss wordt ook al liberaal en roept dat we moeten vergeten, opnieuw moeten beginnen. De sixties zijn allang voorbij, maar men weigert maar ze op te ruimen. De jonge mensen van toen zijn de verantwoordelijken van nu, de mensen die vooral niet weten hoe ze met geweld moeten omgaan, terwijl het geweld van alle kanten op ons toekomt. Dat geweld begrijpen, beheersen en doorzien, dat is wat Faust wil: het genot dat in geweld schuilt en dat maakt dat mensen elkaar niet alleen afslachten, maar zich daarbij ook nog te buiten gaan aan de meest vreselijke perversiteiten; het rituele aspect van geweld, geweld als een offerritueel waarbij we toezien - zoals we toezien bij wat er in Srebrenica gebeurt, of in Somalië, de kat uit de boom kijken en pas ingrijpen als het zichzelf heeft opgelost.'

'Wij hoeven Srebrenica niet op te lossen, daar hebben we politici voor, en die lossen het ook niet op, maar dan wel allemaal roepen Nooit meer Auschwitz. Over die onzin, die flauwekul, die gigantische leugen gaat Faust. Men wíl toekijken, men wíl niet ingrijpen. De mens heeft dat kennelijk nodig. Daarover heeft Gustav Ernst dit stuk geschreven en dat moet dan ook maar gespeeld worden, keihard en zonder sarcasme en ironie, want die maken het leven draaglijk. In de kunst moet je streng zijn en onverbiddelijk.'

De critici zijn voorbij gegaan aan de metafysische diepten die Boermans onder zijn Faust ziet liggen. Zij behandelen deze 'afrekening met de generatie van '68' zoals ze ook alle andere afrekeningen behandelen. Een tikkeltje vermoeid of verveeld: 'en aan het eind verslindt hij zijn eigen kind: Ach Kronos, waar blijft de tijd'; 'Gretchen, die natuurlijk aids heeft en illegaal is. . .', ouderwets speler-verliefd:'kostelijke Eduard Wildner en Christine Jirku. . . prachtige Wolfram Rupperti', of speler-kritisch: 'Meihöfer ziet eruit als een op Ibiza aangespoelde arme hasjhippie'. 'Het in de lucht hangende schandaal bleef uit', concludeert Barbara Petsch in Die Presse. In plaats daarvan waagt zij het, te jubelen over een 'zinnelijke', 'sensationele theateravond'. En verklaart ze Faust geheel in monarchistische stijl voor 'hoffähig', hofwaardig, oftewel: rijp voor Wenen.

Zonder erbij te zeggen wat dat nu precies betekent.

Faust, door Gustav Ernst. Regie: Theu Boermans. Schauspielhaus Wien t/m 15 november.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden