Troost van plectrum en losse pols

Elektrische gitaarkwartetten, elektrische gitaren met symfonieorkest, 150 elektrische gitaren in één band: vooraankondigingen rond het Output-festival in het Muziekgebouw – een driedaagse rond de elektrische gitaar in de nieuwe gecomponeerde muziek – wekten de indruk alsof het IJ met gitaren en stopcontacten kon worden gedempt....

In een Electric Chapel bovenin het gebouw was zelfs permanente bewaking nodig bij tentoongestelde elektrisch-gitaristische Stradivariussen en Guarneri’s: oer-Gibsons, oude Fenders, authentieke Epiphones. Het deed pijn aan de ogen, hoe de slagplaat van een Stratocaster uit 1963, ooit gestolen van een Duitse showorkestdame, door de dief onherkenbaar was gemaakt met witte verf.

Haast nog pijnlijker: hoe de ledematen en zenuwsystemen van zo’n instrument kunnen worden gedemonteerd en getransformeerd tot Picasso-object. Een specialist uit Veenendaal, Yuri Landman, voert thuis in zijn atelier operaties uit op gitaren. In de BAM-zaal waren zijn exotisch gevormde Moodswingers te zien.

De organisatoren van de driedaagse, de gitarist Wiek Hijmans en de componist Anthony Fiumara, waren in de eerste plaats geïnteresseerd in de snaar en het element zelf. Of, zoals het in een inleiding heette, in de ‘ziel van de toon’. Die bleek langs verschillende parcoursen uit de speakerconussen op te stijgen.

De componist Frank Martin (1890-1974), een fijnbesnaarde Zwitser, confronteerde zichzelf ooit met wat hij aanzag voor de hel, en schreef drie elektrische gitaren voor bij een vocale compositie die hij kort voor zijn dood op papier zette, Poèmes de la mort.

Martin zou een oncomfortabel weekend hebben gehad als hij Output 2007 had bezocht. Groter ingekleed nog dan het eerste Output in 2004. Bij de deuren van het Muziekgebouw klonk vrijdag al een gezoem als van duizend fruitautomaten. Het veranderde in geknars alsof Amsterdamse trams simultaan door de bocht gingen.

Het geluid kwam vanaf een foyerdeck, uit een klein dozijn plat op de rug liggende Fenders en Gibsons, bespeeld met asbakken, beslagen met ijzeren staafjes als bij een klokkenspel, respectievelijk door strijkstokken aangesneden als een osseworst. Het heette In-between moments, een met levende gitaristen bemand soundscape van Barbara Ellison. Fascinerend, maar als ‘onderzoek naar psycho-akoestiek’ minder subliem dan wat de gitarist Fred Frith een paar uur later in zijn eentje effectueerde als levende installatie.

Frith, in het Bimhuis neergezet door de klanklandschapsarchitect John Luther Adams uit Alaska, omringde zich met knoppenkastjes, strijkstokken en een keukentafel vol plectrum-vervangende voorwerpen, en liet in Adams’ jongste werk Veils urenlang de oneindigheid horen van een orgelend majeurakkoord waarbinnen diepere lagen over elkaar heen schoven, en hogere sferen vervuld bleken van boventonaal fijnstof. Dit laatste bewerkstelligde Frith onder meer door een gebedskettinkje langs de snaren te laten bungelen.

Belijdenissen van de kerkvader Augustinus en visioenen uit de boeddistische Baghavadgita bleken daags daarop de kiem te vormen van @Prana@, een oratorium annex meditatie van Peter Adriaansz, waarin interferenties en (alweer) boventonen de boventoon voerden. Bij zoveel spiritualiteit – tot festivalhymne werd Steve Reichs Electric Counterpoint uitgeroepen – leverde de Italiaanse componist Fabio Nieder een summum van gitaristische subtiliteit middels een nieuw werk voor strijkorkest en drie elektrische gitaren, waarvan er bij de première door Holland Symfonia niet één te horen was. De vraag bleef hoe of dit kwam. De gitaristen Seth Josel, Wiek Hijmans en Patricio Wang, kern van het Nederlandse Catch Electric Guitar Quartet, waren in ieder geval ervaren genoeg om in te pluggen.

Van alle vertolkers die in dit festival van snaar en kabel aan bod kwamen, waren zij drieën het meest actief en ook het duidelijkst van verschillende markten thuis. Rock-idiomen die een elektrisch gitarist doorgaans al belichaamt zodra hij naar zijn instrument wijst, leverden uiteenlopende zijsporen op. Merkwaardige nostalgie zat in een Concert in F van vader en zoon Gilius en Floris van Bergeijk: een omgekeerd Frank Martin-visioen, met decente strijkersklanken à la Benjamin Britten van vader Van Bergeijk, opgewekt aan repen gescheurd door gitaarlicks uit de koker van junior. Martijn Padding vond schoonheid in clichés uit de nachtclubsfeer en legde ze met hulp van Patricio Wang, Holland Symfonia en een wah-wah-zingende Marian Dijkhuizen neer in Two Reflexions on previous thoughts.

Liefhebbers van Zappa en/of Motörhead zouden gelijk hebben, als ze zeggen hoorndol te worden van het opzichtige maten en syncopen tellen van een Hijmans of een Josel (een partij van Tristan Murail of Huib Emmer moet een sologitarist niet tellen maar voelen, net als de blues). Maar als troost was er altijd nog het plectrum en de losse pols van Jan Akkerman, die inhet Muziekgebouw-atrium een gedecideerde punt zette achter de akkoordgolven die honderd gitaarleerlingen de trappen op lieten spoelen in een ‘plug ’n’ play’-werk van Chiel Meijering, The Wave.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.